Berichten

examens mentimeter

In het onderwijs is scholing een belangrijk onderdeel van je takenpakket. Voor de bijscholing dit schooljaar mochten we voor een deel zelf bedenken wat we wilden leren en hoe.

Om meteen wat dieper in mijn taak als examenleider te duiken, koos ik ervoor om het verantwoordelijkheidsgevoel en de zelfregulering van studenten te verbeteren, zodat de examinering efficiënter verloopt. Daarbij had ik de volgende doelen gesteld:

  • Studenten dragen zelf zorg voor het (op tijd) maken, uitvoeren en inleveren van examens.
  • De weg naar planningen, afspraken en cijfers weten studenten zelf te vinden.
  • Studenten weten wat er van ze verwacht wordt met betrekking tot examinering.

Wat zeggen de boeken over motivatie, zelfregulering en leerbereidheid?

Ik koos een paar boeken uit om informatie uit te halen waar ik verder mee aan de slag kon. Want alhoewel ik het specifiek op de examens wilde richten, is het nemen van verantwoordelijkheid iets wat op meerdere vlakken bij studenten naar voren komt. En waar dus al meerdere keren over geschreven is.

Wat hebben studenten nu nodig om die bovenstaande doelen te bereiken? En hoe krijg je ze zover dat ze het ook nog willen? In het kort kwam ik de volgende punten tegen:

  • Flipped classroom
  • Belang van oefenen benadrukken
  • Leer studenten hoe te leren
  • Uitleggen waarom
  • Voorkennis navragen
  • Structureren in kleine delen
  • Regelmatig herhalen en samenvatten
  • Saamhorigheid en samenwerking
  • Duidelijkheid en aard vooropgestelde doelen
  • Gepaste mate van keuzevrijheid
  • Eigen interesses en doelstellingen nastreven
  • Praktische taken: verdiepen in delen van de leerinhoud en discussiëren
  • Feedback: informerend in plaats van controlerend
  • Eigen planning maken, zelf leren nemen van beslissingen
  • Kritisch reflecteren op leerproces
  • Rolmodellen observeren: duidelijk omlijnde tussenstappen
  • Differentiatie en uitdagingen op maat
  • Onderscheid regels en afspraken
  • Autonomieondersteunend gedrag en structuur zijn meest effectief voor motivatie
  • Pygmalion-effect

En dit werd het plan:

Om allereerst te kunnen zien wat studenten al wel of niet wisten over de examinering, had ik een Kahootquiz samengesteld met vragen hierover. Dat had natuurlijk ook met een enquêteformulier of iets dergelijks gekund. Maar het leuke van Kahoot is dat ze meteen zien of hun antwoord goed of fout is en wie de meeste antwoorden goed heeft.

En voor het eerst heb ik instructiefilmpjes gemaakt, om als flipped classroom te gebruiken. Dat was nog wel even uitvogelen wat wel of niet werkte. De eerste versie van 20 minuten en alleen maar een ingesproken powerpoint, vond ik veel te saai. Hier was echt alles in verwerkt, voor alle vier de opleidingen. In de tweede versie had ik het opgesplitst naar een algemeen filmpje en een filmpje per opleiding. En in plaats van die ingesproken powerpoint, heb ik Prezi gebruikt en mijn hoofd in een hoekje in beeld gezet.

De Kahootquiz en filmpjes had ik aan de studieloopbaanbegeleiders (slb’ers) doorgestuurd als voorbereiding op een lesbezoek van mij als examenleider in hun klassen. De Kahoot kon dan klassikaal afgenomen worden en de filmpjes in de groepsapp gezet worden, zodat ze het in hun eigen tijd konden bekijken. Tijdens dat lesbezoek zou ik dan gedifferentieerde opdrachten aanbieden, gericht op eigen vaardigheden en reflecteren.

Wil je precies weten hoe en wat, dan kun je hier mijn lesopzet downloaden. Alhoewel waarschijnlijk niet alle linkjes werken zonder inlog.

Lesbezoeken over examens

Wat vanuit antwoorden in Kahoot opviel, was dat studenten vooral naar de slb’er of examenleider willen stappen met vragen, in plaats van zelf de informatie op te zoeken in bijvoorbeeld de examengids. Daarnaast waren sommige vragen fout beantwoord, omdat het om onderwerpen ging waar ze nog niet mee te maken hadden gehad, wat op zich logisch is.

Het lesbezoek begon ik steeds met een paar vragen die ze via Mentimeter konden beantwoorden, zoals: wat heb je nodig om goed je examens door te komen? Daar kwamen mooie antwoorden naar voren, studenten snappen heel goed dat ze meer nodig hebben dan alleen maar even wat theorie erin te stampen of een verslagje tikken.

Hoewel het de bedoeling was dat studenten vanuit hun eigen behoefte een opdracht zouden kiezen, liep dit toch anders. Bij sommige klassen wilden ze de instructiefilmpjes zien, omdat die nog niet gedeeld waren vooraf. En bij een andere klas nam ik de Kahoot af, waarbij ik tussendoor uitleg gaf. Bij de klas waar wel voor gedifferentieerde opdrachten gekozen werd, viel op dat studenten wisselend omgingen met het uitwerken van de opdracht. Sommigen stopten er zoveel werk in, dat ze het niet afkregen binnen de gegeven tijd. Anderen waren snel klaar en waren moeilijk te motiveren nog een opdracht te kiezen.

En hoe wordt er nu omgegaan met examens?

De slb’ers had ik gevraagd om bij verschillende examenmomenten een evaluatielijst in te vullen. Hierbij had ik de evaluatievragen gekoppeld aan de bovengenoemde doelen. De slb’ers vulden dit iets positiever in dan wat ik als examenleider tegenkom. Ik zie daarin ook wel verschil tussen hoe een student op niveau 2, 3 of 4 met examens omgaat. En daarnaast ook hoe slb’ers hierin begeleiden. Studenten op niveau 2 worden veel aangestuurd door hun slb’er. Studenten op niveau 4 zijn hierin veel zelfstandiger en herkennen zelf de structuur van de examinering.

Alhoewel ik wel verbetering zie door het op verschillende manieren herhalen van de uitleg omtrent examinering , valt er nog genoeg te winnen. Misschien niet eens alleen bij de studenten zelf, maar ook door met slb’ers concreter af te spreken hoe studenten geïnformeerd en begeleid worden bij hun examens.

Ik vond het boeiend en leuk om op deze manier met de examinering bezig te zijn. Heel wat anders dan formulieren checken en cijfers invoeren. Ik heb me kunnen verdiepen in literatuur over motivatie, leerbereidheid en 21e eeuwse vaardigheden. Flipped classroom of instructiefilmpjes maken, was iets wat ik nog niet eerder gedaan had. Ik zie er zeker met dit onderwerp de meerwaarde van in. Studenten kunnen het filmpje nog eens terugkijken als ze iets niet meer weten en de uitleg gaat niet van de lestijd af.
En door dit alles heb ik inzicht gekregen in verschillen in verantwoordelijkheid en zelfregulering en de aansluiting van slb’ers hierop.

Wat denk jij dat studenten/jongeren kunnen gebruiken om zelf die verantwoordelijkheid op zich te willen nemen?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

Inspannende activiteiten afwisselen met ontspannende activiteiten, om zo je energie meer te spreiden over de dag en niet te overbelasten. Net als een salamiworst die je niet in één keer opeet, maar steeds een plakje van neemt.

De salamitechniek heb ik niet zelf bedacht, maar deze komt uit het boek De pijn de baas. Ik weet dat het goed voor mij en mijn lijf is, maar het is gewoon niet leuk om er continu zo bewust mee bezig te moeten zijn.

Maar hoe doe ik dat dan, die salamitechniek toepassen? Daar wilde ik vandaag eens bij stilstaan en het visueel maken door, jawel: plakjes salami! Hieronder is een gemiddelde week te zien, zonder bijzondere uitstapjes of iets dergelijks. Je ziet duidelijk de overvolle dagen en de dagen die goed in balans zijn.

De witte rondjes geven de rustmomenten aan. Hierbij is het voor mij vooral van belang dat ik mijn bekken ontlast. Rechtop zitten is misschien niet zo inspannend als staan, maar ontspannend is het ook niet. Ontspannen is voor mij platliggen of schuin tegen kussens aan leunen en mijn benen op de bank. En waarschijnlijk komen de witte rondjes ook wel overeen met de tijden dat ik online ben op social media, haha!

De plakjes salami zijn juist de activiteiten die mij inspanning kosten. Sommige activiteiten kosten mij dubbel zoveel inspanning, die hebben een plakje erbij gekregen. Nu is er nog wel verschil tussen de ene inspannende activiteit en de andere. Het afwisselen van houding is in de foto’s niet duidelijk zichtbaar, maar wel minstens zo belangrijk.

Maandag

De maandagen zijn voor mij het zwaarst, omdat ik dan een aantal uur voor de klas sta. Daarom kies ik er al voor om niet op de fiets naar mijn werk te gaan, maar met de scooter.

De pauzes zijn voor mijn hoofd vaak wel even pauze, maar voor mijn lijf niet. Ik heb ooit wel een stretcher gehad op mijn werk, maar daar voelde ik me toch wel ongemakkelijk bij. Je zet ‘m niet even in de docentenkamer en ik vind het toch wel zo gezellig om in de pauzes met mijn collega’s te kletsen.

En gelukkig is mijn man dan bij thuiskomst zo lief om te koken, want na zo’n dag kan ik alleen nog maar op de bank liggen ‘s avonds.

Dinsdag

De dinsdag is ook een lange werkdag, maar voelt minder zwaar dan de maandag. Een valkuil is dan wel dat ik lang achter elkaar achter de laptop blijf werken en te weinig wissel van houding. Het archiveren van examens bewaar ik bewust voor het einde van de dag, want dit is een klusje waar ik niet heel veel bij na hoef te denken. Alle overige taken die ik als examenleider doe, vragen behoorlijk wat concentratie, vandaar dat ik die wil doen als ik nog helder ben.

Woensdag

Op woensdag ben ik vrij en dan kan ik wèl goed die salamitechniek toepassen. De boodschappen en fitnessen red ik dan precies onder schooltijd van mijn jongste dochter. Nu had ik het bloggen voor ‘s middags staan, maar ik ga ook wel eens nog even naar de markt of de bibliotheek met mijn dochter. En dan ‘s avonds een uurtje onderuitgezakt op de bank nog wat bloggen.

Donderdag

Op donderdag werk ik maar een halve dag en ben ik voornamelijk met examentaken bezig. Ik lunch dan thuis en daarna moet ik wel even liggen voor ik nog wat in het huishouden of aan hobbyen kan doen. Meestal probeer ik wel te koken voor het gezin, omdat mijn man dan wel gewoon een lange werkdag heeft. Ik zie dat ik het extra plakje salami voor het koken hier vergeten ben, maar het koken vind ik toch wel een zware activiteit. Ook al hebben we een hoge stoel in de keuken staan, ik zit of sta er niet fijn.

Vrijdag

Ook op vrijdag weer een halve dag werken en dus zo’n beetje hetzelfde verhaal als donderdag. Op die halve werkdagen probeer ik vaak wel de fiets te pakken naar mijn werk. Het is maar een kwartiertje fietsen en zo pak ik toch weer wat beweging mee.

Zaterdag

Zaterdag is mijn ochtendje dansen bij Misiconi. Dat is nog best een lang stuk achter elkaar, ook al zit er een pauze tussen en kan ik fijn in mijn dansrolstoel blijven zitten. Eenmaal thuis ga ik dan ook weer even liggen, voordat ik weer wat actiefs ga doen. Als ik op een zaterdagavond uit ga of naar vriendinnen, dan plan ik een chill-middag in. En vaak ook een chill-zondag erachteraan.

Zondag

Zondagochtend ga ik altijd even een stukje fietsen. En dan niet in de relaxstand zoals wanneer ik naar mijn werk fiets, maar ik probeer er een beetje tempo in te houden. Op deze zondag was er niks bijzonders ingepland, maar we gaan ook regelmatig met het gezin de deur uit in de middag.

Elke zondagavond eten we macaroni bij mijn schoonfamilie. Wel relaxt dat we dan niet hoeven te koken! En gezellig natuurlijk, want mijn schoonzus, zwager en nichtjes zijn er dan ook.

Had jij al eerder van de salamitechniek gehoord? Is dit iets wat je goed kunt toepassen in je dagelijks leven?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

 

laptop agenda to doAls blogger worden artikelen vaak pas interessant als je de grens opzoekt tussen wat wel en niet kan. Taboes doorbreken doe je niet door binnen de lijntjes te kleuren. Maar aan de andere kant heb je wel een leven buiten het bloggen om rekening mee te houden.

Wat deel je over je gezin?

Onder de mamabloggers is er een beetje een tweedeling: sommigen schermen hun kinderen af door geen namen te gebruiken en ze niet herkenbaar op de foto te zetten, anderen vinden juist dat persoonlijk bloggen als mamablogger niet kan zonder wat te delen over je kinderen.

Blijkbaar is er ook een naam voor: sharenting. Je leest er meer over in de artikelen van Lotus Writings en Twijfelmoeder.

Nu ben ik zelf geen echte mamablogger, maar ik schrijf weleens over het moeder zijn. Mijn dochters zijn 10 en 13 jaar oud en zelf al aardig vaardig in het vinden van de weg op internet. Net als hun klasgenoten en vrienden. Om die reden deel ik vrij weinig persoonlijke dingen over ze. Het zou niet leuk zijn dat ze op school aangesproken worden door een klasgenootje over iets wat ik over hen op mijn blog heb geplaatst.

Als ik schrijf over het moederschap, probeer ik dat zoveel mogelijk vanuit mijn rol te beschrijven, zonder op de persoonlijke kenmerken van mijn kinderen in te gaan. Ok, het zijn twee meiden, de leeftijd heb ik ook al weggegeven en verder mag je best weten dat de jongste zeer waarschijnlijk net als ik EDS heeft.

Ik zal best weleens schrijven over onderwerpen waar ik tegenaan loop in de opvoeding of hun ontwikkeling. Maar dit maak ik dan wat algemener door het door te trekken naar wat ik vanuit de theorie hierover kan vertellen als pedagoog. Of door ervaringen van andere chronisch zieke moeders samen te beschrijven met die van mij.

Wat deel je over je werk?

In het onderwijs zit hier een dubbele laag in: er wordt van mij verwacht dat ik me op een bepaalde manier gedraag op het internet en daarnaast is het ook mijn taak om studenten hier les over te geven, hoe zij dat in de praktijk kunnen brengen.

De onderstaande Prezi is bijvoorbeeld een les die ik gegeven heb over ethiek en social media. Het leverde interessante discussies op en gelukkig was de conclusie dat de meeste studenten wel weten wat wel en niet hoort.

De vakbond CNV heeft een protocol met richtlijnen voor social media welke net zo goed toepasbaar is bij het bloggen.

Waar ik zelf bij het bloggen rekening mee houd:

  • Ik ben oprecht in wat ik schrijf. Als ik het niet zou zeggen tegen mijn collega, werkgever of studenten, zou ik het ook niet op mijn blog plaatsen. Daarbij ben ik me er ook bewust van dat alles te vinden is op internet.
  • Geschreven tekst komt soms anders over dan gesproken tekst. Alhoewel ik hier en daar best weleens sarcastisch kan zijn of iets met een knipoog bedoelen, probeer ik erop te letten dat mijn tekst niet kwetsend overkomt.
  • Ik ben geen voorstander van het romantiseren van het vak als docent, maar probeer wel een balans te laten zien in mijn artikelen: docent zijn heeft leuke en minder leuke kanten.
  • Wat ik schrijf, is vooral mijn interpretatie. Wanneer ik daarbij gebruik heb gemaakt van andere bronnen, benoem ik deze (met link).
  • Werkgever, collega’s en studenten noem ik niet bij naam, tenzij zij dit zelf willen.

Toch word ik weleens aangesproken door collega’s of ik niet te negatief ben over mijn werk. Bijvoorbeeld bij het artikel over mijn ‘rotbaan‘ of over de werkdruk. Persoonlijk vind ik dat ik hierbij niet een grens overschrijd. Ik schrijf vanuit mijn ervaring en leg niet de schuld bij mijn werkgever of iets dergelijks. Iedereen weet toch dat er een hoge werkdruk is in het onderwijs en dat er ook minder leuke kanten aan elke baan zitten? Waarom zou je alleen maar de positieve kanten mogen delen?

Wat deel je over je ziekte of beperking?

Ook hier is het soms lastig een balans te vinden in wat je deelt. Dit blog ben ik begonnen om meer bekendheid te geven aan EDS, wat het inhoudt om hiermee te leven. Vanzelfsprekend schrijf ik dan over de klachten die ik heb. Persoonlijk vind ik het lastiger te schrijven over de kwaaltjes die anderen niet zien. Wil ik wel dat anderen weten wat er zich allemaal in mijn lijf afspeelt? Of wil ik alleen datgene delen waarvan ik hoop dat anderen er rekening mee houden, zoals mijn verminderde mobiliteit?

Voor mij ligt de grens bij het tot in detail beschrijven van klachten. Ik ga hier niet mijn ontlasting of wonden beschrijven en er al helemaal geen foto’s van plaatsen. Dat is echt TMI (too much information, voor degenen die hier bij de chronisch ziekenbingo tegenaan liepen).

En dan heb ik nog een lichte allergie voor betutteling en mensen die in de slachtofferrol kruipen. Waarschijnlijk is dat tussen de regels door wel op mijn blog te lezen. En hoe rot ik me soms ook voel, ik waak ervoor om niet alleen maar negatief over te komen.

Tot slot probeer ik ook bij dit onderwerp rekening te houden met de lezers. Bijvoorbeeld mensen die zelf een chronische ziekte of beperking hebben, zij bevinden zich allemaal op een ander punt in hun acceptatieproces en interpreteren mijn stukken tekst vanuit hun eigen ervaringen. Of de mensen die dichtbij mij staan, ik zou niet willen dat ze zich onnodig zorgen om mij maken. Dus dan doseer ik datgene wat ik wil delen enigszins.

Conclusie: ik ben niet alleen maar mijn blog, er is nog veeeeeeeel meer Jacqueline in het echte leven. 😉

Maar ik hou wel van een uitdaging, het opzoeken van grenzen: waar zou jij graag een artikel over willen lezen wat bijna die grenzen overschrijdt?

lesgeven

Eerder schreef ik over mijn worsteling met werk die ik in 2017 zou voortzetten, mijn ‘rotbaan‘ en lijntjes die ik heb uitgeworpen op zoek naar alternatieven. Het lesgeven in het mbo wordt fysiek te zwaar voor me en er moet echt iets gaan veranderen. Inmiddels heb ik een aantal gesprekken gehad op het gebied van werk en EDS.

Sollicitatiegesprek

Ik werd getipt voor een leuke vacature bij een deeltijd lerarenopleiding. Spannend ook: wil ik wel mijn vaste baan opgeven? Zou de overstap van mbo naar hbo wel passen bij mij?

Via het mobiliteitscentrum van mijn huidige werkgever begreep ik dat detacheren heel goed mogelijk is en ik op die manier mijn vaste contract kon houden. Ideaal, leek me. En al zou het wel wat verder reizen zijn, omdat het om een deeltijdopleiding ging, zou ik buiten de spits kunnen reizen en dat maakt voor mij een enorm verschil.

In het gesprek werd ik nog enthousiaster: het team (de helft was bij het gesprek aanwezig), de werkzaamheden en de flexibiliteit spraken me erg aan. Daarnaast leek me de verhouding lesgeven en andere taken goed te doen.

Helaas ben ik het niet geworden, maar ik hou de vacatures in de gaten!

Intakegesprek revalidatiearts

In de eerste plaats wilde ik naar een revalidatiearts met ervaring met EDS om geadviseerd te worden in het lopen wat bij mij steeds meer achteruit gaat. Daarnaast ook wat betreft het slapen en mijn werk.

Het gesprek duurde een uur en daarin was vooral de revalidatiearts aan het woord. Hij wist precies te vertellen hoe mijn lijf werkt, of eigenlijk vaak niet werkt door EDS.

Eén van zijn opmerkingen die even nodig had om op me in te laten werken, was dat trainen weinig zin heeft. EDS zorgt voor kwetsbare pezen en aanhechtingen. Je kan dan wel je spieren gaan trainen, maar die spieren zitten vast aan die zwakke schakel en je kan maar zo hard trainen als je zwakste schakel.

Ook een revalidatietraject van een aantal weken of maanden was in zijn ogen weinig zinvol. Je leert een trucje aan, maar zodra het normale leven weer om de hoek komt kijken en het moeilijk wordt, val je weer terug in je oude gedrag. Als je al je hele leven op de verkeerde manier bezig bent, over je grenzen gaat, is dat niet zo snel opgelost. Hij vergeleek het met een draaicirkel van een olietanker, die kan ook niet zo snel van richting veranderen.

Ik moet dus een stap terug doen. Binnen de ‘mwoah’-grens blijven en vooral mijn bekken meer rust geven. Daar krijg ik nog een bekkenband voor, om te zien of dat ervoor zorgt dat ik het lopen en zitten (ook op mijn werk) weer wat beter vol kan houden.

Behalve de bekkenband hebben we nog geen concrete dingen afgesproken, ik moest het vooral maar even laten bezinken. Niet meteen het roer om, maar de tijd en ruimte nemen om die olietanker te laten draaien.

Gesprek directie

Naar aanleiding van een medewerkerstevredenheidsonderzoek was de directie bij ons team op bezoek geweest en daar had ik wat dingetjes aangegeven die maakten dat ik niet altijd tevreden ben over mijn huidige werksituatie. Daar wilden ze graag één op één verder over in gesprek.

En dat heb ik als een heel positief gesprek ervaren. Ik kon mijn verhaal kwijt, voelde me gehoord en begrepen. Ik verwacht niet dat er a la minute een oplossing is, dat er ineens een functie gecreëerd wordt die precies bij mijn kwaliteiten en beperkingen past. Maar ik vond het fijn dat er meegedacht werd en te horen dat mijn baas zich ook verantwoordelijk voelt om mij zo lang en zo goed mogelijk aan het werk te kunnen blijven houden.

Uitgeworpen lijntjes

Ik denk dat het goede stappen zijn geweest om deze gesprekken aan te gaan. Binnenkort zullen er nog een paar van dit soort gesprekken komen en dan is het maar afwachten wanneer één van de uitgeworpen lijntjes beet heeft.

Vooral van de revalidatiearts heb ik hoge verwachtingen. Van lotgenoten heb ik alleen nog maar positieve verhalen over deze arts gehoord. Mijn eerste indruk was ook dat het een betrokken arts is met veel kennis van EDS.

En vanuit de andere gesprekken heb ik opgestoken dat ik voorlopig nog geen afscheid wil nemen van het onderwijs. En eigenlijk ook niet van het mbo. Ik voel me hier thuis en gewaardeerd, weet dat ik hier nog genoeg kan betekenen voor zowel studenten als collega’s. Aan de andere kant sta ik open voor nieuwe uitdagingen, dus ik ben benieuwd wat er nog op mijn pad gaat komen.

rolstoel scooterNiet zeuren, maar aanpakken!‘ Dat was één van de reacties die ik kreeg op de column die ik voor de Supportbeurs schreef: niet gehandicapt genoeg. Daarnaast ook veel reacties hoe herkenbaar het was om tussen wal en schip te vallen als het gaat om hulpmiddelen en aanpassingen. Maar die ene reactie bleef toch goed hangen.

Ik weet dat ik ook weleens de minder leuke kanten belicht van het chronisch ziek zijn. Het zou gek zijn als het alleen maar positief zou zijn, want het leven met EDS is nu eenmaal niet alleen maar leuk. Maar toch hoop ik over te komen als iemand die ervoor gaat, die haar best doet om zoveel mogelijk zelf voor elkaar te krijgen.

Dat dat niet bij iedereen zo overkomt, kan ik prima mee leven. Zo nu en dan weer even aangescherpt worden door iemand die een mening over je heeft na één column te hebben gelezen, zet me weer even met beide benen op de grond. Zo slecht heb ik het ook helemaal niet.

Net zo erg als mijn studenten

Met mijn studenten hadden we het pas over klachten en hoe de school hiermee omgaat. Zij vonden bijvoorbeeld dat er teveel opdrachten gegeven werden. Daar hadden ze over geklaagd, maar ze hadden niet het idee dat er wat mee gedaan werd. Maar toen ik vroeg hoeveel tijd ze aan huiswerk kwijt waren en het grootste deel van de groep toegaf dat ze er maar tussen de 0 en 2 uur per week aan besteden, dacht ik ook: niet zeuren, maar aanpakken!

Ik heb dat niet letterlijk geroepen, maar ik heb wel een preek gegeven over dat ze wat meer moeite mogen doen voor hun opleiding. Ik heb dus zitten zeuren tegen ze.

Vorige week kwam niet alleen die column op de Supportbeurs online, maar schreef ik hier ook nog eens over die ‘rotbaan’ van mij. Twee van zulke artikelen in één week en dan ook nog een preek naar je studenten. Ja, dan ben je toch echt wel een zeur.

Afscheid nemen van je maren

Toen ik lang geleden het boek Leven met pijn doorworstelde, kwam ik de oefening afscheid nemen van je maren tegen. Je beschrijft dan wat je zou willen en wat je tegenhoudt. Door vervolgens in elke zin het woord ‘maar’ weg te strepen en er ‘en’ voor in de plaats te zetten, verandert de betekenis en ga je er anders over denken.

Om het even toe te passen op mijn klaagzang van vorige week:

  1. Ik zou graag een uitdagende, leuke baan willen hebben, maar en het lesgeven is fysiek te zwaar voor me geworden.
  2. Ik zou graag de tijd willen krijgen om mijn werk goed uit te kunnen voeren, maar en die tijd is er niet.
  3. Ik zou graag zekerheid willen hebben over aanpassingen in mijn functie, maar en ik ben op papier niet ziek of arbeidsbeperkt waardoor mijn werkgever niet verplicht is mijn functie aan te passen.
  4. Ik zou graag dichtbij willen parkeren als ik mijn rolstoel gebruik, maar en ik heb geen gehandicaptenparkeerkaart.
  5. Ik zou financieel graag wat makkelijker willen hebben, maar en ik krijg geen tegemoetkoming in de kosten van het chronisch ziek zijn.

Aanpakken!

Niet gaan wachten tot een ander het voor je doet, maar gewoon zelf je schouders eronder zetten. Schop onder je kont en gaan. Ik kan natuurlijk wel mooi schrijven over zelfredzaamheid en afscheid nemen van je maren, maar dan moet ik het zelf ook gaan doen.

Bij het afscheid nemen van je maren wil je er eigenlijk meteen het woord ‘dus’ achteraan plakken en een oplossing geven voor het probleem. Tenminste, dat effect heeft die oefening op mij.

  1. Dus ga ik op zoek naar alternatieven binnen het onderwijs.
  2. Dus moet ik leren loslaten en werk over te dragen.
  3. Dus ga ik met mijn leidinggevenden in gesprek over welke aanpassingen wèl mogelijk zijn.
  4. Dus neem ik mijn rolstoel mee op mijn scooter.
  5. Dus ga ik op zoek naar andere mogelijkheden tot extra inkomsten, zoals crowdfunding of misschien in de toekomst zelfs dit blog.

Wordt vervolgd dus…

lesgeven

Zo’n rotbaan waarbij je altijd maar klagende mensen voor je neus krijgt. Waarbij je meer taken krijgt dan uren om ze uit te kunnen voeren. Waar overwerken niet bestaat, maar het normaal is om op je vrije avonden of dagen met je werk bezig te zijn. Bah, je zal zo’n baan maar hebben! Of…

Moet je werk altijd maar leuk en uitdagend zijn?

Een tijdje geleden las ik een interview met een filmmaker met een Wajong-uitkering. En stiekem was ik een beetje jaloers. Met behoud van zijn uitkering (uiteraard wordt het wel verrekend) kan hij zijn droombaan waar maken, terwijl anderen genoegen moeten nemen met een rotbaan om rond te kunnen komen. Er staan genoeg dingen in het interview waar ik hem gelijk moet geven hoor, maar toch steekt het een beetje. Ik vind het niet eerlijk dat ik wel steeds maar weer moet inleveren.

Vervolgens las ik een artikel over hoogbegaafden die werkloos thuis zitten, omdat ze te weinig uitdaging hebben op het werk. En dan denk ik aan die onderwijsleider die ooit tegen me zei: ‘Als jij fulltime had kunnen werken, had je makkelijk ook onderwijsleider kunnen worden.’ En ik had het beter gedaan dan die persoon ook. Alleen, helaas pindakaas, als het je fysiek niet lukt om fulltime te kunnen werken, kun je fluiten naar dit soort functies. Maar om dan je baan op te geven, omdat het niet genoeg uitdaging geeft, dat begrijp ik niet zo goed. Of nou ja, ik snap dat je dan op zoek gaat naar iets anders. Maar voordat je iets anders hebt, zou ik niet zo snel mijn baan opgeven, ik zou er toch het beste van proberen te maken.

Is het echt zo erg om werk onder je niveau te doen? Ok, als het leidt tot een ‘bore-out‘, is dat erg vervelend. Maar voor elke rotbaan geldt: iemand moet het doen. Er zijn heus meer mensen die hun werk niet altijd met plezier doen. Maar er zullen minstens net zoveel mensen zijn die zouden willen dat ze die rotbaan hadden, maar werkloos of afgekeurd thuis zitten.

Mijn rotbaan

Meestal vind ik mijn werk erg leuk. Maar met vlagen irriteer ik me aan mijn werk en vraag ik me af of het de overbelasting van mijn lijf waard is. En op zo’n punt zit ik nu.

Sinds dit schooljaar ben ik minder les gaan geven en heb ik de taak van examenleider gekregen, in de hoop dat dat minder zwaar zou zijn voor mijn lijf. En in de meeste opzichten is het ook minder zwaar. Ik kan veel vanachter mijn laptop doen en de overstap van drie hele dagen naar twee hele en twee halve dagen is mij goed bevallen.

Maar het is echt stom, dat examenleider zijn. Om het even op te sommen:

  • Examens aanvragen, formulieren checken, cijfers invoeren… Het is gewoon saai werk.
  • Ik zie mijn collega’s minder, omdat ik in een apart hok zit.
  • Het werk is zo ontzettend veel in zo weinig tijd, dat ik toch fouten maak. En dat vind ik als perfectionist toch wel het vervelendste.
  • De verantwoordelijkheid weegt erg zwaar. Als ik iets niet goed doe, kan het ertoe leiden dat een student geen diploma haalt. Of als de onderwijsinspectie ziet dat iets niet in orde is, kan het ertoe leiden dat we die hele opleiding niet meer aan mogen bieden. Ook op andere locaties niet.
  • Het werk is nooit af, er blijft altijd wel iets liggen. Daar ga ik vervolgens thuis ook nog over zitten malen, wat mijn nachtrust geen goed doet.
  • Examenleider is een taak naast het lesgeven en studieloopbaanbegeleider zijn. Doordat er meer tijd gaat zitten in de examinering, kan ik niet de kwaliteit bieden in mijn lessen die ik zou willen.
  • Mensen zoeken me vooral op als ze ergens niet tevreden over zijn. En denken dat ik dat kan veranderen, wat niet altijd het geval is.
  • Ik moet mijn collega’s feedback geven als ze iets niet goed gedaan hebben. Niet tof om te moeten doen, kan ik je zeggen.
  • Slecht nieuws aan studenten moeten geven is trouwens ook niet tof.
  • En tot slot: ook al is deze taak fysiek minder zwaar dan lesgeven, ik ga nog steeds achteruit.

Wat is het alternatief?

Ik zou me ziek kunnen melden, daar heb ik genoeg aantoonbare redenen voor. Want welke malloot laat zich door een baan een rolstoel in jagen? En dan maar afwachten of ik daadwerkelijk afgekeurd wordt, zodat ik thuis kan zitten met een uitkering, of een aangepaste functie krijg. Of, wie weet kan ik ook wel filmmaker worden!

Nee, dat kan ik dus niet. Sowieso heb ik het talent niet om filmmaker te kunnen worden. Maar ik vind het daarnaast lastig om me ziek te melden terwijl ik weet dat ik wel de uren kan werken, maar alleen maar moeite heb met bepaalde taken.

Een andere optie is om intern of extern op zoek te gaan naar een andere functie.

Intern (of met name in de branche waar ik werk) vraag ik me af of die er is. Tot nu toe heb ik vooral het idee dat je als docent gewoon alles moet kunnen en het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Je specialiseren in een functie buiten het lesgeven, is maar voor weinig mensen weggelegd.

Extern op zoek gaan naar een andere functie vind ik best spannend. Want dat vaste contract wat ik nu heb en alles wat ik binnen mijn werk heb opgebouwd, durf ik toch niet zo goed achter me te laten. Om dan weer van voren af aan bij een andere organisatie te starten met de onzekerheid van een tijdelijk contract.

Ik gooi het bijltje er niet zomaar bij neer en heb inmiddels wat lijntjes uitgeworpen. Geen idee nog wat het gaat opleveren. Maar als het me wat gaat opleveren, zal ik daar vast wel wat van delen op mijn blog! En tot die tijd probeer ik maar die rotbaan te veranderen naar een leuke baan. Wie weet wil ik straks niet eens meer iets anders. 😉

30-Day-Blog-Challenge-NL-1

Ik denk dat dit wel weer de laatste is van de 30 Day Blog Challenge die ik van Hare Maristeit overgenomen heb. Of er moeten nog verzoekjes komen (mag je in de reacties hieronder achterlaten). Tot nu toe heb ik dag 1, 3, 5, 7, 11, 17, 21, 26 en 30 gehad. Vandaag komen dag 15 en 29 samen aan bod: wat ik vroeger wilde worden en mijn eerste baantje.

Wat ik vroeger wilde worden

Zo rond mijn veertiende had ik pas een idee van wat ik wilde worden. Daarvoor had ik vast ook wel dromen over een prinses of juf worden of zoiets, maar toen nog geen idee wat dat dan inhield. Maar ik was dus veertien, een tikkeltje eigenwijs en ik wist het zeker: ik wilde de jeugdhulpverlening in of het speciaal onderwijs.

Om dat te bereiken vond ik het niet zo nodig om vwo af te maken, want met een overgangsbewijs van 3 naar 4 vwo kon ik ook naar het mbo om Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) te doen. Als mijn ouders dat echt niet goed hadden gevonden, was plan B om naar de havo te gaan en daarna Sociaal Pedagogische Hulpverlening te doen. Maar ik weet niet eens of ik ze dat ooit verteld heb. Misschien lezen ze dit nu pas en hebben ze spijt dat ze mij naar het mbo hebben laten gaan, haha!

Tijdens die opleiding SPW viel de stage in het speciaal onderwijs me best tegen. Als onderwijsassistent was je echt maar assistent en ik voelde me er niet zo thuis. Mijn tweede stage in een woonvoorziening voor verstandelijk gehandicapten was een schot in de roos. Hier was ik wel echt op mijn plek en ik zag me dit wel tot mijn pensioen doen. Mijn rustige, geduldige karakter deed het goed bij deze doelgroep. De cliënten voelden zich op hun gemak bij mij en andersom net zo goed.

Mijn eerste (losse) baantjes

De krantenwijk die ik van mijn zus overnam en het af en toe rondbrengen van tijdschriften, zag ik niet echt als een baantje. Wel een extra zakcentje, maar die 8 gulden per week zette niet echt zoden aan de dijk. Folders leverden wel wat meer op, maar die zaten toen nog niet allemaal bij elkaar in een stuk plastic, die moest je zelf invouwen. Wat een rotklus was dat.

Ik denk dat ik me rond mijn zeventiende inschreef bij het uitzendbureau voor vakantiebaantjes. Zo heb ik een schoonmaakbaantje gehad, een keer gesurveilleerd bij examens in een sporthal en in een winkel geholpen met het opmaken van de balans.

Toen ik bezig was met mijn scriptie, had ik meer tijd over om te werken en werd ik vaker gevraagd door het uitzendbureau. Achter een rubberknipmachine, steeds tien stapeltjes van tien plakjes rubber in een doos. Gehoorbeschermers op tegen de herrie, de muziek stond zo hard dat je die nog hoorde boven de herrie van de machines en dan nog daar bovenuit gillen om een gesprek te voeren met je collega’s. Alhoewel het werk niet zo uitdagend was, heb ik daar een erg leuke tijd gehad.

sleutels eerste baantje

Grote sleutelbossen doen me altijd weer denken aan mijn eerste baantje, waarbij ik ook altijd met een grote bos rondliep, omdat alles op slot zat.

Mijn eerste vaste baan

Nog voor ik mijn diploma had, solliciteerde ik bij de organisatie waar ik mijn laatste stage had gelopen. Ik werd aangenomen als oproepkracht en na drie maanden werd dat omgezet naar een vast contract van 32 uur als flexwerker.

Ik kan me die eerste keren werken als oproepkracht nog goed herinneren. Ochtenddienst op een groep meervoudig complex gehandicapten. De nachtdienst had vlak daarvoor een cliënt een hoogopgaand klysma gegeven. Toen ik die wilde douchen en aankleden, zat de stront van z’n enkels tot z’n nek. En er was een cliënt met een glazen oog, ik had geen idee hoe ik dat moest doen. De collega’s op de groep ernaast zullen vast gebaald hebben van mij, want het lukte me echt niet om alles in mijn eentje te doen. Ik mocht ook zelfs nog geen medicijnen geven, want ik had mijn diploma nog niet.

Maar toen ik een vast contract kreeg, werd ik tijdelijk ingezet op een kindergroep, totaal iets anders. Het gebouw was erg verouderd (bestaat nu ook niet meer). De meeste kindergroepen waren al naar een andere locatie verhuisd. Behalve deze groep, die een beetje tussen wal en schip viel. De woongroep bevond zich aan het einde van een paar lege gangen. Hier waren er geen deurkrukken, maar vierkante gaten waarbij je een sleutel als deurkruk moest gebruiken. De kinderen hier hadden best pittige gedragsproblemen. Slaan, knijpen, haren trekken, schoppen en smijten was hier aan de orde van de dag. Het was maar een groepje van vijf, maar met mijn zeventien jaar en nog maar net klaar met mijn opleiding, was dit niet te doen. Er waren nog geen vaste krachten op de groep en ik maakte soms wel 48 uur per week.

Wat veel indruk op me heeft gemaakt, was een keer toen ik een jongen probeerde te kalmeren in een kamer. Ik mocht hem niet alleen laten, maar ondertussen schreeuwde hij van alles naar de kinderen op de gang: ‘Jacqueline wurgt me, ze maakt me dood, help me!’ Je kan je voorstellen dat de andere kinderen ook aardig door het lint gingen.

Of de keer dat een jongen met de achterkant van een lepel de deuren openmaakte en ik achter hem aan moest. In die achtervolging kwamen we zelfs op het dak van de woonvoorziening terecht. Uiteindelijk kreeg ik hem in de ernaast gelegen woonwijk te pakken.

Op een gegeven moment kreeg ik een alarm om mijn nek mee als ik daar werkte. Dat duurde soms wel even voor er iemand was. Soms had ik het dan al zelf opgelost, of ik had me opgesloten in het kantoor. Pas toen ik na drie maanden op die groep overspannen wegging, bedachten ze dat je beter met z’n tweeën op die groep kon staan.

En daarna…

Daarna heb ik op verschillende woonvoorzieningen en vormen van dagbesteding gewerkt, met cliënten van verschillend niveau en met verschillende problematiek. Waar ik me het beste thuis voelde, was bij cliënten die veel begeleiding en verzorging nodig hadden. Dan had ik echt het gevoel dat ik aan het werk was. Vaak konden ze niet praten en was het voor mij een uitdaging om te begrijpen wat ze bedoelden.

Maar werken met agressieve cliënten is iets wat ik nooit meer zou willen. Nu werk ik inmiddels niet meer in de gehandicaptenzorg, maar in het onderwijs. En gelukkig vallen mijn af en toe boze studenten in het niets bij de agressie die ik in de gehandicaptenzorg tegenkwam. Inmiddels is er in de gehandicaptenzorg ook van alles veranderd. Mijn werkgever van toen is inmiddels de best presterende werkgever in haar branche. Ik denk ook niet dat ze tegenwoordig zo’n jong meisje op een groep met gedragsproblemen zullen zetten.

Wat was jouw eerste baantje? Werk je nog steeds in dezelfde sector?

laptop agenda to doIn de 15 jaar dat ik in het onderwijs werk met pijnklachten door EDS, had ik me nog niet eerder hoeven ziekmelden vanwege de pijn. Tot dit schooljaar dus. Een nieuwe ervaring, waar ik vooral van geleerd heb wat ik beter wel en niet kan doen. Dat het vooral gaat om het aangeven van grenzen en het vinden van een balans om overbelasting te voorkomen, is geen verrassing. Maar met de piekbelasting die zo gewoon lijkt te zijn in het onderwijs, is het wel een flinke uitdaging.

Piekbelasting

In het mbo werk je niet met een standaard werkweek, we hebben een normjaartaak met een bepaald aantal uren die opgevuld worden met lessen, individuele gesprekken, stagebezoeken, nakijken van examens, teamtaken, scholing, enzovoort. Daardoor kan het zo zijn dat je de ene periode weinig bent ingeroosterd en de volgende weer wat meer. Of je kunt het 8 van de 10 weken in een periode rustig aan doen en die laatste twee weken is er ineens enorm veel nakijkwerk. Het hoort er een beetje bij, die piekbelasting.

Alleen dit schooljaar begon het meteen met zo’n enorme piek, dat ik me vlak voor de herfstvakantie al moest ziekmelden, omdat mijn lijf overbelast was. En dat terwijl ik juist vooraf met een ergotherapeut naar mijn werk en werkplek had gekeken wat er nog anders kon en er zelfs een trippelstoel voor me aangeschaft was.

Ziekmelden

Maar dat ziekmelden stelde achteraf gezien niet zoveel voor. Alhoewel de bedrijfsarts me liever voor 50% ziek wilde melden, koos ik zelf voor 25%. Maar nadat er 25% van mijn lessen en taken afgehaald was, lukte het me nog niet om drie dagen van 6 in plaats van 8 uur te maken. Toen we goed naar mijn uren keken, bleek dat ik er gewoon teveel had (dus niet zo gek dat mijn lijf overbelast was). Met dat kwart eraf, kwam ik pas aan mijn gewone aanstelling, dus er moest nog een kwart af. Voordat ik echt die dagen van 6 uur maakte, waren er weer wat weken voorbij.

Uiteindelijk heeft het wel wat geholpen. Na een half jaar met korte dagen, leek mijn lijf weer wat hersteld. Ik kon thuis weer fatsoenlijk functioneren na een werkdag, dus ik wilde langzaamaan opbouwen naar hele dagen. En dat is ingewikkeld in het onderwijs waar met periodes van 10 weken gewerkt wordt. Langzaamaan werd dus meteen met ingang van de nieuwe periode beter gemeld worden en ik kreeg er nog een leuke taak bij. Lastig om dan nog je grenzen aan te geven, want dan zou die leuke taak er natuurlijk als eerste af gaan.

Alles bij elkaar opgeteld, heb ik 860 uur gemaakt (op papier dan, sommige taken kosten meer tijd dan je ervoor krijgt) in plaats van de 917 die ik zou maken als ik niet ziek zou zijn geweest. Die periode van 25% ziekgemeld zijn, zou neerkomen op 127 uur minder op mijn jaartaak. Maar ik kan ook niet zeggen dat ik nu 70 overuren heb gemaakt, want ik kom niet over mijn jaartaak heen qua uren. Toch? Maar ik voel me wel een beetje genaaid zo…

Wat heb ik opgestoken van dit schooljaar?

Al stelde dat ziekmelden niet zoveel voor, ik heb er wel een hoop van opgestoken. Dus in dat opzicht is het niet voor niks geweest. Soms is het goed om in plaats van steeds maar weer aan te passen en door te gaan, even een pas op de plaats te nemen.

Dit is wat ik ervan opgestoken heb:

  • Van tevoren de uren checken en een goede verdeling maken over het schooljaar, niet pas als ik aan mijn lijf merk dat het niet klopt.
  • Voor een deel ziekmelden heeft niet zoveel zin als je vervolgens toch weer meer taken erbij krijgt. Mocht het ooit weer nodig zijn, dan zou ik me meteen voor 100% ziekmelden.
  • Zelf duidelijk grenzen aangeven, er is niemand anders die het ziet of voor mij doet.
  • Ik heb gemerkt dat het maar een dun lijntje is, wat werken scheidt van overbelasten. Bij de kleinste verandering merk ik het meteen aan mijn lijf. Bijvoorbeeld toen ik voor die nieuwe taak vaker mijn laptop mee moest nemen om op een andere locatie te werken, toen kreeg ik meteen last van mijn nek en schouders.
  • Aan de andere kant is mijn lijf nog steeds in staat om te herstellen door rust te nemen en dat is prettig om te weten.
  • Af en toe werk uit handen geven of laten liggen is oké. Normaal ben ik erg perfectionistisch, maar dit schooljaar heb ik bewust soms dingen laten liggen. Ik geloof niet dat mijn collega’s of studenten er veel last van ondervonden hebben dat ik niet overal aan toe ben gekomen.
  • Lesgeven vanuit een rolstoel werkt niet voor mij. Ik heb het geprobeerd, maar ik mis het overzicht over de klas en het kunnen rondlopen tussen de studenten als ze aan het werk zijn. Mijn rolstoel is ook niet gemaakt om hele dagen in te zitten, wat het vermoeiender en pijnlijker maakt dan het gebruiken van mijn trippelstoel.
  • Ik heb hele fijne collega’s die bereid zijn mij tegemoet te komen, zodat ik minder belastende taken kan doen. Om die nieuwe taak als examenleider te kunnen uitvoeren, ga ik volgend schooljaar minder lesgeven, wat mijn collega’s dan moeten opvangen. Super om te horen dat zij hier dan ook achter staan.

Heb jij je weleens ziek moeten melden vanwege pijnklachten? Hoe kun je dit volgens jou voorkomen?

toegankelijkheid dilemma

Nu ben ik al een flinke poos aan het puzzelen hoe ik mijn werk zo goed mogelijk kan indelen, zodat mijn lijf daar zo min mogelijk last van heeft, het blijft een lastig dilemma. Al tijdens mijn laatste revalidatie werd duidelijk dat het vooral mijn werk is waarin ik niet genoeg die salamitechniek kan toepassen, waarbij ik over mijn grenzen ga en zo alleen maar steeds meer mijn eigen lijf verziek. Afgelopen schooljaar ben ik een tijdje voor 25 procent ziekgemeld, ik werkte toen drie dagen van 6 uur. Maar dat was ontzettend lastig, er bleven taken liggen en vaak kwam ik toch weer over die 6 uur heen.

Dilemma: wil ik wel examenleider worden?

Voor het nieuwe schooljaar wil ik het (weer…) goed aan gaan pakken. Minder lesgeven en meer andere taken daaromheen op me nemen, waarbij ik zelf mijn tijd in kan delen. En nu komt er ook nog eens een functie vrij in ons team, namelijk die van examenleider. Alleen moet een examenleider wel minimaal over vier dagen verspreid werken, wat in mijn geval zou betekenen dat ik twee hele en twee halve dagen zou werken.

Het toeval wil dat ik op dit moment met mijn studenten ook bezig ben met dilemma’s. Daarbij gebruiken we onder andere het discussiespel ‘Keuzes en dilemma’s in het kinderdagverblijf’  van Movisie, waarbij je bij een dilemma de alternatieven naast elkaar zet en van beide de positieve en negatieve effecten belicht. In het negatieve blijven hangen leidt tot stagnatie, van beide polen het positieve benutten leidt tot groei.

Positieve en negatieve effecten

Dus dat is wat ik gedaan heb, ik heb alles eens op een rijtje gezet:

dilemma werk

Positieve polen benutten

En dan de volgende stap: de positieve polen benutten. Ik kan niet van allebei een beetje doen, het is of het één, of het ander. Maar ik kan wel bedenken onder welke condities de taak van examenleider ook op fysiek gebied wat voor me oplevert. Zo kwam ik op het volgende:

  • De woensdag vrijhouden, zodat ik dan ook dingen met de kinderen kan ondernemen.
  • De halve dagen van 8.00 – 12.30 uur werken, zodat ik een duidelijke grens heb en thuis kan lunchen.
  • Elke dag vaste uren voor examentaken.
  • Het examenhok ergonomisch inrichten.
  • Wat betreft de overige taken: liever geen stagebezoeken meer afnemen, maar wel graag onderwijs blijven ontwikkelen/schrijven.

Hiernaast heb ik mijn dilemma voorgelegd aan een paar goede vriendinnen, lotgenoten, collega’s en mijn man uiteraard. Allemaal kennen ze me goed, maar allemaal vanaf een andere kant, de adviezen die ik kreeg, waren dan ook heel wisselend. Wat in bijna alles terugkwam, is dat àls ik de taak van examenleider op me ga nemen, ik heel erg goed op mijn grenzen moet gaan letten. Nog meer dan ik nu doe. De briljante tip die ik daarvoor van mijn man kreeg, was om dan op die halve dagen gewoon geen brood of geld mee te nemen, zodat ik wel naar huis moet om te eten.

Na dit alles heb ik toch besloten om aan te geven dat ik de taak van examenleider wel op me wilde nemen. Vorige week hebben we dit in het team besproken en zij hebben ook positief gereageerd. Dus: ik ga het doen!

Hoe pak jij dilemma’s in je werk aan?
Denk je dat ik nog iets over het hoofd heb gezien en heb jij hier nog tips voor?

 

passend onderwijsNa wat ik eerder schreef over inclusiedans, lijkt dit misschien haaks te staan op mijn visie op inclusie en waarschijnlijk zal ik hiermee ook wel mensen tegen het zere been trappen. Maar dat passend onderwijs is toch wel erg lastig om in het mbo in de praktijk te brengen. Of laat ik dan in ieder geval spreken voor de opleidingen waar ik les aan geef: onderwijsassistent, medewerker maatschappelijke zorg en pedagogisch werk (OA, MMZ en PW).

Passend onderwijs, hoe het zou moeten

In 2014 is het passend onderwijs ingevoerd, ook in het mbo. Dat wil zeggen dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van passend onderwijs aan studenten met een ondersteuningsvraag (bijvoorbeeld met betrekking tot een handicap of chronische ziekte) en de ondersteuning te bieden die nodig is om tot een diploma te komen. Met de juiste vooropleiding en motivatie zou dan verder geen onderscheid tussen studenten hoeven zijn, door de passende begeleiding zouden studenten met een ondersteuningsvraag ook hun diploma kunnen halen.
En toch werkt het niet zo, tot teleurstelling van sommige studenten en ouders.

Wie ben ik om daarover iets te durven zeggen?

Voordat ik verder uitweid over wat ik er allemaal van vind, is het voor de mensen die mij niet persoonlijk kennen misschien handig om wat meer over mij te weten. Ik denk namelijk dat ik wel een beetje weet waar ik over praat.

Ooit ben ik zelf begonnen in het mbo, ik deed de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk en ging daarna aan de slag als begeleidster in de dagbesteding en woonvoorzieningen voor verstandelijk gehandicapten. Toen ik na een paar jaar door polsklachten geen rolstoelen meer mocht duwen, ben ik als onderwijsassistent gaan werken op een basisschool. In de avonduren ben ik verder gaan studeren, onder andere omdat ik met een andere opleiding weer meer kanten op kon. Ik heb pedagogiek gestudeerd, mijn tweedegraads lesbevoegdheid gehaald en uiteindelijk ook een master in leren en innoveren. Inmiddels werk ik 12 jaar als docent in het mbo, waarbij ik regelmatig contact heb met het werkveld. Daarnaast zijn mijn fysieke klachten (veroorzaakt door EDS) dusdanig verergerd, dat ik me in mijn werk behoorlijk beperkt voel en hier regelmatig mee worstel.

Het is geen eenzijdig verhaal wat ik wil vertellen, ik ken zowel de kant van het werkveld, de opleiding als de persoon met een beperking.

De beperkingen van het passend onderwijs in het mbo

Bij opleidingen OA, MMZ en PW worden studenten opgeleid om groepen kinderen en/of kwetsbare doelgroepen te begeleiden. Dat vraagt nogal wat van de student, niet alleen je toekomstige collega’s moeten op je kunnen bouwen, maar ook de doelgroep waar je mee werkt. Beperkingen op het fysieke en sociale vlak maken dat erg lastig. Als je ziek thuis blijft, schuift het werk niet op naar een volgende werkdag, de groep krijgt dan een andere (onbekende) begeleider, wat bij deze doelgroep voor onrust kan zorgen. En wat als je moeite hebt met het herkennen van non-verbaal gedrag, hoe kun je dan begrijpen wat een kind of cliënt wil zeggen als diegene niet kan praten? Of hoe kun je een oudere ondersteunen bij het lopen naar de dagbesteding, terwijl je zelf niet stabiel staat?

Het werken met mensen vraagt fysiek en mentaal veel van je en dat is wel iets wat je moet kunnen, dat geldt net zo goed voor iemand met als zonder beperking. Ik ben daar misschien wat streng in, maar ik leid mijn studenten niet voor spek en bonen op, ik leid ze op tot een beroepskracht en daar horen bepaalde verwachtingen bij.

Los van het beroep, maak ik me ook zorgen om de toekomst van de student.

Voor passend onderwijs is geen indicatie nodig, maar een ondersteuningsvraag. Dan kan het dus zo zijn dat er maar weinig over de beperkingen of diagnose van de student op papier staat. Er is vaker geen overdracht vanuit het voortgezet onderwijs dan wel en bij de intake zijn studenten niet verplicht hun beperkingen te melden. Studenten willen soms zo graag, dat ze iets verzwijgen uit angst afgewezen te worden. Met zo’n blanco start duurt het lang voordat alles in kaart is gebracht en ondersteuning op gang is gezet. Soms te laat, waardoor de student zonder diploma de school verlaat.

Maar ook als de ondersteuningsvraag vanaf het begin al helder is: Het wordt steeds lastiger om een Wajong uitkering te kunnen krijgen en het UWV ziet het bezitten van een mbo-diploma als de mogelijkheid om te kunnen werken. Hoe realistisch is dat als een student met veel ondersteuning, aanpassingen en begeleiding het uiteindelijk wel gelukt is om dat diploma te halen, maar dus eigenlijk niet kan functioneren naar wat er van de beroepskracht gevraagd wordt? Geen Wajong betekent ook dat je niet opgenomen wordt in het doelgroepenregister, dus werkgevers gaan dan niet zo snel moeite doen om de functie aan te passen.

Opleiden tot een uitkering met bijbehorende studieschuld die ze vervolgens niet meer kunnen aflossen… Nee, daar ben ik geen docent voor geworden.

Last, but not least wil ik ervoor waken dat studenten al op jonge leeftijd continu over hun grenzen moeten gaan om te kunnen functioneren als de rest en hiermee hun klachten verergeren. Als ik van tevoren had geweten dat ik EDS heb en het geen goed idee was om dan in de gehandicaptenzorg te gaan werken, had ik wel andere keuzes gemaakt. Wie weet was ik dan wel in staat om fulltime te werken en had ik die rolstoel niet nodig gehad. Misschien ook niet, het is de koe in z’n kont kijken, maar feit is wel dat mijn lijf door overbelasting flink achteruit is gegaan.

Wat is er dan wèl mogelijk in het mbo?

Natuurlijk is het niet aan mij om iedereen maar af te wijzen met een beperking en dat gebeurt ook echt niet. Bij de intake van een opleiding is het belangrijk dat de student aangeeft wat de beperkingen zijn, de intaker kan vervolgens uitleggen welke mogelijkheden er binnen de school zijn voor ondersteuning. Wij hebben bijvoorbeeld een zorgdocent in huis, die samen met de student een ondersteuningsplan opstelt en begeleiding biedt. Als het echt nodig is, is er ruimte om de opleiding te verlengen en/of afspraken te maken wat betreft het lesrooster en stagedagen. Als een student eenmaal begonnen is aan een opleiding, doen we er alles aan om diegene naar een diploma te helpen.

Maar beter zou zijn als een student van tevoren een bewuste keuze maakt en weet wat de opleiding inhoudt en het werk waarvoor wordt opgeleid. Als er een alternatief is wat beter aansluit bij de mogelijkheden, ga daar dan voor! Elke situatie en opleiding is anders. Als OA werk je onder verantwoordelijkheid van de leerkracht, zijn de kinderen aardig zelfstandig en zit er veel structuur in de dag. Het zou goed kunnen dat dit beter aansluit dan het werk van een PW’er, die zelfstandig een groep draait, waarbij veel prikkels zijn en het werk veel verzorgende taken heeft. Misschien is het een optie om een opleiding te kiezen die minder zwaar is en daarna door te stromen naar het hbo.
Wanneer Wajong eenmaal is toegekend, zijn er nog andere mogelijkheden. Raissa heeft zo al eerder geschreven over hoe zij het studeren met een functiebeperking aanpakt.

 

Hoe denk jij over passend onderwijs? Zou iedereen elke opleiding moeten kunnen volgen?