lesgeven onderwijsIn het dagelijks leven werk ik als docent in het mbo. Tegenwoordig sta ik dan wel niet meer zo heel veel voor de klas als examenleider, maar dat betekent niet dat ik minder betrokken ben bij het onderwijs.

Sommige artikelen binnen deze categorie zijn specifiek gericht op de opleidingen waar ik lesgeef, anderen wat breder gericht op mbo of onderwijs in het algemeen.

 

 

 

 

O4 workhopper rolstoel getest

Zo rond mei/juni staan de examens en de uitslagen van het voortgezet onderwijs in de spotlights. Bijna iedereen weet wel hoe spannend en stressvol die periode kan zijn, of het nu uit eigen ervaring is of die van je kinderen. Dat het in het mbo net wat anders loopt (maar niet altijd minder spannend of stressvol), daar heeft dan weer niet iedereen ervaring mee. En als ik vertel dat ik vooral als examenleider in het mbo werk, krijg ik vaak de vraag: ‘Wat doe je de rest van het jaar dan?’

Examens in het mbo

Nu ben ik dan weer iemand die (nog) geen ervaring heeft met examens in het voortgezet onderwijs, maar in het mbo heb ik er de afgelopen vijftien jaar wel wat van meegekregen.

In het team waar ik nu werk, hebben we de opleidingen Maatschappelijke Zorg, Pedagogisch Werk en Dienstverlening. Elke opleiding bestaat uit een basisdeel, profieldeel en keuzedelen. Zo heb je bijvoorbeeld bij Pedagogisch Werk de profielen Pedagogisch Medewerker Kinderopvang, Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker en Onderwijsassistent waar de student een keuze uit maakt. En al deze delen worden geëxamineerd verspreid over de hele opleidingsduur. Sommige keuzedelen al in het eerste jaar, maar het grootste gedeelte (bij Pedagogisch Werk in ieder geval) in het derde jaar.

Deze examens zijn altijd gelinkt aan de praktijk. Sommigen worden daar helemaal afgenomen en beoordeeld, anderen (deels) middels een verslag of gesprek.

Daarnaast zijn er de examens Nederlands, Engels en rekenen, ook weer met verschillende onderdelen en verschillend van niveau. Deze vinden bij onze opleidingen in het laatste jaar plaats, tenzij de student het al eerder aankan.

Plannen, aanvragen en verwerken van examens

Je kunt je wel voorstellen dat het best een kluif werk is om al die verschillende examens te stroomlijnen. Elk profiel heeft weer een eigen examengids met planningen die aangehouden moeten worden. Binnen die planningen regel ik beoordelaars en surveillanten en vul ik de planning wat concreter in. Voor het basis- en profieldeel hebben studenten een map, maar andere examens moet ik aanvragen per klas of zelfs op naam van de student.

En wanneer examens eenmaal beoordeeld zijn, check ik de formulieren, voer ik de cijfers in met de administratie en vul ik de examendossiers. Als eenmaal alle examens geweest zijn, bereid ik de examenvergadering voor en kunnen de studenten diplomeren.

Dit alles begint in september al en loopt het hele jaar door, met hier en daar een piek.

Eindeloos overleggen

Regelmatig bezoek ik een andere locatie om te overleggen met de examenleiders van de verschillende locaties. Of hebben we een vergadering met de examencommissie. En dan zit ik ook nog in een werkgroep die zich bezighoudt met de examinering. De laatste tijd zit ik wel één a twee keer per week bij een overleg op een andere locatie.

Door al die overleggen zitten we met z’n allen steeds meer op één lijn. We weten elkaar te vinden om elkaar te helpen en zetten de examinering stevig neer. En dat is goed, alleen niet zo goed voor mijn lijf. Het reizen (vaak in de spits, dus filerijden) en mijn rustmoment overslaan, maken toch dat ik weer veel last krijg van mijn heup/bekken. En er blijft niet veel van mijn werkdag (van maar zes uur) over na zo’n overleg, waardoor ik mijn collega’s minder zie.

Instructie geven aan studenten en collega’s

Dit is eigenlijk nog wel wat ik het leukste vind aan mijn werk als examenleider. Mijn stukje expertise delen met collega’s en studenten. Gedurende een schooljaar verandert er vaak nog weleens wat in de examinering, of is een klas toe aan een stap verder. Dan kom ik graag in de klassen langs om uitleg te geven.

Daarnaast heb ik me al eens verdiept in hoe we als docenten ervoor kunnen zorgen dat studenten zelf verantwoordelijkheid nemen over hun examens, in plaats van dat wij ze achter hun broek aan zitten. En daarna ben ik meer naar de docenten zelf gaan kijken, hoe patronen doorbroken konden worden om tot een meer eenduidige aanpak te komen.

De lessen die ik nu geef, zijn vooral gericht op het begeleiden bij de examens. Daarbij geef ik uitleg over hoe de verschillende examenonderdelen afgenomen worden en stuur ik waar nodig aan bij het plannen, wat de studenten grotendeels zelf moeten doen in de praktijk.

Examenleider… met vlagen een rotbaan

Ach ja, ik schreef het al eens eerder: soms heb ik echt een rotbaan. Dan baal ik ervan als iets niet gaat zoals zou moeten. Of dat collega’s en studenten me alleen maar weten te vinden als er iets te klagen valt. Deze en vorige week liepen er ook wat dingen niet zo soepel. Dan komt er zoveel verschillende informatie via verschillende kanalen, dat ik toch iets mis. Uiteindelijk komt het wel goed, helemaal met de hulp van collega’s. Maar ik kan daar dan toch wel even flink van balen.

En toch heeft het ook z’n leuke kanten. Als je bij het invoeren van cijfers ziet dat het einde in zicht is. Als verlengers toch ineens de smaak te pakken krijgen en als een speer aan het inhalen zijn. Als klassen vol interesse naar jouw verhaal luisteren. Als je van collega’s complimenten krijgt of als ze hulp aanbieden. Als alles op rolletjes loopt.

Volgend schooljaar gaat er weer van alles veranderen. In ons team, in de examenorganisatie. Dan zal ook mijn taak als examenleider weer totaal anders ingevuld gaan worden. Als ik de keuze zou hebben, zou ik voor minder reizen en meer contact met mijn directe collega’s en studenten gaan. Nu nog zien of dat gaat passen…

Pas geleden was ik op stagebezoek bij een kinderdagverblijf in Rotterdam. Terwijl ik wachtte in een kantoor, kwam er een medewerker in een rolstoel voorbij. We begroetten elkaar, allebei verrast om nog iemand in een rolstoel te zien. En hoe cool is dat, dacht ik. Die kinderen hier op het kinderdagverblijf groeien op met het beeld dat iemand in een rolstoel gewoon net als ieder ander hier kan werken. Zou zo mooi zijn als dat op meer plaatsen zo zou zijn. Gewoon mensen met en zonder (zichtbare) handicap die gewoon hun werk doen.

Het zou niet bijzonder moeten zijn, maar toch is dat het.

Als je de afleveringen van Rolstoel Roadmovie hebt gezien, zie je hierin ook de verschillen binnen Europa. In sommige landen (zoals Italië) is er geen speciaal onderwijs zoals wij dat kennen, maar gaan kinderen met een beperking gewoon naar dezelfde school. Weer een heel ander voorbeeld was een bedrijf in Spanje, waar het merendeel van de medewerkers een beperking had. Op zich fijn dat ze dat werk hebben, maar of er daar dan sprake is van een inclusieve samenleving…

Rollend rolmodel

Een rolmodel heeft een voorbeeldfunctie voor een bepaalde groep mensen. In bovenstaande voorbeelden zie ik de medewerker op het kinderdagverblijf als rolmodel. Maar ook Mari Sanders, die met zijn Rolstoel Roadmovie laat zien dat er nog veel drempels weg te nemen zijn. En daarnaast zelf een filmmaker is die in een rolstoel zit.

Het zou tof zijn als mensen met een beperking in diverse beroepsgroepen vertegenwoordigd zijn. Zodat ook kinderen en jongeren met een beperking een voorbeeld kunnen zien van wat zij in de toekomst kunnen doen.

Op het gebied van dans (en vooral inclusiedans) ben ik ook op zoek naar rolmodellen. Maar dat is nog lastig te vinden, dus tips zijn welkom! Niet alle dansstijlen spreken mij aan en bij de dansstijlen die me wel aanspreken, is het vaak een gespierde man die in de rolstoel danst. Iets wat ik nooit zal worden, gespierd of man.

Rolmodel of inspiration porn, waar ligt de grens?

In mijn ogen hoef je niet altijd extreem uit te blinken om een rolmodel te zijn. Complimenten geven omdat iemand iets goed kan, ook niks mis mee.

Maar waar ligt dan de grens tussen het waarderen van iemand als rolmodel en het misbruiken van die rol als inspiration porn, als kijkvermaak voor (met name) niet-gehandicapten? Ik vind dat nog best een lastige. Zeker op gebieden waar ik niet zoveel verstand van heb en dus al snel onder de indruk ben.

Op social media zie ik mensen verschillend reageren. De één vindt iemand prachtig zingen en geweldig dat hij met zijn beperkingen op tv komt, de ander irriteert zich aan het feit dat mensen al ‘aaaww’ roepen bij het zien van zijn geleidestok. Of de bewondering die uitgesproken wordt naar iemand die vol geduld iemand met autisme helpt, terwijl een ander vindt dat normaal gedrag als de ander respecteren niet zoveel bewondering verdient.

Die verschillen zijn niet één op één de verschillen tussen hoe mensen met of zonder handicap hiernaar kijken. Ook binnen deze groepen zijn er verschillen.

Aandacht en applaus mag, maar wel verdiend

Ik ben docent geworden omdat ik denk dat ik iets te delen heb waar anderen wat aan hebben. En dan heb ik het vooral over mijn vakgebied (pedagogiek). Ik ben niet vies van een beetje aandacht. Sterker nog: het lijkt me vrij zinloos als ik les sta te geven en niemand luistert naar me.

Maar ik hoef geen complimenten om het feit dat ik werk, ‘ook al zit ik in een rolstoel’.

Met het dansen net zo. Het geeft een kick als je de aandacht van het publiek weet vast te houden en applaus krijgt. Maar dan wel om het dansen, niet omdat ik toevallig in een rolstoel zit tijdens dat dansen.

En natuurlijk streelt het mijn ego als mijn blog en bijbehorende social media steeds meer groeien, maar dan wel graag om de inhoud. Toch krijgen de mooie plaatjes mèt rolstoel meer likes dan die zonder.

Dus als ik het voor mijzelf persoonlijk bekijk, dan denk ik dat de grens ligt tussen het bewonderen van de expertise van iemand (die toevallig gehandicapt is) en het bewonderen van iemand als gehandicapte, gewoon omdat ie gehandicapt is. In dat laatste geval zou je net zo goed iemands navel kunnen bewonderen, wat nergens op slaat en eigenlijk zelfs een beetje creepy is.

En waar ligt voor jou die grens?

Complimenten voor de bovenstaande foto’s mogen trouwens naar Bianca Toeps die mij zo mooi heeft weten vast te leggen. Complimenten voor de blauwe jurk mogen wel naar mij, want die heb ik zelf gemaakt, haha!

schoolboeken studerenHet zal je niet verbazen dat methodes, boeken, websites, enzovoort op het gebied van leren mij als docent interesseren. Zelf heb ik altijd wel gemakkelijk kunnen leren, maar voor de meeste van mijn studenten trekt de theorie ze meestal niet zo. Het is dan een uitdaging om ze toch aan het leren te krijgen. Toen ik een mooie website voorbij zag komen van Study Smart with Chris, was ik erg benieuwd of het wel echt zo mooi was als het eruit ziet.

Om meer te weten te komen over Study Smart, mocht ik Christiaan Henny interviewen.

Wie is Chris?

Christiaan Henny, heeft Study Smart with Chris opgezet vanuit zijn eigen ervaringen, waar hij tegenaan liep als student. Inmiddels is hij hier fulltime mee bezig en gaat hij (met zijn team) de hele wereld over. Zo zijn ze al in Denemarken en Aruba geweest en zijn ze nu in Noorwegen om workshops op scholen te geven.

Wat waren je problemen met leren? Hoe werd je hierin begeleid door de leerkrachten?

‘Op de basisschool en middelbare school zag ik door de bomen het bos niet meer, ik had geen overzicht over de stof. Huiswerk niet afmaken, omdat je geen planning maakt. Maar ook gewoon het leren. Dat je niet weet wat je moet doen, hoe je het aan moet pakken. Wat belangrijk is, wat niet. En als je wat ziet wat belangrijk is, hoe kun je dat dan dusdanig verwerken in aantekeningen dat je het ook onthoudt.

Ik geen begeleiding gekregen in hoe ik moest leren, ook op de basisschool niet. Ik heb 4 jaar gymnasium gedaan, uiteindelijk atheneum afgemaakt en voor elk vak kreeg ik bijles. In de bijles werd er stof behandeld. Het huiswerk doen onder begeleiding van iemand die het wel kan en dan hopen dat je aan het einde van het uur het zelf ook een beetje kan. Voor sommige (technische) vakken had ik op een gegeven moment aanleg, in het begin niet. En verder gewoon heel veel hulp, heel veel tijd erin stoppen en dan elke keer net over.

Echt technieken hoe beter te kunnen studeren kreeg ik pas in mijn derde jaar op de universiteit van een studiecoach. Uiteindelijk heb ik in vijf jaar mijn bachelor Technische bedrijfskunde gehaald, terwijl ik eerst praktisch twee jaar achter stond. Normaal doe je dit in drie jaar, ik heb er vijf jaar over gedaan.’

Wat miste je hierin op school?

‘Waar ik achter ben gekomen is dat leerkrachten als doel hebben zo snel mogelijk content over te dragen van zichzelf naar de student. Maar dat is natuurlijk maar een heel klein deel van het leerproces.

Je zit op school om twee dingen. Eén is om de stof te begrijpen. Als je medicijnen studeert, dan zul je die informatie moeten kennen. Twee is het hele proces doormaken om hoofd- en bijzaken te onderscheiden, om informatie slim te verwerken, om vragen te stellen over de stof, verdieping te zoeken. Dat zijn skills, vaardigheden en attitudes die je moet leren. Het is een proces waarvan ze willen dat je het doormaakt, maar je krijgt het niet voorgeschoteld.

Als je iets wil onthouden, dan zul je die informatie opnieuw zelf moeten creëren in je hoofd. Om het echt te laten plakken moet je het koppelen aan dingen die je al weet. En daar zijn docenten niet mee bezig. Die zijn bezig met de stof over te dragen in de vorm van taal of tekst, vervolgens een beetje oefeningen en dan is het klaar. Maar echt het proces hoe je een stuk stof moet lezen dat leer je niet.

Een goede lesopbouw geeft zo verschrikkelijk veel houvast. En dat doet bijna geen docent. Zoals aan het begin van de les zeggen: dit zijn de vier onderdelen die we vandaag gaan bespreken, aan het eind van de les wil ik dat jullie dit begrijpen, dat begrijpen en dat kunnen doen.’

Wat is Study Smart?

Het Study Smart pakket bestaat uit een studietool, video workshops, samenvattingen en een e-book ‘De kunst van effectief studeren’. Hiertoe heb je toegang voor €8,95 per maand.

Het gaat hierbij om het leren onthouden en begrijpen van lesstof. Het is bijvoorbeeld niet gericht op het zelf leren schrijven van stukken. Dat is een ander deel van het leerproces waar Study Smart zich niet mee bezighoudt.

Welke tips, technieken of (onderzoeks-)literatuur heb je verder uitgebouwd in Study Smart?

‘Op een gegeven moment heb ik alle boekwinkels leeg gekocht met allerlei boeken over effectief leren en studeren, leren leren, enzovoort. En toen kwam deze interface in me op, waar je het met elkaar kan combineren.

Contextual learning, self questioning, spaced repetition, dat is de basis. Goed begrijpen wat de opbouw van de stof is, dus de context, vanuit je samenvattingen vragen stellen en veel herhalen.

En dan heb ik er heel veel dingen aan gekoppeld, al dan niet wetenschappelijk. Bijvoorbeeld wanneer je een hoofdstuk begint te bestuderen, dat je nadenkt hoe de stof van toepassing is op je privéleven. Daardoor verbind je weer de stof met je eigen leven, komt er meer verbinding in je hersens, daardoor ga je het meer onthouden.

De kracht van dit systeem is dat er heel veel verschillende technieken gecombineerd zijn. Bijvoorbeeld mindmapping, bepaalde vormen van samen leren, alle herhaaltechnieken, dat zijn de essentiële dingen. Er zijn wel meer tools, maar in ons systeem staat altijd de inhoudsopgave centraal. Ook al heb je lessen of een college, dan heb je daar de structuuropbouw van en kun je per kopje de aantekeningen maken en die dan weer herhalen.’

Zijn de 350.000 samenvattingen op Study Smart aan bepaalde opleidingen of boeken gekoppeld? En door wie zijn deze gemaakt?

‘Het zijn er zoveel, omdat het juist zo breed is. Studenten uit alle hoeken en gaten van het onderwijssysteem gebruiken het. Zowel postdoctoraal als vmbo, alles.

Het zijn heel veel samenvattingen van boeken, maar ook van syllabi, series slides van colleges, artikelen, enzovoort.

Deze worden door de gebruikers gemaakt. Stel je vindt een artikel online over effectief studeren en gaat dat bestuderen met Study Smart, dan vul je de inhoudsopgave van het artikel eerst in. Dan ga je aantekeningen maken per kopje en samen is dat een samenvatting. En als iemand anders dat ook studeert, dan vult die dat weer aan. We hebben boeken, waar letterlijk honderden studenten in zitten, die allemaal een eigen deel van het boek hebben samengevat. De ene gebruikt meer, de ander wil ze juist zelf maken, je werkt samen.’

In dit filmpje is te zien hoe hiermee gewerkt wordt:

Voor wie is Study Smart?

Er worden veel partners genoemd op de website, waaronder ook universiteiten. Wat houdt dit partnerschap in?

‘Ze raden het aan, of ze gebruiken het in de klas, maar ze verplichten het niet. Juist ook omdat het systeem niet voor iedereen is. Het is voor mensen die moeite hebben met leren en beter willen. Dus ze kunnen het moeilijk verplichten voor iedereen. Het zijn voornamelijk partners die het structureel aanbevelen, die het op hun website hebben staan en die ons inhoudsopgaven sturen van hun studiemateriaal.’

Wat heeft een student nodig aan voorkennis om met StudySmart te werken? Zou het bijvoorbeeld ook voor vmbo/mbo te gebruiken zijn?

‘De kernmarkt voor StudySmart is wel hbo/wo, maar er zijn ook veel mbo-studenten die er gebruik van maken. Wel met name niveau 3 of 4 en vooral voor de leervakken.

Ze hoeven nul aan voorkennis te hebben. Het enige wat je echt moet hebben als je met dit systeem aan de slag gaat, is een wil om goed te leren.

Je gaat met het systeem aan de slag omdat je:

  • altijd vijven/zessen/zevens haalt, maar onzeker bent over je cijfers;
  • er gewoon van baalt dat als je twee uur achter je boeken zit, je doet ze dicht en denkt: wat zit er nou eigenlijk echt in mijn hoofd?
  • de dag na het studeren alles bent vergeten;
  • de stof vaak opnieuw moet bestuderen;
  • een heel onvoldaan gevoel hebt over je studie;
  • het wel kunt, maar het niet doet, puur omdat je niet op de goede manier studeert, maar het wel erg graag wil.

Als je gewoon een student bent die er tijd in stopt, die leert en je haalt altijd die zes of zeven en je bent er blij mee, dan ga je waarschijnlijk hier niet je tanden in zetten. Je moet het beter willen doen.’

En wat vind ik zelf nu eigenlijk van Study Smart with Chris?

Als docent zie ik de voordelen van wat Study Smart te bieden heeft, het zijn nuttige tools en technieken. Een nadeel is wellicht dat het zich beperkt tot het leren van stof, terwijl er zo ontzettend veel meer vaardigheden nodig zijn om goed te kunnen leren. Andere methodes zijn daarin wel completer, maar hebben dan bijvoorbeeld niet het mooie systeem met hoe er aan samenvattingen gewerkt wordt.

Het verbaasde me wel dat studievaardigheden als deze niet vanzelfsprekend een onderdeel zijn in het onderwijs. In het mbo heb ik die ervaring niet, hier is de structuur in de les en lesstof, variatie in werkvormen en het leren leren altijd een belangrijk onderdeel geweest in het overdragen van kennis.

Maar als ik het vergelijk met mijn dochter die inmiddels in 4vwo zit, dan zie ik daar wel verschillen in. Ze heeft op een Daltonbasisschool gezeten, waarbij er op zich wel aandacht was voor het samenwerken, leren plannen en dat soort vaardigheden. Maar qua leerstof ging het vaak maar om kleine hoeveelheden stof, die ze gemakkelijk in haar hoofd kreeg.

Bij de overstap van basisschool naar voortgezet onderwijs moeten ze veel grotere hoeveelheden leren en wordt er maar van uitgegaan dat ze dat kunnen, want ze doen vwo. In het voortgezet onderwijs heeft zij geen begeleiding gehad in hoe effectief te kunnen leren.

Hoe je leert mag dus best wat meer aandacht krijgen!

Dit artikel is tot stand gekomen door middel van een samenwerking.

bso tienermeiden

Vandaag is het Koningsdag. Dat heeft op zich niet zo heel veel te maken met het onderwerp waar ik over wil schrijven, maar het feit dat we hier een koningshuis hebben, geeft me wel de mogelijkheid om dat enorme contrast in kansen weer te geven. Want als je als prins of prinses wordt geboren, krijg je andere kansen voorgeschoteld. Niet dat ik zou willen ruilen of het ze niet gun, maar je kunt er niet omheen dat er een verschil is.

Straks zitten alle drie de prinsessen op het gymnasium. Met zo’n koninklijke achtergrond zal geen leerkracht eraan denken om ‘voor de zekerheid’ het advies wat lager in te zetten. Mocht het toch iets te hoog gegrepen zijn, dan laten de financiën van pa en ma het makkelijk toe om bijlessen in te zetten. En ook na hun gymnasium en verdere studieloopbaan hoeven ze zich geen zorgen te maken. Hun salaris of uitkering zal niet eens in de buurt komen van het minimumloon.

Hoe anders is dat als je wieg in Rotterdam Zuid stond, je bij je geboorte een kleurtje mee hebt gekregen, je ouders geen vet salaris of de juiste diploma’s hebben. Om maar een voorbeeld te noemen.

Nee, het is gewoon niet eerlijk verdeeld

Je kunt zeggen wat je wilt, vreselijk je best doen om alles zo eerlijk mogelijk te verdelen, maar er is gewoon sprake van kansenongelijkheid. Ook al ben jij niet degene die anderen achterstelt, het gebeurt, dat kun je niet ontkennen.

We hebben een enorm diverse samenleving. De vraag is vervolgens hoe je daarmee omgaat. Ik schreef al eens eerder over visies op diversiteit. En in mijn ogen is er niet één passende oplossing. Verschillende situaties vragen om verschillende oplossingen. Niet alles kan in wetgeving vastgelegd worden en soms werkt goedbedoelde wetgeving zelfs averechts.

Er is niet één handleiding die je overal bij kunt gebruiken. En dat betekent dus dat je veel vanuit je eigen boerenverstand moet bedenken. Maar daarbij helpt het wel om iets van verschillende oogpunten te bekijken en niet al teveel op je eigen aannames te vertrouwen.

De impact die je als docent hebt

Even voor mij als mbo-docent gezien, begint het bij de intake van een opleiding: wie wordt wel aangenomen en wie niet? En vervolgens: welke begeleiding krijg je van start tot diplomering? Als docent heb je zo ontzettend veel invloed op hoe iemands loopbaan vorm gegeven wordt.

Ik ben me er ook niet altijd bewust van wat ik voor impact heb op mijn studenten. Ik vraag regelmatig feedback, maar weet wel dat dan nog niet alles gezegd wordt. Soms hoor ik via een collega dat een student blij was met mijn steun in een gesprek. Of kom ik jaren later een oud-student tegen waar ik best wel eens mee in de clinch had gelegen en die dan pas vertelt hoe ze mijn lessen gewaardeerd heeft.

Daarom vind ik tweets als deze en de reacties erop zo verfrissend.

Het houdt een spiegel voor en zet je aan het nadenken. Heb ik niet weleens iemand een verkeerde kant opgestuurd op basis van mijn eigen aannames en vooroordelen? Ja, vast wel. Ik kan soms wat kritisch zijn als het gaat om passend onderwijs bijvoorbeeld. Ik wil mensen niet opleiden voor een uitkering, maar voor een beroep wat ze ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Aan de andere kant zie ik dat sommige studenten langer de tijd nodig hebben voor een opleiding dan er voor staat, om verschillende redenen. En ik ben er wel een voorstander van om die studenten dan die tijd te geven om eruit te kunnen halen wat erin zit.

Bewustwording is een eerste stap, maar wat dan?

Er wordt al heel veel gesproken en ondernomen om die kansenongelijkheid terug te dringen. Bij de laatste Meetup010 over kansengelijkheid kwamen daar verschillende voorbeelden van voorbij. Er zijn ontzettend veel projecten die allemaal op hun eigen manier kinderen en jongeren begeleiden om die kansen iets meer gelijk te trekken. Wat mij opviel bij drie verschillende projecten waar ik wat van heb gehoord, is dat ze vooral gericht zijn op het stellen van haalbare doelen en de kinderen/jongeren begeleiden in het behalen hiervan. Soms buiten de school, maar wel gericht op schoolse thema’s of de schoolloopbaan.

In eerste instantie dacht ik: is dat alles? Helpt dit wel? Maar ergens is het ook logisch dat het wèl zou werken. Als iemand continu kansen ontnomen worden, lijkt heel veel onhaalbaar. Juist door succeservaringen en het bereiken van doelen, kan dat voortgezet worden en worden kleine doelen grote doelen.

Onorthodoxe aanpak van het onderwijs

Maar dan nog moet er veel gebeuren willen we die kansenongelijkheid opheffen. Michelle van Dijk schreef eerder over een onorthodoxe aanpak van het onderwijs in Rotterdam, welke volgens haar nodig is om de achtergrond van een kind geen impact te laten hebben op het onderwijssucces. En ze zegt daar zeker wat nuttige dingen waar ik me ook in kan vinden. Zoals gewoon goed onderwijs, uitstel van de selectie vmbo/havo/vwo, een gratis alternatief voor schaduwonderwijs. Maar ook: Educate a parent, educate a child.

Dat is iets wat me bij al die verschillende projecten in Rotterdam Zuid ook opviel. Er wordt veel ingezet op rolmodellen, begeleiders, mentoren, anders dan de eigen ouder. Maar hoeveel mooier en effectiever zou het zijn als de ouders zelf een rolmodel en mentor kunnen zijn.

Nu weet ik dat ouderbetrokkenheid door onderwijsmensen niet altijd als prettig ervaren wordt, maar er kan nog zoveel meer uit gehaald worden. Als we eerst maar weer eens die vooroordelen over ouders los kunnen laten. En als school en schoolgebouw op alle manieren toegankelijk zijn voor de ouders.

Daarin zie ik wel een taak voor mij weggelegd in het opleiden van pedagogisch medewerkers en onderwijsassistenten. Als zij het belang inzien van gelijke kansen voor kinderen en wat zij hierin kunnen betekenen, kan dit zich als een olievlek verspreiden.

Heb jij altijd dezelfde kansen gehad in het onderwijs? Wat kan hier volgens jou nog aan verbeterd worden?

theorieën onderzoek boeken

Met mijn kleuterjufcollega’s zat ik begin deze eeuw (ja, echt zo lang geleden!) bij een cursus Voor- en Vroegschoolse Educatie. Eén van de cursusleidsters stelde zich voor, ze was net afgestudeerd en had in Egypte onderzoek gedaan en gewerkt met kinderen. Ja, ok, leuk voor je. En dan wil je ons vertellen hoe we hier in Rotterdam met kinderen met een taalachterstand om moeten gaan? Doe je best maar!

Dat werkte dus niet. Niet alleen ik, maar alle peuter- en kleuterjuffen konden haar niet serieus nemen. Ze werd al snel vervangen.

En toen ging ik zelf wat studies volgen: een beetje pabo, pedagogiek/onderwijskunde, tweedegraads lesbevoegdheid en een master in leren en innoveren. Ik zal er verder niet over opscheppen, maar ik heb best wel wat verstand van opvoeden, ontwikkelingspsychologie en onderwijs. En waar ik daarbij aanvankelijk nog vertrouwde op de theorieën die aan de hand van onderzoek ontwikkeld waren, werd ik later alleen maar kritischer op die theorieën.

Onderzoek is maar onderzoek

Wat ik vooral van mijn master leren en innoveren geleerd heb, is dat onderzoek op verschillende manieren te interpreteren is. Sowieso is het lastig om een goed betrouwbaar en representatief onderzoek neer te zetten. Ook als je netjes de richtlijnen volgt, zijn er tal van zaken die de uitkomst kunnen beïnvloeden, welke misschien niet in kaart zijn gebracht.

Als er dus uit een onderzoek op Antarctica blijkt dat langer dan tien minuten buiten spelen een negatief effect heeft op de leerresultaten van kinderen, hoef je niet meteen aan te nemen dat dat overal zo is. Je zou kunnen beginnen met wat kritischer te kijken naar hoe dat onderzoek is afgenomen: was dit in de zomer of winter, zijn de temperaturen te vergelijken met ons land? Worden de kinderen onder lestijd niet teveel afgeleid door pinguïns die langs het raam lopen? Werd er lesgegeven in de moedertaal van de kinderen? En hoeveel kinderen zijn er überhaupt op Antarctica waaronder dat onderzoek heeft kunnen plaatsvinden?

Nu zijn onderzoeksrapporten niet altijd gemakkelijk te lezen en wordt er veelal vertrouwd op hoe het vertaald is naar een pakkend krantenartikel of een boek wat voorschrijft hoe je het beste kunt handelen. En gooi wat van die boeken en artikelen in de mix en niemand heeft nog een idee waar het oorspronkelijk vandaan kwam. Netjes verwijzen volgens APA wordt ook niet overal gedaan. Ja, nee, die en die psycholoog zegt het ook. Dus dan zal het wel waar zijn.

Maar dat hoeft dus niet.

Mythes over leren en onderwijs

In het onderwijs kunnen we er ook wat van. Er zijn nog steeds zat boeken te vinden over hoe je je onderwijs kunt aanpassen aan verschillende leerstijlen. Want daar zouden leerlingen beter door kunnen leren. Alleen is dat nooit bewezen.

En de behoeftenpiramide van Maslow heeft Maslow zelf nooit als piramide bedacht. Dat je eerst je basisbehoeften op orde moet hebben om je bovenliggende behoeften te kunnen invullen, is er later maar bij bedacht. Eerst eten en je veilig voelen, dan kun je pas kun je een beetje sociaal gaan doen en daarna pas jezelf waarderen. Maar of dat ook echt zo werkt…

Of dat de effectiviteit van leren precies onder te verdelen is in percentages: door te lezen onthoud je 10%, audiovisueel 20% en uiteindelijk door het zelf aan een ander uit te leggen onthoud je 90%. Ook al niet waar.

Wat is dan nog wel waar?

In de boeken ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes’ en ‘Juffen zijn toffer dan meesters’ worden verschillende onderwijsmythes onder de loep genomen. Houdt je lekker kritisch.

Daarnaast vertrouw ik wel op John Hattie. Die man heeft zo ontiegelijk veel meta-onderzoeken naast elkaar gelegd, de overeenkomsten daaruit moeten toch wel een beetje kloppen. Ik heb zelf ‘Visible learning’ in mijn boekenkast staan, maar er zijn ook vertalingen en wat minder uitgebreide boeken hierover te vinden. Die zijn wellicht wat makkelijker te lezen.

Aan de andere kant zullen zijn conclusies misschien over een paar jaar ook alweer oud nieuws zijn. Zou zomaar kunnen.

Linkjes naar deze boeken:

Jouw theorie is jouw visie, niet de mijne

In mijn eerste revalidatietraject kreeg ik een psycholoog voor mijn neus die me wel even vertelde hoe ik mijn chronische pijn zelf in stand hield. Een mooi theorietje met plaatjes met pijltjes. Ik herkende me totaal niet in dat verhaal, voor mij had de pijn een functie. Pijn is in mijn geval een signaal dat ik over een grens gegaan ben en een stap terug moet doen. Pas een paar jaar daarna kreeg ik de bevestiging dat mijn pijn inderdaad niet de standaard chronische pijn is, maar veroorzaakt wordt door EDS en overbelasting.

En nu dacht ik van mezelf dat ik dus wel een aardig kritische blik had als het over theorieën ging. Maar van de week las ik ‘Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit‘ en dat was toch weer een eyeopener. Want als het om autisme gaat, heb ik mijn beeld daarvan ook aardig ingevuld met theorieën die door niet-autisten zijn beschreven. Mijn scriptie schreef ik ooit over autisme in het mbo en daar had ik flink wat boeken voor geraadpleegd. Onder andere over de Theory of Mind. Deze theorie gaat over dat je kunt bedenken wat een ander voelt of denkt en er wordt vervolgens gezegd dat iemand met autisme dit niet kan. Maar wie bepaalt welke interpretatie van andermans gedachten en gevoelens de juiste is? De persoon zonder autisme? Best arrogant als je het zo bekijkt. Want ook die interpretatie is vanuit een eigen referentiekader bedacht.

Dat kwartje viel bij mij dus pas bij het lezen van het boek van Bianca Toeps. Erg verhelderend om het eens van een ander oogpunt te zien. En eigenlijk voel ik me wel een beetje belachelijk dat ik dat niet eerder zo zag…

Weg met die theorieën en gewoon weer naar de persoon kijken

Alhoewel ik sommige theorieën best fijn vind om gedrag te verklaren, of om als leidraad te gebruiken, kan het ook best zonder. Of in ieder geval wat minder. Door alles wat psychologen of pedagogen zeggen maar voor waarheid aan te nemen, beperk je je enorm.

Sinds een aantal jaar geleden de kwalificatiestructuur van het mbo omgegooid is, wordt er minder geëxamineerd op theorie en meer op werkprocessen die beheerst moeten worden. Theorie is daar dan nog maar een klein onderdeel van en vaak slaagt een student ook zonder de theorie op te kunnen dreunen. Soms maak ik me daar weleens zorgen om: een pedagogisch medewerker moet toch weten wat kinderen op een bepaalde leeftijd op alle verschillende ontwikkelingsgebieden zouden moeten kunnen? Aan de andere kant leren ze dat ook door ervaring. Je hebt veel meer aan een pedagogisch medewerker met geweldige voelsprieten dan één met een geweldig geheugen.

En zo is het ook met lesgeven. Dat kun je niet altijd volgens het boekje doen, dat moet je vooral aanvoelen en daarop in kunnen spelen. Soms wat uitproberen en op je snufferd gaan, maar soms kom je zo ook op nieuwe aanpakken die perfect bij jouw groep passen.

Opvoeden van je eigen kinderen net zo: niet alles in de ontwikkeling is te voorspellen aan de hand van een boekje en niet alle kinderen zijn hetzelfde. Met een open blik zie je veel meer mogelijkheden.

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

conferenties toegankelijkheid

Dit is niet de eerste keer dat ik over dit onderwerp schrijf. In 2016 schreef ik al over de plus- en minpunten met betrekking tot rolstoelvriendelijkheid bij symposia en conferenties.

Je zou zeggen dat er in drie jaar tijd wel wat veranderd mag zijn. Met dat VN-verdrag dat in werking is gesteld en zelfs al geëvalueerd. Voor mij persoonlijk zijn er ook veranderingen geweest: ik heb mijn rolstoel nu meer nodig dan toen. Elke extra drempel irriteert me nog meer dan toen.

Is het nog wel de moeite waard? Waarom zou je nog naar conferenties willen?

Ik ben docent pedagogiek met een master in Leren & Innoveren. En ik ben niet zover gekomen om verder maar op de automatische piloot les te gaan geven. Ik wil geïnspireerd worden, nieuwe dingen leren, bij blijven met nieuwe ontwikkelingen.

Bijscholing is een belangrijk onderdeel van je vak als docent. Je wil je studenten niet iets leren wat tien jaar geleden relevant was, je wil ze leren wat nu relevant is, of in de toekomst. Daarnaast zijn conferenties, beurzen, symposia en congressen een mooie gelegenheid om te netwerken. Ook om zo samen het onderwijs sterker neer te zetten, maar ook om te zien of er ergens in het onderwijs een plek is waar ik nog beter op mijn plek zou zijn.

Dus ja, ik vind het zeker de moeite waard om dit soort bijeenkomsten te blijven bezoeken. Dat betekent vaak wel dat ik mijn werkdag of vrije dagen eromheen erop aan moet passen. Twee uurtjes langer werken en de dag erna nodig hebben om ervan bij te komen, vind ik nog te overzien voor een keer. Maar een werkdag van 8.00 tot 20.00 uur trek ik echt niet, dus dan zal ik daar nog meer aanpassingen in moeten maken.

Het effect van een ontoegankelijke conferentie

Als het jaren later nog steeds niet verbeterd is, heb ik misschien te weinig laten merken hoeveel last ik ervan heb als een conferentie niet toegankelijk is. Blijkbaar is dan het aangeven in een evaluatie of het doorgeven aan de organisatie niet genoeg.

Goed, hier dan een opsomming, misschien dat het zo iets duidelijker wordt:

  • Als ik na een lange autorit, inclusief file, bij binnenkomst welkom wordt geheten met: ‘Is dat blijvend?’ met een knik naar mijn rolstoel, dan komen er even geen pedagogisch verantwoorde woorden uit mijn mond. Nee, dat is geen fijne binnenkomer.
  • Als ik uit mijn rolstoel moet stappen om een drempel of trap te nemen om bij een workshop of lezing te komen, kost mij dat veel pijn en inspanning. De helft van de informatie gaat dan aan mij voorbij, omdat ik nog aan het bijkomen ben. Ik kan me niet focussen op waar ik voor gekomen ben.
  • Een andere route moeten nemen, of om een liftsleutel moeten vragen, kost tijd. Die tijd is al beperkt tussen het wisselen van workshops (die vaak ook al uitlopen). En het is gewoon niet tof om in een zaal vol mensen te laat binnen te komen.
  • Hoe behulpzaam anderen ook willen zijn, de meesten weten niet hoe ze een rolstoel moeten tillen. Afgelopen week heb ik daardoor mijn rolstoel moeten repareren tijdens een workshop. Een rolstoel repareren is niet iets wat mij makkelijk af gaat, ook dat kost mij veel pijn en inspanning.
  • Continu omhoog moeten kijken om met mensen in gesprek te gaan, wordt al snel vermoeiend. Net als het steeds maar moeten vragen of ik ergens langs mag. Niet alleen fysiek vermoeiend, maar het geeft me ook het gevoel alsof ik er niet bij hoor. Ik word niet gezien.
  • En ik waardeer de hulp van mijn collega’s echt heel erg, maar ik word daardoor wel in een rol geduwd die niet bij mij past. Ik wil zelfstandig kunnen gaan waar ik wil. Niet moeten vragen of iemand drinken voor me wil halen. Of een plekje aan een lage tafel bezet wil houden. Dat ik bof met collega’s die me zo fijn helpen, zou niet eens uitgesproken hoeven te worden. Maar dat wordt het wel, door mensen die mij niet kennen en mij zo nog meer in die afhankelijke rol duwen.

Al die pijn, vermoeidheid, te laat komen en niet gezien of juist als hulpbehoevend gezien worden, maakt dat ik echt strontchagrijnig word van zo’n conferentie. Terwijl de workshops en sprekers inhoudelijk misschien best interessant kunnen zijn.

Beste organisatie, aanpassen is echt niet zo moeilijk!

Ik zal heus niet vragen om alle oude, ontoegankelijke gebouwen plat te gooien. Als er voor die paar mensen zoveel sentimentele waarde aan hangt om per se op zo’n locatie een conferentie te organiseren, prima. Hier dan toch wat tips, die echt niet zo heel veel moeite of geld kosten:

  • Als je weet dat sommige zalen niet toegankelijk zijn voor mensen in een rolstoel of die slecht ter been zijn, neem dan zelf het initiatief om dat als opmerking aan te kunnen vinken op het inschrijfformulier. Dat ik te horen krijg dat ik dat zelf moet aangeven, zonder dat daar ruimte voor is op het inschrijfformulier, is natuurlijk een beetje de omgekeerde wereld. Had ik dat dan bij ‘dieetwensen’ aan moeten geven?
  • In het geval van liften (of invalidentoilet) die alleen met een sleutel werken: geef zo’n sleutel meteen bij de aanmeldbalie mee. Ik ben best bereid om iets als borg af te geven, veel liever dat dan om hulp moeten vragen. En ik denk dat ik niet de enige ben die daar zo over denkt.
  • Grote groepen mensen van eten en drinken moeten voorzien, is altijd lastig. Ik snap dat er in die gevallen (vrijwel altijd) voor een lopend buffet gekozen wordt. Maar als alleen al de drankjes op dienbladen rondgebracht worden, zou dat zoveel schelen. Ook voor mensen zonder beperkingen: hoef je niet twee keer in de rij te staan, of met een bord èn een glas door de mensenmassa te gaan. Maar ik heb ook bijeenkomsten meegemaakt waar zowel de hapjes als de drankjes rondgebracht werden, ideaal!
  • Ook de statafels snap ik, veel praktischer met grote groepen mensen. Maar let hierbij op de plaatsing van de tafels. Zorg voor genoeg ruimte tussen de tafels, zodat er nog steeds een looppad vrij is als er mensen om de tafels staan. En wissel statafels af met lage tafels met stoelen of losse banken. Stop de lage zitjes niet ver weg in een hoek. Alleen maar drie kwartier ouwehoeren bij je vaste statafel met je vaste clubje, levert niet bijzonder veel op. Als het doel netwerken is, zorg dan voor een opdracht waarbij mensen letterlijk in beweging komen en iedereen gezien wordt.
  • Zorg dat de medewerkers die daarover gaan goed op de hoogte zijn van waar te parkeren en wat praktische routes zijn. Dus ook waar de gehandicaptenparkeerplaatsen zich bevinden. Die zijn er niet voor niets en kunnen iemand een hoop moeite besparen.
  • Op een onderwijsgerelateerde bijeenkomst is iemands aandoening of beperking niet handig om in een openingszin op te nemen. Mocht het gesprek toevallig zo lopen, prima. Het hoeft ook weer geen taboe te zijn. Maar zonder verdere kennismaking daarmee binnen te willen vallen… Nee, doe maar niet.

Dit artikel dekt lang niet alles als het gaat om toegankelijkheid bij conferenties. Het is vooral beschreven vanuit mijn oogpunt als rolstoelgebruiker. Voel je dan ook vrij om aanvullingen (al dan niet in de vorm van linkjes) in de reacties achter te laten. En delen mag uiteraard ook! Wie weet kan ik dan over nog drie jaar een heel ander verhaal vertellen.

En aan de organisaties die nu vreselijk op hun teentjes getrapt zijn vanwege al mijn kritiek: wees maar niet bang, dit is vooral een samenvatting van meerdere bijeenkomsten. Er zijn maar weinig organisaties die het op alle punten verprutsen.

lopen wandelstokDe afgelopen weken/maanden is er hier en daar weleens een leerkracht in het nieuws geweest die wellicht niet zo gehandeld heeft als zou moeten. Afgelopen weekend kwam dit wel heel dichtbij en kwam de school van mijn dochter in de media voorbij. De bagger die die juf vervolgens over zich heen kreeg, echt niet normaal.

Vervolgens wordt opgeroepen dat leerkrachten neutraal moeten zijn in het lesgeven (en ook in alles wat ze daarbuiten doen of delen). Ja natuurlijk, maar leerkrachten zijn ook maar mensen!

Als ik voor elke fout zo afgestraft zou worden, zou ik allang niet meer in het onderwijs werken. En ik ga er nog steeds vanuit dat ik een prima docent ben.

Fouten maken mag

Als pedagoog en moeder ben ik van mening dat iedereen fouten mag maken, daar leer je van. Het gaat er vooral om hoe je er vervolgens mee omgaat. Gisteren werd me dat weer heel duidelijk toen allebei onze dochters een ‘blunder’ hadden gemaakt. De één vertelde er lachend over, zonder schaamte. De ander kroop weg en wilde er niet over praten. Ik heb haar verteld wat voor stomme dingen ik vroeger als kind weleens gedaan had, waar ik achteraf spijt van had. Vergeleken met mijn blunders viel die van haar in het niet, haha!

Als ik aan mijn kinderen en studenten wil laten zien dat zij fouten mogen maken, kan het niet anders dan daar zelf ook het goede voorbeeld in te geven. Niet om het expres te doen, maar vooral om te laten zien hoe je het daarna oplost. En dat je niet perfect hoeft te zijn, betekent nog niet dat je niet je best hoeft te doen, maar laten we vooral menselijk blijven.

Hier dan een paar van mijn blunders. Wel degene waar ik me niet (meer) voor schaam, er blijven altijd wel dingen die ik liever voor me houd.

In aanraking komen met de politie

Tja, wat kan ik erover zeggen… Ik was als kind altijd wel op straat te vinden, we haalden kattenkwaad uit en soms ging dat iets verder. De wijk waar ik opgroeide heb ik zelf niet als een achterstandswijk ervaren. Maar toen ik naar het voortgezet onderwijs ging, werd duidelijk dat er door anderen wel werd neergekeken op onze wijk. Ik werd al voor een junk en crimineel uitgemaakt, voordat er ook maar iets was voorgevallen. Ik voelde me meer thuis bij de hangjongeren op straat dan bij de kakkers op ‘t vwo. En ja, dan komt zo’n self-fulfilling prophecy toch uit.

Maar na één keer een cel van binnen bekeken te hebben, had ik mijn lesje wel geleerd. Verder ben ik uiteraard heel braaf gebleven, zeker in mijn volwassen leven.

Een cliënt bij de haren pakken

Ooit werkte ik al als begeleider in de gehandicaptenzorg. Bijscholing in hoe om te gaan met gedragsproblemen had ik niet gehad. Dus toen ik met een cliënt aan het worstelen was en zij hele plukken haar uit mijn hoofd trok, was het enige wat ik kon bedenken ook haar haar vast te pakken. Ik trok er niet aan, maar dreigde er wel mee: ‘Laat mijn haar los, anders trek ik aan jouw haar.’ Binnen drie maanden op die groep was ik overspannen, het paste totaal niet bij mij om met cliënten met gedragsproblemen te werken.

Later als vrijwilliger heb ik nog eens zo’n situatie gehad. We waren met z’n tweeën in de snoezelruimte en zij greep me uit het niets bij mijn keel. Ze kneep zo hard mijn luchtpijn dicht, dat ik niet om hulp kon roepen, er kwam gewoon geen geluid uit. Dus in een reflex pakte ik haar haar beet en keek ik haar dreigend aan. Dat was genoeg voor haar om los te laten, gelukkig.

Hartstikke onpedagogische handelingen natuurlijk. Maar op die momenten kon ik niet anders. En naar mijn studenten toe gebruik ik deze voorbeelden weleens om aan te geven hoe belangrijk bijscholing in het werkveld is en dat je niet alles op school zelf kunt leren.

Zelfbeheersing verliezen voor de klas

De laatste jaren kan ik het best hebben, dat bloed dat onder je nagels vandaan gehaald wordt door studenten die je op stang willen jagen. Maar in mijn beginjaren als docent had ik daar meer moeite mee. Ik kan me een student herinneren die me zo pissig maakte, dat we echt aan het bekvechten waren, tot ik jankend de klas uitliep. Dit was overigens een student die al snel met de opleiding stopte, omdat het zorgen voor een ander totaal niet bij haar persoonlijkheid paste. Maar de illusie dat je op sociale opleidingen alleen sociale studenten hebt… Nee, dat valt soms tegen.

Een andere keer dat de tranen over mijn wangen liepen, was een heel ander geval. Er had een student zelfmoord gepleegd en de klassen moesten daarvan op de hoogte worden gesteld. Ik dacht: dat doe ik wel even, maar eenmaal voor de klas werd het me toch teveel. Ik denk niet dat iemand me dat kwalijk heeft genomen, maar aan de andere kant had de klas ook niet zoveel aan mij op dat moment.

En jij, heb jij weleens fouten gemaakt? Of ben jij van mening dat alleen perfecte mensen voor de klas mogen en/of (andermans) kinderen mogen opvoeden?

plannen POPOei, ga ik nu echt vloeken in de kerk? Zo’n persoonlijk ontwikkelingsplan (oftewel POP) is toch gewoon nodig in het mbo om studenten zelf aan het leren te krijgen?

Ach tja… Het is mooi als het als een rode draad door de opleiding heen loopt en het studenten inzicht geeft in hoe ze zijn, wat ze kennen en kunnen en wat ze willen leren om zichzelf te verbeteren. Maar op een gegeven moment ben ik er wel klaar mee. Het moet geen doel op zich worden en sommige studenten komen echt niet verder door middel van zo’n POP.

Zo begeleid ik bijvoorbeeld een clubje studenten dat het niet heeft gered om binnen de tijd die ervoor stond hun diploma te halen. Ze hebben daardoor al een aangepast examenplan gekregen, veel van hen ook een verbeterplan. En toen kwam er een student met de vraag of ze ook nog een POP moest schrijven. Nee zeg, alsjeblieft niet! Moet ik dat ook weer na gaan kijken en van feedback voorzien, waar dan weer niks mee gedaan wordt, omdat de waarde ervan niet gezien wordt.

Geen POP, maar een schop kun je krijgen

Die studenten die er vijf, tien of twintig weken langer over doen om hun diploma te halen, zijn zich er heus wel van bewust dat er iets niet goed is gegaan in hun planning. Maar om daar dan weer een plan over te gaan schrijven, kost alleen maar tijd die ze beter kunnen gebruiken. En dan hebben ze meer aan een schop onder hun kont. Als je nu niet aan het werk gaat, heb je straks geen diploma! Hup, aan de slag.

Niet alleen studenten die verlengen trouwens. Ik ben van mening dat wanneer studenten in de examenfase zitten, je ze niet meer lastig moet vallen met een POP. Ze hebben genoeg geoefend en moeten zich vanaf dat moment gaan bewijzen. Examenopdrachten uitvoeren en inleveren, daar draait het dan om. En ik heb me meerdere keren verbaasd over studenten die pas bij de herkansingen de druk van de naderende eindstreep voelden en ook dan pas harder gingen lopen. Om vervolgens gewoon welverdiend dat diploma binnen te halen.

Plannen, plannen en nog eens plannen

Dat ik ze geen POP laat schrijven, betekent niet dat we geen doelen en plannen opstellen. Ik pak het alleen een beetje anders aan.

Op een grote flap heb ik de weken die ze nog hebben ingevuld en voor elke student daarin een dubbele rij: boven voor de planning, onder de evaluatie. In de eerste les had ik een voorbeeld laten zien waarbij ik op kleine post-its doelen had beschreven, gekoppeld aan een examenopdracht. Zoals het laten ondertekenen van het startbewijs (op basis van een oefenopdracht), feedback vragen op een opdracht en het inleveren van een examenopdracht. Die post-its had ik verspreid opgeplakt op de planning en studenten mochten dit vervolgens voor zichzelf gaan doen.

Voor een aantal was dit erg lastig, zij vonden de hoeveelheid te overweldigend. Met hen heb ik afgesproken om de paar weken de planning bij te werken. Anderen wisten precies al wat ze wanneer wilden doen en hadden de post-its niet nodig en konden het meteen op de planning zelf al invullen.

Het voordeel van de post-its is dat er nog geschoven kan worden als blijkt dat een week te vol komt te hangen. Aan de andere kant is het wel de bedoeling dat de planning op een gegeven moment vastgelegd wordt en de post-its vervangen worden door het op de flap zelf te schrijven.

En aan de slag ermee

Elke les gaan de studenten zelfstandig aan het werk volgens die planning. En dan is het nummertjes trekken wie het eerst bij mij langskomt om iets in te leveren of te laten zien. De les duurt drie lesuren, in totaal dus twee uur en een kwartier en er is geen moment dat ik niks te doen heb. Ik stel vragen, zet ze aan het denken, geef feedback en controleer of hun ingeleverde examenopdrachten en bijbehorende formulieren volledig ingevuld zijn.

Aan het eind van de les kijk ik per student wat ze van hun planning af kunnen strepen. Wat gedaan is, arceer ik met groen, niet gedaan met roze. Aanwezigheid in de les en op stage tellen daarbij ook elke keer weer mee. Als alles op groen staat, krijgen ze een stempel met een duim omhoog, zo niet, een duim omlaag. Het kost niet veel tijd om zo te evalueren, de studenten zien snel hoe ze bezig zijn, ook vergeleken met anderen. En de planning kan meteen bijgesteld worden voor de volgende week.

De foto hier bovenaan het artikel is van de eerste week. Inmiddels is de planning wat meer ingevuld en heb ik wat meer stempels uit kunnen delen. Nog vrij weinig duimen omhoog, maar groen krijgt steeds meer de overhand.

Is dit niet heel erg prestatiegericht?

Ja, dat klopt. En dat is nou net waar deze studenten staan in hun opleiding: het wordt echt tijd dat ze gaan presteren.

Daarbij moet je wel weten dat al die examenopdrachten natuurlijk veel meer inhouden dan alleen maar een verslagje inleveren. Het gaat erom dat ze een overdracht aan ouders kunnen geven, hun activiteiten aan kunnen passen aan de wensen en behoeften van de kinderen op de groep, zelfstandig een dagdeel kunnen draaien en nog veel meer. De beroepshouding zit hier doorheen gevlochten.

Ze lopen ook al ruim tweeënhalf jaar stage. Vaak gaat het in de praktijk dan prima, maar is het net dat stukje plannen en afronden van opdrachten waar ze wat hulp bij nodig hebben.

In mijn feedback op opdrachten geef ik aan wat nodig is om alle criteria minimaal te dekken en wat ze zouden kunnen toevoegen om tot meer verdieping (en dus een hogere score) te komen. Ja, dat klinkt ook heel prestatiegericht. Maar ondertussen kunnen ze zelf de inschatting maken of ze de tijd hebben om er meer uit te halen dan ze tot dan toe gedaan hadden.

Tot nu toe werkt dit voor zowel de studenten als voor mij prima. Of ze straks ook allemaal binnen de limiet hun diploma hebben gehaald, kan ik je in juli vertellen.

Hoe sta jij tegenover een POP? Heeft dit voor jou een meerwaarde? Of heb je ook een eigen manier gevonden om doelgericht bezig te zijn?

staking onderwijs

Van 11 tot en met 15 maart voert het hele onderwijs actie. Goed onderwijs is nodig en daar heb je leraren voor nodig, waar juist steeds meer een tekort aan is. De actieweek wordt afgesloten met een staking op 15 maart.

Ik zie de noodzaak om actie te voeren, maar twijfel nog wat ik hierin kan betekenen. Wel of niet staken…

Waarom wel staken?

Alleen over het waarom wel zou je al hele artikelen kunnen vullen. Frans Droog en Michelle van Dijk deden dit al. Zij noemen heel veel goede argumenten, dus zeker even doorklikken en hun stuk lezen!

Wat voor mij belangrijk is:

  • Het zijn niet alleen de leraren die er last van hebben, ook de leerlingen en hun ouders. Leerlingen missen lesstof door lesuitval en zijn daardoor misschien minder goed voorbereid op hun vervolgopleiding of toekomstige beroep. Ouders moeten opvang regelen als de school kinderen naar huis stuurt bij gebrek aan leraren.
  • Onderwijs is de basis van de samenleving. Als dat niet op orde is, brokkelt de rest ook af.  Wanneer leerlingen/studenten klaar zijn met school en het werkende leven in gaan, breidt het zich als een olievlek uit. Dan kun je niet de lat steeds lager leggen en die beginnende beroepsbeoefenaars met een halflege rugzak het werkveld insturen. Of wat ook wel gebeurt: de lat hoger leggen, maar dit niet faciliteren in het onderwijs.
  • Het lerarentekort en daarbij de hoge werkdruk zijn problemen die al zo lang spelen en nog is er geen oplossing voor. Het werken in het onderwijs moet aantrekkelijker gemaakt worden, zodat meer mensen hiervoor willen kiezen en ook willen en kunnen blijven werken. Lagere werkdruk, een passend salaris en carrièreperspectief.

Waarom niet staken?

  • CNV doet niet mee aan de staking. Mijn werkgever en de mbo-raad staan ook niet achter de staking. Zij zien een staking als een uiterste middel, wat nu niet het moment is, omdat ze nog in onderhandeling zijn over de cao. Vind ik op zich een logische verklaring.
  • Ik heb nog steeds een zure nasmaak van de NOT waar onderwijsmensen niet om wisten te gaan met het feit dat ik in een rolstoel zit. Wil ik dan in een nog grotere mensenmassa met diezelfde mensen rondlopen?
  • Ik ben nog steeds deels ziek gemeld, wel al aardig aan het opbouwen. Maar dat kleine beetje dat ik lesgeef, is precies die vrijdag wanneer er ook gestaakt wordt. En precies aan die ene groep waar ik zelf hoge eisen aan stel qua aanwezigheid. Het voelt dan niet fijn om zelf niet op te komen dagen bij die les.
  • Dat opbouwen wil ik graag doorzetten. Een uitstapje naar Malieveld is fysiek gezien zo zwaar voor mij, dat ik daar zeker twee weken van moet herstellen en even niet kan opbouwen. Dat is het me niet waard. En thuiszitten tijdens het staken? Daar wil ik nu juist van af, voor mij voelt dat niet als staken en kan ik dan net zo goed wèl mijn werk doen.

En ja, dat zijn best persoonlijke redenen om niet te gaan staken, terwijl ik de redenen om wel te staken wel veel breder kan trekken dan alleen mijn eigen hachje. Maar hoe meer ik in mijn werk beperkt wordt door EDS, hoe minder ik gezien word. Ik voel de solidariteit niet, die juist zo nodig is bij een staking als deze. Als ik dan toch niet gezien word, waarom zou ik er dan moeite in stoppen?

Dus, overtuig mij: waarom zou ik wel of niet gaan staken op 15 maart?

O4 workhopper rolstoel getest

Voor op mijn werk ben ik al een tijdje op zoek naar de ideale oplossing als het gaat om zitten en verplaatsen. De trippelrolstoel was het niet helemaal, ongeacht merk of ondergrond. Het blijft gewoon een te zware en te grote stoel om mee te trippelen en/of rollen. Even dacht ik dat ik me er maar bij neer moest leggen dat ik gewoon maar twee stoelen zou moeten aanvragen. Een trippelstoel waar ik echt goed in ondersteund word en een rolstoel die daarnaast op mijn werk kan blijven staan om me tussen de lokalen en kantoren te kunnen verplaatsen.

Maar ondertussen had ik ook nog steeds een oogje op de rolstoelen van O4. En na een bezoekje aan de showroom in Varsseveld mocht ik de Workhopper van O4 uitproberen op mijn werk.

Dit maakt de O4 Workhopper anders dan andere rolstoelen

De zitting en rugleuning zijn gemakkelijk anders in te stellen, zodat je je zithouding kan variëren. Voor mij in mijn werk betekent dit:

  • Net iets hoger zitten om iets uit de kast te pakken of om op het kopieerapparaat te kijken.
  • Bij overleggen, gesprekken of in de pauze de rugleuning iets naar achter zetten, zodat ik meer ontspannen kan zitten.
  • Door de voetplaat opzij te klappen, kan ik trippelen als ik mijn handen vol heb.
  • Achter mijn bureau kan ik variëren in zithouding door de rugleuning zo in te stellen als ik op dat moment prettig vind. Ik zit niet de hele werkdag in dezelfde houding.
  • De rugleuning loopt tot mijn schouderbladen en is daarmee hoger dan die van mijn andere rolstoelen. dat geeft net wat meer steun bij het lange zitten.
  • Vergeleken met de trippelrolstoelen is de O4 Workhopper veel lichter en minder breed. Vergeleken met een gewone rolstoel wel iets zwaarder, maar dat verschil merk ik niet met rollen.
  • Hij heeft een vast zitkussen wat echt heerlijk zit.

Wat mis ik nog aan de O4 Workhopper?

De rolstoel die ik nu geleend heb, is natuurlijk niet helemaal aan mijn behoeften aangepast. Zo vind ik ‘m eigenlijk net iets te hoog voor het trippelen. Ik kan daardoor niet zo goed met mijn voeten afzetten. En ik mis de wig in de zitting heel erg. De zitting van deze rolstoel kan vooral naar voren kantelen, maar dus niet naar achteren.

Ik zou ook wat meer ingeklemd willen zitten, dus wat hogere spatborden. En of de rugleuning mij wel voldoende steun geeft, ben ik nog niet over uit. Misschien dat ik dat minder nodig heb als de spatborden hoger zijn. Maar op dit moment heb ik nog steeds een pijnlijke onderrug als ik een ochtend gewerkt heb. Op zich heb ik dat met andere (rol-)stoelen ook wel, dus of het helemaal op te lossen is, weet ik niet.

Verder kan er wèl een hoop aangepast worden, zoals de zithoogte, wig, spatborden. En dan zou het alles bij elkaar een veel betere rolstoel zijn dan mijn huidige. Zonde eigenlijk om ‘m dan alleen op mijn werk te hebben staan!

Een laatste dingetje is wel dat ik tijdens het rollen niets kan meenemen. Op mijn schoot glijdt het eraf, tussen mijn knieën past niet zoveel en de rugleuning leent zich er niet voor om elke tas hieraan te hangen. Maar hier had ik zelf al snel een oplossing voor gevonden.

O4 workhopper rolstoel met zakje

DIY rolstoelzakje met behulp van Ikea

Toevallig was ik pas met man en kinderen in de Ikea en ging ik bij de opbergspullen eens op zoek naar iets wat dienst kon doen om mapjes en papierwerk in mee te nemen met mijn rolstoel. De schoenendozen daar leken me wel wat, maar deze waren helaas te smal om A4 in op te bergen. Bij het ophangbord Skadis en bijbehorende accessoires kwam ik een zakje tegen met een metalen rand. Dat leek me ook wel wat.

Eenmaal thuis ben ik in mijn kastjes gaan neuzen hoe ik het zakje aan mijn rolstoel kon hangen. En omdat mijn laatje met siernieten, drukknopen en nestelringen wel eens mag slinken qua voorraad, ben ik daarmee in de weer gegaan. Dus een keer zonder naaimachine!

Nu moet ik helaas straks weer de geleende O4 Workhopper inleveren, maar dat zakje kan ik ook makkelijk aan mijn eigen rolstoel hangen. Maar natuurlijk hoop ik dat ik over een tijdje een eigen Workhopper heb om ‘m aan te hangen.

Dit is geen gesponsord artikel, ook jij kunt een O4 rolstoel een week lang uitproberen! Niet alleen op je werk, maar ook thuis.