lesgeven onderwijsIn het dagelijks leven werk ik als docent in het mbo. Tegenwoordig sta ik dan wel niet meer zo heel veel voor de klas als examenleider, maar dat betekent niet dat ik minder betrokken ben bij het onderwijs.

Sommige artikelen binnen deze categorie zijn specifiek gericht op de opleidingen waar ik lesgeef, anderen wat breder gericht op mbo of onderwijs in het algemeen.

 

 

 

 

 

bordsessie O4 workhopper

Aan het begin van dit schooljaar schreef ik al dat ik er even in moest komen. Weer een nieuw ritme thuis en op mijn werk. En dan ben je ineens weer weken verder en staat de herfstvakantie weer voor de deur. Het voelt weer helemaal als vertrouwd.

Zo ziet mijn werkweek er nu uit

Op maandag heb ik geen lessen, maar besteed ik mijn tijd vooral aan examentaken. Dat is nu nog vrij rustig. De planningen zijn rond, de meeste examens al aangevraagd en op dit moment zijn het vooral de keuzedelen en wat herkansingen. Vanaf november gaat het al wat drukker worden, maar nu heb ik genoeg ruimte om alles goed voor te bereiden.

Dinsdag beginnen we met een bordsessie met het team en daarna overleg. Dan heb ik nog vier lesuur met de klas waar ik studieloopbaanbegeleider van ben en dan zit mijn werkdag er weer op. Die klas diplomeert in februari, dus het is vooral begeleiden bij de examens wat ik met ze doe.

Woensdag is mijn vrije dag. En het lukt me ook aardig om mijn werktelefoon uit te laten en niet in mijn werkmail te kijken. Meestal heb ik het druk genoeg met afspraken of dingen thuis die geregeld moeten worden.

Donderdag is eigenlijk de enige dag dat ik echt lesgeef, meer theorie dan begeleiding bedoel ik dan. En dan meteen aan twee klassen twee verschillende vakken tegelijk. Het zijn twee kleine klassen met in totaal nog steeds maar dertien studenten, dus gesplitst hou je amper nog wat over. Maar ingewikkeld is het wel, want de twee vakken lijken totaal niet op elkaar en ik ben dus continu aan het switchen.

Verder heb ik op donderdag ook tijd om aan mijn examentaken te werken en lessen voor te bereiden.

Op vrijdag heb ik weer geen lessen en ben ik vooral met examens bezig. Vaak komen studenten dan ook wat inleveren. Daarnaast heb ik dan de tijd om met stagebegeleiders te bellen of mailen. En afgelopen vrijdag hadden we voor het eerst ‘Onderwijs in de Praktijk’. Met de klas waar ik studieloopbaanbegeleider van ben, gingen we naar de stage van één van mijn studenten om daar aan leervragen te werken en intervisie te hebben. Het was even inkomen die eerste keer, maar het is de bedoeling dat we dat elke vijf weken doen en dan op verschillende stageadressen.

En niet te vergeten: ik heb mijn O4 Workhopper!

Het lijkt alweer zo lang geleden. In januari mocht ik een poosje een O4 Workhopper testen, een rolstoel die speciaal gemaakt is om op de werkplek fijn te kunnen zitten en voort te bewegen. Deze had ik in maart aangevraagd bij het UWV en in mei was me toegezegd dat ik ‘m zou krijgen. Nu had ik niet verwacht dat deze rolstoel er bij de start van het nieuwe schooljaar zou zijn, maar op een gegeven moment werd ik wel wat ongeduldig. En toen ik de leverancier belde en die geen idee had waar ik het over had, kreeg ik het wel even benauwd. Maar uiteindelijk kwam het toch goed en werd eind september mijn nieuwe O4 Workhopper geleverd.

En zo blij dat ik daarmee ben! Hij zit fantastisch en ik hoef nu niet meer elke keer over te stappen van stoel naar stoel. Mijn eigen rolstoel kan ik thuis laten, dat scheelt weer gesjouw in en uit de auto en kan ik ook gewoon kiezen hoe ik naar mijn werk wil. Alhoewel ik met dat herfstige weer toch meestal voor de auto kies. Van mijn auto loop ik met mijn wandelstok naar de docentenkamer (via de lift uiteraard), waar mijn rolstoel staat.

Het is wel even wennen dat deze rolstoel aan de voorkant breder is dan mijn andere rolstoelen. Ik bots regelmatig tegen stoelen en tafels aan. En met het rollen zitten de armleuningen wel iets in de weg, maar die zou ik toch niet willen missen als ik achter mijn bureau zit. Ik heb ze wel omgewisseld, zodat ze iets meer naar binnen uitsteken dan naar buiten. Dat scheelt ook al wat.

 

Dit bericht bekijken op Instagram

 

Een bericht gedeeld door Jacqueline (@jacqueline_salamistinkt) op

Verder weinig tijd voor bloggen en naaien, wel veel aan het dansen!

Met die weken die voorbij vliegen, merk ik dat ik niet zo heel erg veel aan bloggen toekom. En dat zie ik dan weer aan de cijfers, mijn blog wordt zo een stuk minder bezocht. Het naaien van leuke jurkjes ligt ook een beetje stil. Misschien moet ik gewoon weer eens tegen een tof patroon of stofje aanlopen, maar voor nu heb ik even wat minder inspiratie hiervoor.

Op zich valt de vermoeidheid na het werken wel mee. Meestal ga ik even een uurtje liggen en kan ik daarna weer een boodschapje doen of iets anders. Dus dat is niet zozeer de reden dat het bloggen en naaien op een laag pitje staat.

Wel ben ik wat meer dan normaal met dansen bezig. In november komen er een paar toffe events aan waar ik mag dansen en daar moet flink voor geoefend worden.

Dit zijn ze (en klik even door op de titel als je meer wil weten over de tickets, locatie, enzovoort):

10 november: Shimmy Shake Festival – Matinée Mash Up

Hier dans ik samen met Annelies Jansen (van She Beckons) een fusion buikdans duet. Voor het eerst dat we samen dansen en ook voor het eerst dat ik met mijn dansrolstoel een fusion buikdans duet doe.

Matinée Mash Up is een show met verschillende fusion buikdansacts en is een onderdeel van een heel tof festival met workshops en shows.

29 november: DanceAble #3 – afsluiting Symposium Step into the Future

Doel van dit symposium is kennisdeling en bewustwording van de mogelijkheden van mixed ability dance, zowel op artistiek als op sociaal gebied. En na een dag vol interessante lezingen en workshops laten we een trio zien met Misiconi Dance Company.

30 november: DanceAble #3 – IncLab Open stage

Hetzelfde duet met Annelies nog een keer, maar dan tussen allerlei dansgezelschappen die gericht zijn op inclusiedans. En waar Shimmy Shake juist gericht is op fusion buikdans en rolstoeldansers niet zo gewend is, verwacht ik dat ze bij dit open podium van DanceAble juist niet zo gewend zijn aan fusion buikdans. Dus leuk om die twee totaal verschillende kanten straks te kunnen meemaken!

Mocht je me gemist hebben de afgelopen weken, dan weet je me te vinden! 😉

ziek euthanasie kindereuthanasie

Een heftig onderwerp, maar zo nodig om besproken te worden: kindereuthanasie. Of eigenlijk is het actieve levensbeëindiging bij kinderen onder de twaalf jaar, die zelf niet in staat zijn hier een beslissing over te nemen. Mijn mening hierover is lang niet zo belangrijk als die van de ouders die zulke lastige dilemma’s in hun schoot geworpen krijgen. Maar het roept toch iets bij me op, wat ik graag wil delen.

Mocht je je er nog niet zo in verdiept hebben, kijk dan eens onderstaand filmpje en lees dit artikel: Donker – Anna is anders. Beiden laten zien wat een gemis het is dat er nu zo weinig over gesproken wordt en wat de alternatieven zijn voor kindereuthanasie. Laten lijden of laten versterven.

Zelf heb ik geen ervaring als ouder van een ernstig ziek of meervoudig beperkt kind. Maar als docent en ex-begeleider in de gehandicaptenzorg vind ik het belangrijk dat hun verhalen gedeeld worden, om zo meer inzicht te krijgen in hoe zij dit ervaren. Wat ik ook al eerder schreef over de documentaire ‘De wereld van Puck‘: als (beginnende) begeleider in de gehandicaptenzorg heb je niet altijd meteen hier inzicht in en/of begrip voor.

Henk ging dood en ik hielp daaraan mee

Rond de twintig was ik toen ik dacht mijn plek helemaal gevonden te hebben als begeleider van ernstig meervoudig gehandicapten. Eerst op woonvoorzieningen, waar ik cliënten zoals Anna, Bram, Nuria en Puck verzorgde en begeleidde in hun dagelijks leven. Zo ook Henk (niet zijn echte naam), een jongeman van mijn leeftijd. Hij had een vergroeid en verkrampt lijf, kon alleen vloeibaar eten met hulp en kreeg dagelijks darmspoelingen, omdat zijn darmen niet goed werkten. Zijn rolstoel kon hij niet zelf voortbewegen en om te communiceren kon hij alleen zijn eigen vorm van ‘ja’ en ‘nee’ gebruiken.

Als begeleider was ik gewend aan alle verzorging, dat hoorde er voor mij bij. Ik zag de lach op Henk’s gezicht als hij me binnen zag komen. Zijn stralende ogen als je zijn favoriete muziek opzette. Zijn humor in de gesprekken die we hadden. Maar zijn leed zag ik in eerste instantie niet, of te weinig in ieder geval.

De ouders van Henk waren al vanaf zijn geboorte bezig met zijn dood, hadden al zoveel angstige momenten meegemaakt. Zij zagen zijn lijden wèl, onder andere bij alle operaties die hij al had ondergaan. Dus toen hij voor de zoveelste keer een darmafsluiting had, werd besloten niet meer te behandelen. Geen operatie meer, geen ziekenhuis meer. Maar ook geen voeding meer, alleen maar pijnbestrijding.

Niet alle begeleiders hadden een verpleegkundige achtergrond (ik ook niet), dus we kregen een spoedcursus om hem pijnmedicatie te mogen toedienen. Zo kon Henk zijn laatste dagen op zijn eigen kamer doorbrengen, met vertrouwde gezichten om hem heen. Regelmatig stond ik met een collega aan zijn bed om samen het besluit te nemen dat het tijd was voor een extra dosis en dit samen toe te dienen. Henk sprak al snel helemaal niet meer. Zijn ogen straalden niet meer, hij draaide ze juist weg, alsof hij wist dat het klaar was en zich erbij neer had gelegd.

Wie bepaalt wanneer lijden teveel wordt? Of kindereuthanasie mag?

Jong en onervaren als ik was, was ik er wel even boos om dat Henk niet meer behandeld zou worden. Bij de crematie huilden wij als begeleiders het hardst en ik snapte niet waarom de ouders niet huilden. Maar door goede gesprekken met mijn collega’s kreeg ik er wel meer begrip voor. Henk’s ouders hadden al hun tranen al gehuild voor hem, in al die jaren daarvoor. Zijn overlijden gaf Henk rust en daarmee ook zijn ouders. Maar dat maakt hun verdriet niet minder.

En het eerste wat door mijn hoofd schiet als ik in het filmpje het verhaal van Nuria en Bram hoor, is: ‘Maar wie zegt dat ze lijden, wie zegt dat ze niet gelukkig zijn op hun eigen manier? Zelf kunnen ze het niet zeggen!’ Tegelijkertijd besef ik dat dit mijn eigen, egoïstische kijk erop is. Dat ik ontzettend blij werd van mijn werk als begeleider bij ernstig meervoudig gehandicapten, wil nog niet zeggen dat zij dat ook waren. En stel, al heb ik ze een klein beetje gelukkig gemaakt in dat kleine stukje van hun leven dat ik met ze deelde, dan nog heb ik geen compleet zicht gehad op hoe het ze daarbuiten vergaan is.

Maar hoeveel leed had Henk bespaard kunnen blijven als er wel een mogelijkheid was geweest om op een respectvolle manier zijn leven te beëindigen, al op jongere leeftijd? Wat voor meerwaarde heeft het om langer te leven, maar daarbij alsmaar heftige behandelingen en operaties aan te moeten gaan, die alleen maar meer pijn opleveren?

Als er al iemand is die antwoord kan geven op zulke vragen, in een situatie waarin het kind het zelf niet aan kan geven, dan zijn het toch wel de ouders. En daarbij is het zo ontzettend belangrijk dat het bespreekbaar is met artsen, behandelaars, begeleiders, enzovoort. Ik snap dat wetgeving rondom zo’n heftig onderwerp niet zo snel veranderd is. Maar meteen al roepen dat er geen ruimte is om een grens te verleggen als het gaat om kindereuthanasie, daarmee verlicht je het lijden echt niet. Daarmee snoer je ouders de mond, die juist zo nodig gehoord moeten worden.

Nee Kees, hier help je niemand mee. Luister op zijn minst eens echt naar de ouders.

masterclass geluk guido weijers jaaropening start schooljaar

Als laatste regio van Nederland, zijn ook wij deze week weer begonnen met school. Voor ons gezin is dat voor het eerst dat beide meiden op het voortgezet onderwijs zitten. Een hele verandering dus. Voor mezelf verwacht ik ook dat dit een totaal ander schooljaar dan vorig schooljaar wordt. Met de veranderingen in het team en daarbij ga ik weer meer lesgeven.

Laatste vakantiedagen Start met studiedagen

Waar de studenten vorige week nog lekker vrij waren, waren er voor de docenten al twee studiedagen ingepland.

De eerste was met het hele college, dus een stuk of vijf teams. Meteen een lange zit, van 8.30 tot 16.00 uur, terwijl mijn werkdagen eigenlijk niet meer dan zes uur moeten zijn. Er waren verschillende workshoprondes en ik twijfelde nog even om de eerste workshopronde over te slaan. Maar ik dacht: laat ik me die eerste dag even van mijn goede kant zien en gewoon het hele programma volgen.

De studiedag was niet op mijn werklocatie of de hoofdlocatie, dus toen we naar de workshops gingen, moest ik even vragen waar de lift was. Die was er dus niet. Vrijwel alle workshops werden op de eerste verdieping gegeven, maar er was geen lift in het gebouw. Ik kon wel janken, voelde me totaal niet welkom.

De workshops die ik wilde volgen, werden vervolgens wel meteen naar een lokaal op de begane grond verplaatst. En om de haverklap kwam er iemand sorry zeggen. Ik heb er niet zo netjes op gereageerd, kon er ook geen fatsoenlijkere woorden voor bedenken dan dat het gewoon kut geregeld was. Ze weten dat ik gebruik maak van een rolstoel en we hebben meer dan genoeg locaties die wèl rolstoeltoegankelijk zijn. Waarom dan toch voor deze locatie gekozen is, geen idee.

Voor de tweede studiedag met ons eigen team was ik even bang dat ik weer vergeten was toen ik zag dat we naar het strand zouden gaan. Maar alles was georganiseerd op het terras en de verharde paden, dus dat was helemaal top. Ook een hele fijne eerste studiedag zo met het team, veel beter dan binnen zitten vergaderen.

Feestelijke start

Afgelopen vrijdagavond vierde ik mijn veertigste verjaardag. Als dat geen leuke start van het schooljaar is! En hoewel ik normaal niet echt wat bijzonders doe met mijn verjaardag, had ik deze keer wel echt uitgepakt. Ik had een muziekcafé in de buurt afgehuurd en coverband Square geboekt. En behalve mijn vaste groepje vrienden en familie, had ik ook wat buren en collega’s uitgenodigd. Zij zorgen ervoor dat ik me thuis voel zodra ik de straat inrijd. Of dat ik mijn werk kan blijven doen en me nuttig kan maken. En daar wilde ik ze met dit feestje ook voor bedanken.

Ergens vond ik het ook wel spannend met zoveel mensen die ik had uitgenodigd. Zouden ze wel op komen dagen? Vinden ze het wel gezellig met elkaar? Maar tijdens het feest zelf kon ik dat op een gegeven moment wel loslaten. Het was supergezellig, de band was echt heel tof en ik ben veel te veel verwend met leuke cadeaus. Ook zo mooi om te zien hoe onze kinderen en neefjes en nichtjes zich vermaakten. Een nieuwe generatie die (letterlijk) de dansvloer overneemt. En deze ouwe veertiger ging bij thuiskomst meteen naar bed, haha!

Jaaropening in het Nieuwe Luxor

Aan de start van elk schooljaar worden mijn tweeduizend collega’s en ik verwacht in het Nieuwe Luxor in Rotterdam, waar een mooi programma voor ons klaarstaat. Zo ook afgelopen maandag.

Met muziek van Shirma Rouse, wethouder Said Kasmi die twee mbo’ers interviewde, minister Hugo de Jong met een praatje, nog een woord van de voorzitter van het college van bestuur en tot slot een masterclass geluk van Guido Weijers. Ja ja, de baas had weer flink uitgepakt.

En het was ook echt een mooi programma, mooi en grappig om naar te luisteren. Het enige waar ik een beetje moe van word, is dat er meerdere keren benoemd werd dat er neergekeken wordt op het mbo. Ten eerste zit de zaal vol met mensen die graag mbo’ers opleiden, een beetje preaching to the choir dus. Dat er fantastische mensen een mbo-opleiding volgen of in het werkveld rondlopen, hoef je ons niet te vertellen. En ten tweede is het voor de mbo’ers in de zaal niet tof om te horen dat er blijkbaar mensen zijn die mbo minder waard vinden. Als het dan nodig is om het mbo te verdedigen, doe dat dan op je feestjes en partijen waar alleen maar hoogopgeleiden rondlopen die geen flauw idee hebben dat er meer buiten hun bubbel is.

Nieuwe roosters, nieuwe ritmes

En dan gaan we nu echt beginnen met het nieuwe schooljaar. Met daarbij een nieuw rooster en een nieuw ritme om weer in te komen. Voor mij is het anders dan vorig jaar, omdat ik weer meer les ga geven. Dat zal wel weer even wennen zijn. De lesstof die ik moet overdragen weer opfrissen. Ontdekken welke aanpak en werkvormen het beste aansluiten bij de klassen die ik krijg. En niet te vergeten: het smartbord onder de knie krijgen. Eigenlijk heb ik geen theorieles meer gegeven sinds deze vernieuwd zijn. Dus daar zal ik wel even mee moeten oefenen voor ik mezelf voor een hele klas voor schut zet.

Thuis gaat er ook een nieuw ritme komen nu ook mijn jongste dochter naar het voortgezet onderwijs gaat. Dat voelt echt als een nieuwe fase. Helemaal van die basisschool af en ik zal het niet missen. En meteen al volgende week op kamp. Dan al dat huiswerk en ook nog in het Engels, want ze doet net als haar zus tweetalig onderwijs. Ook een pittige start, maar ik heb er alle vertrouwen in dat dat goedkomt. Die oudste van mij redt het inmiddels ook prima en start deze week in 5vwo.

Al met al kan ik wel zeggen dat ik gelukkig ben met hoe ik erbij zit deze start van het schooljaar. Ik heb er zin in en kijk ernaar uit om me weer op andere gebieden nuttig te maken dan alleen maar de examens. Daarnaast ben ik een trotse moeder met die twee tienermeiden die lekker hun eigen gang gaan op school en daarbuiten.

Om aan te sluiten bij de quote uit Guido’s masterclass:

Wat wil jij het komende schooljaar nalaten?

Dat was het dan alweer. Het schooljaar zit er weer op na deze week. Gisteravond was de diplomering, de lessen zijn al gestopt en het is alleen nog even opruimen en hier en daar wat voorbereiden voor volgend schooljaar.

En het verbaast me nog steeds hoe anders ik erbij zit ten opzichte van vorig jaar.

Lees maar eens het artikel wat ik een jaar geleden aan het einde van het schooljaar schreef: Wat als het werken straks echt niet meer gaat?

Ik werk weer mijn volle aanstelling en dat gaat goed!

Ja, dat mag best met grote letters gezegd worden. Dit schooljaar heb ik keihard mijn best gedaan om binnen mijn grenzen weer langzaamaan op te bouwen. Dat me dat is gelukt, is ook te danken aan mijn onderwijsleider en team. Sowieso dat ik de ruimte kreeg om meer taak- dan lesuren op mijn jaartaak te hebben. Maar ook het begrip wanneer ik me afmeldde voor activiteiten laat op de dag of in het weekend.

Om tussendoor op mijn werk te kunnen rusten, heb ik een stretcher in mijn kantoortje staan en is er een slot op de deur gemaakt wat ik van binnenuit op slot kan draaien. Ik moet zeggen dat ik hier steeds minder gebruik van maak, maar dat de optie er is, is al fijn!

En mijn man en kinderen moet ik ook niet vergeten, daar heb ik het ook aan te danken. Zij redden het prima zonder mij. Boodschappen en koken wordt hier in huis door iedereen gedaan, dus ik kan gerust op de bank blijven liggen als een werkdag een keer toch iets zwaarder uitviel dan verwacht.

Taken verdelen in het team: wat wil of kan ik?

Pas geleden hebben we ons als team weer over de werkverdeling voor volgend jaar gebogen. We begonnen met het benoemen van elkaars kwaliteiten, wat we al eens eerder gedaan hadden. Wat ik als kwaliteiten toegeschreven kreeg, was vergelijkbaar met de vorige keer. Ik werk gestructureerd, ben duidelijk in mijn communicatie, soms ook direct. Ik ben consciëntieus/accuraat, heb een brede kennis en deel deze graag.

Wat me dan meteen opvalt, is dat al die kwaliteiten vooral over mijn werk als examenleider gaan. Dat steekt wel een beetje. Met de doorstroom van studenten zijn er nu al vrij weinig studenten die ik echt les heb gegeven en blijkbaar hebben mijn collega’s er ook geen beeld meer bij hoe ik voor de klas sta.

Nog iets wat steekt, is dat er bij het verdelen van taken steeds benoemd werd dat je een taak op je moet nemen waar je blij van wordt. Ja, het is mooi als dat kan, maar voor mij gaat dat niet op. Ik ben blij dat ik kan werken, maar van het werk zelf word ik niet altijd blij. Maar het moet gewoon gebeuren en blijkbaar ben ik er goed ik, dus hou ik die taak voorlopig nog wel aan. En ook dat wisten sommige collega’s niet van mij.

Verder moet ik zeggen dat het bespreken van de werkverdeling best relaxt ging nu we een veel kleiner team hebben. Volgend schooljaar zijn we echt gesplitst en zit ik in het team Pedagogisch Werk (inclusief Onderwijsassistent), dus helemaal los van het team Dienstverlening en Maatschappelijke Zorg.

Wat ga ik volgend schooljaar wel doen?

Die taak van examenleider mag ik dus blijven doen. En ook al is ons team gesplitst, er blijven nog zoveel uren over voor de examinering, dat ik daardoor niet teveel les hoef te geven. Dat is fijn dat dat kan en dat het team daarvoor wil afwijken van de verdeling taken/lessen zoals die in de cao staat. Want voor mij betekent het dat het werken haalbaar blijft. Zeker nu ik dit schooljaar heb ervaren dat het lukt zolang ik binnen mijn grenzen blijf.

Daarnaast ga ik meer lesgeven dan ik dit schooljaar gedaan heb. Ik hoop op de acht a tien lesuur per week. Afgelopen schooljaar heb ik vooral begeleiding gegeven bij examenopdrachten, dus ik moet me weer helemaal opnieuw gaan inlezen in de lessen die er zijn. Welke lessen ik ga geven, weet ik nog niet. Wel dat het de beroepsgerichte vakken zijn, die voorbereiden op de beroepsgerichte examens, dus het ligt nog steeds wel binnen mijn expertise.

Wat ga ik volgend jaar niet meer doen?

Wat ik niet meer wil gaan doen, is werken in een werkgroep voor het hele college. Dat heb ik de afgelopen maanden gedaan sinds ik weer mijn hele aanstelling werk. En nu was ik redelijk flexibel, omdat ik vrijwel geen les gaf. Maar als ik straks weer wat meer les ga geven, is het lastiger inplannen om naar een andere locatie te gaan.

Naast dat praktische (en fysiek belastende) stukje van moeten schuiven in werktijden en moeten reizen naar de hoofdlocatie, was ik ook inhoudelijk wat teleurgesteld. Niet dat we als werkgroep baggerstukken hebben opgeleverd, maar ik had er meer van verwacht. De manier van plannen, samenwerken en communiceren stond me tegen. Zoveel onder tijdsdruk moeten werken, doet in mijn ogen af aan de kwaliteit die ik zou willen leveren.

Nu was deze werkgroep gericht op het maken van een kwaliteitsslag in de examinering, maar in voorgaande jaren heb ik dit eerder meegemaakt in andere werkgroepen. Bijvoorbeeld voor het ontwikkelen van curriculum, leerlijnen of lesplanners per vak, of het bijschaven hiervan. Het moeten leveren van een product binnen een bepaalde tijd komt dan voorop te staan. Dat product voldoet dan wel aan de eisen, maar ik mis het om ècht een goed product neer te zetten waar je trots op kunt zijn.

Misschien heb ik gewoon te hoge verwachtingen bij zo’n werkgroep.

Conclusie: volgend jaar weer volop met mijn eigen team en studenten aan de slag!

De foto boven dit artikel laat wel een beetje zien hoe ik me dit afgelopen schooljaar in mijn werk voelde. Ik was er wel, maar toch ook weer niet. Ik voelde me er niet helemaal bij horen, voelde me niet altijd gehoord of gezien.

En ik was er ook letterlijk niet altijd bij. Pas in april kon ik weer mijn hele aanstelling (vier dagen van zes uur) werken, dus het grootste deel van het schooljaar was ik nog ‘ziek’. Op de foto zelf was ik weer eens niet bij een teamvergadering, omdat ik naar die werkgroep moest. Ik had een stukje uitleg voor mijn collega’s gefilmd, in de hoop dat ze het op die manier ook zonder mij konden doen. Maar dat werkt dus niet zo hè. Docenten zijn net studenten wat dat betreft, direct contact werkt dan toch beter.

Laat mij het komende schooljaar dan maar weer gewoon lekker lesgeven en daarnaast examenleider zijn. Weg met die te hoge verwachtingen die toch niet waargemaakt kunnen worden. Welke werkgroep zit er nou te wachten op iemand die constant commentaar heeft dat het nog niet goed genoeg is?

En hoe was jouw (school-)jaar? Wat zou jij anders willen aanpakken in je werk of studie?

O4 workhopper rolstoel getest

Zo rond mei/juni staan de examens en de uitslagen van het voortgezet onderwijs in de spotlights. Bijna iedereen weet wel hoe spannend en stressvol die periode kan zijn, of het nu uit eigen ervaring is of die van je kinderen. Dat het in het mbo net wat anders loopt (maar niet altijd minder spannend of stressvol), daar heeft dan weer niet iedereen ervaring mee. En als ik vertel dat ik vooral als examenleider in het mbo werk, krijg ik vaak de vraag: ‘Wat doe je de rest van het jaar dan?’

Examens in het mbo

Nu ben ik dan weer iemand die (nog) geen ervaring heeft met examens in het voortgezet onderwijs, maar in het mbo heb ik er de afgelopen vijftien jaar wel wat van meegekregen.

In het team waar ik nu werk, hebben we de opleidingen Maatschappelijke Zorg, Pedagogisch Werk en Dienstverlening. Elke opleiding bestaat uit een basisdeel, profieldeel en keuzedelen. Zo heb je bijvoorbeeld bij Pedagogisch Werk de profielen Pedagogisch Medewerker Kinderopvang, Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker en Onderwijsassistent waar de student een keuze uit maakt. En al deze delen worden geëxamineerd verspreid over de hele opleidingsduur. Sommige keuzedelen al in het eerste jaar, maar het grootste gedeelte (bij Pedagogisch Werk in ieder geval) in het derde jaar.

Deze examens zijn altijd gelinkt aan de praktijk. Sommigen worden daar helemaal afgenomen en beoordeeld, anderen (deels) middels een verslag of gesprek.

Daarnaast zijn er de examens Nederlands, Engels en rekenen, ook weer met verschillende onderdelen en verschillend van niveau. Deze vinden bij onze opleidingen in het laatste jaar plaats, tenzij de student het al eerder aankan.

Plannen, aanvragen en verwerken van examens

Je kunt je wel voorstellen dat het best een kluif werk is om al die verschillende examens te stroomlijnen. Elk profiel heeft weer een eigen examengids met planningen die aangehouden moeten worden. Binnen die planningen regel ik beoordelaars en surveillanten en vul ik de planning wat concreter in. Voor het basis- en profieldeel hebben studenten een map, maar andere examens moet ik aanvragen per klas of zelfs op naam van de student.

En wanneer examens eenmaal beoordeeld zijn, check ik de formulieren, voer ik de cijfers in met de administratie en vul ik de examendossiers. Als eenmaal alle examens geweest zijn, bereid ik de examenvergadering voor en kunnen de studenten diplomeren.

Dit alles begint in september al en loopt het hele jaar door, met hier en daar een piek.

Eindeloos overleggen

Regelmatig bezoek ik een andere locatie om te overleggen met de examenleiders van de verschillende locaties. Of hebben we een vergadering met de examencommissie. En dan zit ik ook nog in een werkgroep die zich bezighoudt met de examinering. De laatste tijd zit ik wel één a twee keer per week bij een overleg op een andere locatie.

Door al die overleggen zitten we met z’n allen steeds meer op één lijn. We weten elkaar te vinden om elkaar te helpen en zetten de examinering stevig neer. En dat is goed, alleen niet zo goed voor mijn lijf. Het reizen (vaak in de spits, dus filerijden) en mijn rustmoment overslaan, maken toch dat ik weer veel last krijg van mijn heup/bekken. En er blijft niet veel van mijn werkdag (van maar zes uur) over na zo’n overleg, waardoor ik mijn collega’s minder zie.

Instructie geven aan studenten en collega’s

Dit is eigenlijk nog wel wat ik het leukste vind aan mijn werk als examenleider. Mijn stukje expertise delen met collega’s en studenten. Gedurende een schooljaar verandert er vaak nog weleens wat in de examinering, of is een klas toe aan een stap verder. Dan kom ik graag in de klassen langs om uitleg te geven.

Daarnaast heb ik me al eens verdiept in hoe we als docenten ervoor kunnen zorgen dat studenten zelf verantwoordelijkheid nemen over hun examens, in plaats van dat wij ze achter hun broek aan zitten. En daarna ben ik meer naar de docenten zelf gaan kijken, hoe patronen doorbroken konden worden om tot een meer eenduidige aanpak te komen.

De lessen die ik nu geef, zijn vooral gericht op het begeleiden bij de examens. Daarbij geef ik uitleg over hoe de verschillende examenonderdelen afgenomen worden en stuur ik waar nodig aan bij het plannen, wat de studenten grotendeels zelf moeten doen in de praktijk.

Examenleider… met vlagen een rotbaan

Ach ja, ik schreef het al eens eerder: soms heb ik echt een rotbaan. Dan baal ik ervan als iets niet gaat zoals zou moeten. Of dat collega’s en studenten me alleen maar weten te vinden als er iets te klagen valt. Deze en vorige week liepen er ook wat dingen niet zo soepel. Dan komt er zoveel verschillende informatie via verschillende kanalen, dat ik toch iets mis. Uiteindelijk komt het wel goed, helemaal met de hulp van collega’s. Maar ik kan daar dan toch wel even flink van balen.

En toch heeft het ook z’n leuke kanten. Als je bij het invoeren van cijfers ziet dat het einde in zicht is. Als verlengers toch ineens de smaak te pakken krijgen en als een speer aan het inhalen zijn. Als klassen vol interesse naar jouw verhaal luisteren. Als je van collega’s complimenten krijgt of als ze hulp aanbieden. Als alles op rolletjes loopt.

Volgend schooljaar gaat er weer van alles veranderen. In ons team, in de examenorganisatie. Dan zal ook mijn taak als examenleider weer totaal anders ingevuld gaan worden. Als ik de keuze zou hebben, zou ik voor minder reizen en meer contact met mijn directe collega’s en studenten gaan. Nu nog zien of dat gaat passen…

Pas geleden was ik op stagebezoek bij een kinderdagverblijf in Rotterdam. Terwijl ik wachtte in een kantoor, kwam er een medewerker in een rolstoel voorbij. We begroetten elkaar, allebei verrast om nog iemand in een rolstoel te zien. En hoe cool is dat, dacht ik. Die kinderen hier op het kinderdagverblijf groeien op met het beeld dat iemand in een rolstoel gewoon net als ieder ander hier kan werken. Zou zo mooi zijn als dat op meer plaatsen zo zou zijn. Gewoon mensen met en zonder (zichtbare) handicap die gewoon hun werk doen.

Het zou niet bijzonder moeten zijn, maar toch is dat het.

Als je de afleveringen van Rolstoel Roadmovie hebt gezien, zie je hierin ook de verschillen binnen Europa. In sommige landen (zoals Italië) is er geen speciaal onderwijs zoals wij dat kennen, maar gaan kinderen met een beperking gewoon naar dezelfde school. Weer een heel ander voorbeeld was een bedrijf in Spanje, waar het merendeel van de medewerkers een beperking had. Op zich fijn dat ze dat werk hebben, maar of er daar dan sprake is van een inclusieve samenleving…

Rollend rolmodel

Een rolmodel heeft een voorbeeldfunctie voor een bepaalde groep mensen. In bovenstaande voorbeelden zie ik de medewerker op het kinderdagverblijf als rolmodel. Maar ook Mari Sanders, die met zijn Rolstoel Roadmovie laat zien dat er nog veel drempels weg te nemen zijn. En daarnaast zelf een filmmaker is die in een rolstoel zit.

Het zou tof zijn als mensen met een beperking in diverse beroepsgroepen vertegenwoordigd zijn. Zodat ook kinderen en jongeren met een beperking een voorbeeld kunnen zien van wat zij in de toekomst kunnen doen.

Op het gebied van dans (en vooral inclusiedans) ben ik ook op zoek naar rolmodellen. Maar dat is nog lastig te vinden, dus tips zijn welkom! Niet alle dansstijlen spreken mij aan en bij de dansstijlen die me wel aanspreken, is het vaak een gespierde man die in de rolstoel danst. Iets wat ik nooit zal worden, gespierd of man.

Rolmodel of inspiration porn, waar ligt de grens?

In mijn ogen hoef je niet altijd extreem uit te blinken om een rolmodel te zijn. Complimenten geven omdat iemand iets goed kan, ook niks mis mee.

Maar waar ligt dan de grens tussen het waarderen van iemand als rolmodel en het misbruiken van die rol als inspiration porn, als kijkvermaak voor (met name) niet-gehandicapten? Ik vind dat nog best een lastige. Zeker op gebieden waar ik niet zoveel verstand van heb en dus al snel onder de indruk ben.

Op social media zie ik mensen verschillend reageren. De één vindt iemand prachtig zingen en geweldig dat hij met zijn beperkingen op tv komt, de ander irriteert zich aan het feit dat mensen al ‘aaaww’ roepen bij het zien van zijn geleidestok. Of de bewondering die uitgesproken wordt naar iemand die vol geduld iemand met autisme helpt, terwijl een ander vindt dat normaal gedrag als de ander respecteren niet zoveel bewondering verdient.

Die verschillen zijn niet één op één de verschillen tussen hoe mensen met of zonder handicap hiernaar kijken. Ook binnen deze groepen zijn er verschillen.

Aandacht en applaus mag, maar wel verdiend

Ik ben docent geworden omdat ik denk dat ik iets te delen heb waar anderen wat aan hebben. En dan heb ik het vooral over mijn vakgebied (pedagogiek). Ik ben niet vies van een beetje aandacht. Sterker nog: het lijkt me vrij zinloos als ik les sta te geven en niemand luistert naar me.

Maar ik hoef geen complimenten om het feit dat ik werk, ‘ook al zit ik in een rolstoel’.

Met het dansen net zo. Het geeft een kick als je de aandacht van het publiek weet vast te houden en applaus krijgt. Maar dan wel om het dansen, niet omdat ik toevallig in een rolstoel zit tijdens dat dansen.

En natuurlijk streelt het mijn ego als mijn blog en bijbehorende social media steeds meer groeien, maar dan wel graag om de inhoud. Toch krijgen de mooie plaatjes mèt rolstoel meer likes dan die zonder.

Dus als ik het voor mijzelf persoonlijk bekijk, dan denk ik dat de grens ligt tussen het bewonderen van de expertise van iemand (die toevallig gehandicapt is) en het bewonderen van iemand als gehandicapte, gewoon omdat ie gehandicapt is. In dat laatste geval zou je net zo goed iemands navel kunnen bewonderen, wat nergens op slaat en eigenlijk zelfs een beetje creepy is.

En waar ligt voor jou die grens?

Complimenten voor de bovenstaande foto’s mogen trouwens naar Bianca Toeps die mij zo mooi heeft weten vast te leggen. Complimenten voor de blauwe jurk mogen wel naar mij, want die heb ik zelf gemaakt, haha!

schoolboeken studerenHet zal je niet verbazen dat methodes, boeken, websites, enzovoort op het gebied van leren mij als docent interesseren. Zelf heb ik altijd wel gemakkelijk kunnen leren, maar voor de meeste van mijn studenten trekt de theorie ze meestal niet zo. Het is dan een uitdaging om ze toch aan het leren te krijgen. Toen ik een mooie website voorbij zag komen van Study Smart with Chris, was ik erg benieuwd of het wel echt zo mooi was als het eruit ziet.

Om meer te weten te komen over Study Smart, mocht ik Christiaan Henny interviewen.

Wie is Chris?

Christiaan Henny, heeft Study Smart with Chris opgezet vanuit zijn eigen ervaringen, waar hij tegenaan liep als student. Inmiddels is hij hier fulltime mee bezig en gaat hij (met zijn team) de hele wereld over. Zo zijn ze al in Denemarken en Aruba geweest en zijn ze nu in Noorwegen om workshops op scholen te geven.

Wat waren je problemen met leren? Hoe werd je hierin begeleid door de leerkrachten?

‘Op de basisschool en middelbare school zag ik door de bomen het bos niet meer, ik had geen overzicht over de stof. Huiswerk niet afmaken, omdat je geen planning maakt. Maar ook gewoon het leren. Dat je niet weet wat je moet doen, hoe je het aan moet pakken. Wat belangrijk is, wat niet. En als je wat ziet wat belangrijk is, hoe kun je dat dan dusdanig verwerken in aantekeningen dat je het ook onthoudt.

Ik geen begeleiding gekregen in hoe ik moest leren, ook op de basisschool niet. Ik heb 4 jaar gymnasium gedaan, uiteindelijk atheneum afgemaakt en voor elk vak kreeg ik bijles. In de bijles werd er stof behandeld. Het huiswerk doen onder begeleiding van iemand die het wel kan en dan hopen dat je aan het einde van het uur het zelf ook een beetje kan. Voor sommige (technische) vakken had ik op een gegeven moment aanleg, in het begin niet. En verder gewoon heel veel hulp, heel veel tijd erin stoppen en dan elke keer net over.

Echt technieken hoe beter te kunnen studeren kreeg ik pas in mijn derde jaar op de universiteit van een studiecoach. Uiteindelijk heb ik in vijf jaar mijn bachelor Technische bedrijfskunde gehaald, terwijl ik eerst praktisch twee jaar achter stond. Normaal doe je dit in drie jaar, ik heb er vijf jaar over gedaan.’

Wat miste je hierin op school?

‘Waar ik achter ben gekomen is dat leerkrachten als doel hebben zo snel mogelijk content over te dragen van zichzelf naar de student. Maar dat is natuurlijk maar een heel klein deel van het leerproces.

Je zit op school om twee dingen. Eén is om de stof te begrijpen. Als je medicijnen studeert, dan zul je die informatie moeten kennen. Twee is het hele proces doormaken om hoofd- en bijzaken te onderscheiden, om informatie slim te verwerken, om vragen te stellen over de stof, verdieping te zoeken. Dat zijn skills, vaardigheden en attitudes die je moet leren. Het is een proces waarvan ze willen dat je het doormaakt, maar je krijgt het niet voorgeschoteld.

Als je iets wil onthouden, dan zul je die informatie opnieuw zelf moeten creëren in je hoofd. Om het echt te laten plakken moet je het koppelen aan dingen die je al weet. En daar zijn docenten niet mee bezig. Die zijn bezig met de stof over te dragen in de vorm van taal of tekst, vervolgens een beetje oefeningen en dan is het klaar. Maar echt het proces hoe je een stuk stof moet lezen dat leer je niet.

Een goede lesopbouw geeft zo verschrikkelijk veel houvast. En dat doet bijna geen docent. Zoals aan het begin van de les zeggen: dit zijn de vier onderdelen die we vandaag gaan bespreken, aan het eind van de les wil ik dat jullie dit begrijpen, dat begrijpen en dat kunnen doen.’

Wat is Study Smart?

Het Study Smart pakket bestaat uit een studietool, video workshops, samenvattingen en een e-book ‘De kunst van effectief studeren’. Hiertoe heb je toegang voor €8,95 per maand.

Het gaat hierbij om het leren onthouden en begrijpen van lesstof. Het is bijvoorbeeld niet gericht op het zelf leren schrijven van stukken. Dat is een ander deel van het leerproces waar Study Smart zich niet mee bezighoudt.

Welke tips, technieken of (onderzoeks-)literatuur heb je verder uitgebouwd in Study Smart?

‘Op een gegeven moment heb ik alle boekwinkels leeg gekocht met allerlei boeken over effectief leren en studeren, leren leren, enzovoort. En toen kwam deze interface in me op, waar je het met elkaar kan combineren.

Contextual learning, self questioning, spaced repetition, dat is de basis. Goed begrijpen wat de opbouw van de stof is, dus de context, vanuit je samenvattingen vragen stellen en veel herhalen.

En dan heb ik er heel veel dingen aan gekoppeld, al dan niet wetenschappelijk. Bijvoorbeeld wanneer je een hoofdstuk begint te bestuderen, dat je nadenkt hoe de stof van toepassing is op je privéleven. Daardoor verbind je weer de stof met je eigen leven, komt er meer verbinding in je hersens, daardoor ga je het meer onthouden.

De kracht van dit systeem is dat er heel veel verschillende technieken gecombineerd zijn. Bijvoorbeeld mindmapping, bepaalde vormen van samen leren, alle herhaaltechnieken, dat zijn de essentiële dingen. Er zijn wel meer tools, maar in ons systeem staat altijd de inhoudsopgave centraal. Ook al heb je lessen of een college, dan heb je daar de structuuropbouw van en kun je per kopje de aantekeningen maken en die dan weer herhalen.’

Zijn de 350.000 samenvattingen op Study Smart aan bepaalde opleidingen of boeken gekoppeld? En door wie zijn deze gemaakt?

‘Het zijn er zoveel, omdat het juist zo breed is. Studenten uit alle hoeken en gaten van het onderwijssysteem gebruiken het. Zowel postdoctoraal als vmbo, alles.

Het zijn heel veel samenvattingen van boeken, maar ook van syllabi, series slides van colleges, artikelen, enzovoort.

Deze worden door de gebruikers gemaakt. Stel je vindt een artikel online over effectief studeren en gaat dat bestuderen met Study Smart, dan vul je de inhoudsopgave van het artikel eerst in. Dan ga je aantekeningen maken per kopje en samen is dat een samenvatting. En als iemand anders dat ook studeert, dan vult die dat weer aan. We hebben boeken, waar letterlijk honderden studenten in zitten, die allemaal een eigen deel van het boek hebben samengevat. De ene gebruikt meer, de ander wil ze juist zelf maken, je werkt samen.’

In dit filmpje is te zien hoe hiermee gewerkt wordt:

Voor wie is Study Smart?

Er worden veel partners genoemd op de website, waaronder ook universiteiten. Wat houdt dit partnerschap in?

‘Ze raden het aan, of ze gebruiken het in de klas, maar ze verplichten het niet. Juist ook omdat het systeem niet voor iedereen is. Het is voor mensen die moeite hebben met leren en beter willen. Dus ze kunnen het moeilijk verplichten voor iedereen. Het zijn voornamelijk partners die het structureel aanbevelen, die het op hun website hebben staan en die ons inhoudsopgaven sturen van hun studiemateriaal.’

Wat heeft een student nodig aan voorkennis om met StudySmart te werken? Zou het bijvoorbeeld ook voor vmbo/mbo te gebruiken zijn?

‘De kernmarkt voor StudySmart is wel hbo/wo, maar er zijn ook veel mbo-studenten die er gebruik van maken. Wel met name niveau 3 of 4 en vooral voor de leervakken.

Ze hoeven nul aan voorkennis te hebben. Het enige wat je echt moet hebben als je met dit systeem aan de slag gaat, is een wil om goed te leren.

Je gaat met het systeem aan de slag omdat je:

  • altijd vijven/zessen/zevens haalt, maar onzeker bent over je cijfers;
  • er gewoon van baalt dat als je twee uur achter je boeken zit, je doet ze dicht en denkt: wat zit er nou eigenlijk echt in mijn hoofd?
  • de dag na het studeren alles bent vergeten;
  • de stof vaak opnieuw moet bestuderen;
  • een heel onvoldaan gevoel hebt over je studie;
  • het wel kunt, maar het niet doet, puur omdat je niet op de goede manier studeert, maar het wel erg graag wil.

Als je gewoon een student bent die er tijd in stopt, die leert en je haalt altijd die zes of zeven en je bent er blij mee, dan ga je waarschijnlijk hier niet je tanden in zetten. Je moet het beter willen doen.’

En wat vind ik zelf nu eigenlijk van Study Smart with Chris?

Als docent zie ik de voordelen van wat Study Smart te bieden heeft, het zijn nuttige tools en technieken. Een nadeel is wellicht dat het zich beperkt tot het leren van stof, terwijl er zo ontzettend veel meer vaardigheden nodig zijn om goed te kunnen leren. Andere methodes zijn daarin wel completer, maar hebben dan bijvoorbeeld niet het mooie systeem met hoe er aan samenvattingen gewerkt wordt.

Het verbaasde me wel dat studievaardigheden als deze niet vanzelfsprekend een onderdeel zijn in het onderwijs. In het mbo heb ik die ervaring niet, hier is de structuur in de les en lesstof, variatie in werkvormen en het leren leren altijd een belangrijk onderdeel geweest in het overdragen van kennis.

Maar als ik het vergelijk met mijn dochter die inmiddels in 4vwo zit, dan zie ik daar wel verschillen in. Ze heeft op een Daltonbasisschool gezeten, waarbij er op zich wel aandacht was voor het samenwerken, leren plannen en dat soort vaardigheden. Maar qua leerstof ging het vaak maar om kleine hoeveelheden stof, die ze gemakkelijk in haar hoofd kreeg.

Bij de overstap van basisschool naar voortgezet onderwijs moeten ze veel grotere hoeveelheden leren en wordt er maar van uitgegaan dat ze dat kunnen, want ze doen vwo. In het voortgezet onderwijs heeft zij geen begeleiding gehad in hoe effectief te kunnen leren.

Hoe je leert mag dus best wat meer aandacht krijgen!

Dit artikel is tot stand gekomen door middel van een samenwerking.

bso tienermeiden

Vandaag is het Koningsdag. Dat heeft op zich niet zo heel veel te maken met het onderwerp waar ik over wil schrijven, maar het feit dat we hier een koningshuis hebben, geeft me wel de mogelijkheid om dat enorme contrast in kansen weer te geven. Want als je als prins of prinses wordt geboren, krijg je andere kansen voorgeschoteld. Niet dat ik zou willen ruilen of het ze niet gun, maar je kunt er niet omheen dat er een verschil is.

Straks zitten alle drie de prinsessen op het gymnasium. Met zo’n koninklijke achtergrond zal geen leerkracht eraan denken om ‘voor de zekerheid’ het advies wat lager in te zetten. Mocht het toch iets te hoog gegrepen zijn, dan laten de financiën van pa en ma het makkelijk toe om bijlessen in te zetten. En ook na hun gymnasium en verdere studieloopbaan hoeven ze zich geen zorgen te maken. Hun salaris of uitkering zal niet eens in de buurt komen van het minimumloon.

Hoe anders is dat als je wieg in Rotterdam Zuid stond, je bij je geboorte een kleurtje mee hebt gekregen, je ouders geen vet salaris of de juiste diploma’s hebben. Om maar een voorbeeld te noemen.

Nee, het is gewoon niet eerlijk verdeeld

Je kunt zeggen wat je wilt, vreselijk je best doen om alles zo eerlijk mogelijk te verdelen, maar er is gewoon sprake van kansenongelijkheid. Ook al ben jij niet degene die anderen achterstelt, het gebeurt, dat kun je niet ontkennen.

We hebben een enorm diverse samenleving. De vraag is vervolgens hoe je daarmee omgaat. Ik schreef al eens eerder over visies op diversiteit. En in mijn ogen is er niet één passende oplossing. Verschillende situaties vragen om verschillende oplossingen. Niet alles kan in wetgeving vastgelegd worden en soms werkt goedbedoelde wetgeving zelfs averechts.

Er is niet één handleiding die je overal bij kunt gebruiken. En dat betekent dus dat je veel vanuit je eigen boerenverstand moet bedenken. Maar daarbij helpt het wel om iets van verschillende oogpunten te bekijken en niet al teveel op je eigen aannames te vertrouwen.

De impact die je als docent hebt

Even voor mij als mbo-docent gezien, begint het bij de intake van een opleiding: wie wordt wel aangenomen en wie niet? En vervolgens: welke begeleiding krijg je van start tot diplomering? Als docent heb je zo ontzettend veel invloed op hoe iemands loopbaan vorm gegeven wordt.

Ik ben me er ook niet altijd bewust van wat ik voor impact heb op mijn studenten. Ik vraag regelmatig feedback, maar weet wel dat dan nog niet alles gezegd wordt. Soms hoor ik via een collega dat een student blij was met mijn steun in een gesprek. Of kom ik jaren later een oud-student tegen waar ik best wel eens mee in de clinch had gelegen en die dan pas vertelt hoe ze mijn lessen gewaardeerd heeft.

Daarom vind ik tweets als deze en de reacties erop zo verfrissend.

Het houdt een spiegel voor en zet je aan het nadenken. Heb ik niet weleens iemand een verkeerde kant opgestuurd op basis van mijn eigen aannames en vooroordelen? Ja, vast wel. Ik kan soms wat kritisch zijn als het gaat om passend onderwijs bijvoorbeeld. Ik wil mensen niet opleiden voor een uitkering, maar voor een beroep wat ze ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Aan de andere kant zie ik dat sommige studenten langer de tijd nodig hebben voor een opleiding dan er voor staat, om verschillende redenen. En ik ben er wel een voorstander van om die studenten dan die tijd te geven om eruit te kunnen halen wat erin zit.

Bewustwording is een eerste stap, maar wat dan?

Er wordt al heel veel gesproken en ondernomen om die kansenongelijkheid terug te dringen. Bij de laatste Meetup010 over kansengelijkheid kwamen daar verschillende voorbeelden van voorbij. Er zijn ontzettend veel projecten die allemaal op hun eigen manier kinderen en jongeren begeleiden om die kansen iets meer gelijk te trekken. Wat mij opviel bij drie verschillende projecten waar ik wat van heb gehoord, is dat ze vooral gericht zijn op het stellen van haalbare doelen en de kinderen/jongeren begeleiden in het behalen hiervan. Soms buiten de school, maar wel gericht op schoolse thema’s of de schoolloopbaan.

In eerste instantie dacht ik: is dat alles? Helpt dit wel? Maar ergens is het ook logisch dat het wèl zou werken. Als iemand continu kansen ontnomen worden, lijkt heel veel onhaalbaar. Juist door succeservaringen en het bereiken van doelen, kan dat voortgezet worden en worden kleine doelen grote doelen.

Onorthodoxe aanpak van het onderwijs

Maar dan nog moet er veel gebeuren willen we die kansenongelijkheid opheffen. Michelle van Dijk schreef eerder over een onorthodoxe aanpak van het onderwijs in Rotterdam, welke volgens haar nodig is om de achtergrond van een kind geen impact te laten hebben op het onderwijssucces. En ze zegt daar zeker wat nuttige dingen waar ik me ook in kan vinden. Zoals gewoon goed onderwijs, uitstel van de selectie vmbo/havo/vwo, een gratis alternatief voor schaduwonderwijs. Maar ook: Educate a parent, educate a child.

Dat is iets wat me bij al die verschillende projecten in Rotterdam Zuid ook opviel. Er wordt veel ingezet op rolmodellen, begeleiders, mentoren, anders dan de eigen ouder. Maar hoeveel mooier en effectiever zou het zijn als de ouders zelf een rolmodel en mentor kunnen zijn.

Nu weet ik dat ouderbetrokkenheid door onderwijsmensen niet altijd als prettig ervaren wordt, maar er kan nog zoveel meer uit gehaald worden. Als we eerst maar weer eens die vooroordelen over ouders los kunnen laten. En als school en schoolgebouw op alle manieren toegankelijk zijn voor de ouders.

Daarin zie ik wel een taak voor mij weggelegd in het opleiden van pedagogisch medewerkers en onderwijsassistenten. Als zij het belang inzien van gelijke kansen voor kinderen en wat zij hierin kunnen betekenen, kan dit zich als een olievlek verspreiden.

Heb jij altijd dezelfde kansen gehad in het onderwijs? Wat kan hier volgens jou nog aan verbeterd worden?

theorieën onderzoek boeken

Met mijn kleuterjufcollega’s zat ik begin deze eeuw (ja, echt zo lang geleden!) bij een cursus Voor- en Vroegschoolse Educatie. Eén van de cursusleidsters stelde zich voor, ze was net afgestudeerd en had in Egypte onderzoek gedaan en gewerkt met kinderen. Ja, ok, leuk voor je. En dan wil je ons vertellen hoe we hier in Rotterdam met kinderen met een taalachterstand om moeten gaan? Doe je best maar!

Dat werkte dus niet. Niet alleen ik, maar alle peuter- en kleuterjuffen konden haar niet serieus nemen. Ze werd al snel vervangen.

En toen ging ik zelf wat studies volgen: een beetje pabo, pedagogiek/onderwijskunde, tweedegraads lesbevoegdheid en een master in leren en innoveren. Ik zal er verder niet over opscheppen, maar ik heb best wel wat verstand van opvoeden, ontwikkelingspsychologie en onderwijs. En waar ik daarbij aanvankelijk nog vertrouwde op de theorieën die aan de hand van onderzoek ontwikkeld waren, werd ik later alleen maar kritischer op die theorieën.

Onderzoek is maar onderzoek

Wat ik vooral van mijn master leren en innoveren geleerd heb, is dat onderzoek op verschillende manieren te interpreteren is. Sowieso is het lastig om een goed betrouwbaar en representatief onderzoek neer te zetten. Ook als je netjes de richtlijnen volgt, zijn er tal van zaken die de uitkomst kunnen beïnvloeden, welke misschien niet in kaart zijn gebracht.

Als er dus uit een onderzoek op Antarctica blijkt dat langer dan tien minuten buiten spelen een negatief effect heeft op de leerresultaten van kinderen, hoef je niet meteen aan te nemen dat dat overal zo is. Je zou kunnen beginnen met wat kritischer te kijken naar hoe dat onderzoek is afgenomen: was dit in de zomer of winter, zijn de temperaturen te vergelijken met ons land? Worden de kinderen onder lestijd niet teveel afgeleid door pinguïns die langs het raam lopen? Werd er lesgegeven in de moedertaal van de kinderen? En hoeveel kinderen zijn er überhaupt op Antarctica waaronder dat onderzoek heeft kunnen plaatsvinden?

Nu zijn onderzoeksrapporten niet altijd gemakkelijk te lezen en wordt er veelal vertrouwd op hoe het vertaald is naar een pakkend krantenartikel of een boek wat voorschrijft hoe je het beste kunt handelen. En gooi wat van die boeken en artikelen in de mix en niemand heeft nog een idee waar het oorspronkelijk vandaan kwam. Netjes verwijzen volgens APA wordt ook niet overal gedaan. Ja, nee, die en die psycholoog zegt het ook. Dus dan zal het wel waar zijn.

Maar dat hoeft dus niet.

Mythes over leren en onderwijs

In het onderwijs kunnen we er ook wat van. Er zijn nog steeds zat boeken te vinden over hoe je je onderwijs kunt aanpassen aan verschillende leerstijlen. Want daar zouden leerlingen beter door kunnen leren. Alleen is dat nooit bewezen.

En de behoeftenpiramide van Maslow heeft Maslow zelf nooit als piramide bedacht. Dat je eerst je basisbehoeften op orde moet hebben om je bovenliggende behoeften te kunnen invullen, is er later maar bij bedacht. Eerst eten en je veilig voelen, dan kun je pas kun je een beetje sociaal gaan doen en daarna pas jezelf waarderen. Maar of dat ook echt zo werkt…

Of dat de effectiviteit van leren precies onder te verdelen is in percentages: door te lezen onthoud je 10%, audiovisueel 20% en uiteindelijk door het zelf aan een ander uit te leggen onthoud je 90%. Ook al niet waar.

Wat is dan nog wel waar?

In de boeken ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes’ en ‘Juffen zijn toffer dan meesters’ worden verschillende onderwijsmythes onder de loep genomen. Houdt je lekker kritisch.

Daarnaast vertrouw ik wel op John Hattie. Die man heeft zo ontiegelijk veel meta-onderzoeken naast elkaar gelegd, de overeenkomsten daaruit moeten toch wel een beetje kloppen. Ik heb zelf ‘Visible learning’ in mijn boekenkast staan, maar er zijn ook vertalingen en wat minder uitgebreide boeken hierover te vinden. Die zijn wellicht wat makkelijker te lezen.

Aan de andere kant zullen zijn conclusies misschien over een paar jaar ook alweer oud nieuws zijn. Zou zomaar kunnen.

Linkjes naar deze boeken:

Jouw theorie is jouw visie, niet de mijne

In mijn eerste revalidatietraject kreeg ik een psycholoog voor mijn neus die me wel even vertelde hoe ik mijn chronische pijn zelf in stand hield. Een mooi theorietje met plaatjes met pijltjes. Ik herkende me totaal niet in dat verhaal, voor mij had de pijn een functie. Pijn is in mijn geval een signaal dat ik over een grens gegaan ben en een stap terug moet doen. Pas een paar jaar daarna kreeg ik de bevestiging dat mijn pijn inderdaad niet de standaard chronische pijn is, maar veroorzaakt wordt door EDS en overbelasting.

En nu dacht ik van mezelf dat ik dus wel een aardig kritische blik had als het over theorieën ging. Maar van de week las ik ‘Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit‘ en dat was toch weer een eyeopener. Want als het om autisme gaat, heb ik mijn beeld daarvan ook aardig ingevuld met theorieën die door niet-autisten zijn beschreven. Mijn scriptie schreef ik ooit over autisme in het mbo en daar had ik flink wat boeken voor geraadpleegd. Onder andere over de Theory of Mind. Deze theorie gaat over dat je kunt bedenken wat een ander voelt of denkt en er wordt vervolgens gezegd dat iemand met autisme dit niet kan. Maar wie bepaalt welke interpretatie van andermans gedachten en gevoelens de juiste is? De persoon zonder autisme? Best arrogant als je het zo bekijkt. Want ook die interpretatie is vanuit een eigen referentiekader bedacht.

Dat kwartje viel bij mij dus pas bij het lezen van het boek van Bianca Toeps. Erg verhelderend om het eens van een ander oogpunt te zien. En eigenlijk voel ik me wel een beetje belachelijk dat ik dat niet eerder zo zag…

Weg met die theorieën en gewoon weer naar de persoon kijken

Alhoewel ik sommige theorieën best fijn vind om gedrag te verklaren, of om als leidraad te gebruiken, kan het ook best zonder. Of in ieder geval wat minder. Door alles wat psychologen of pedagogen zeggen maar voor waarheid aan te nemen, beperk je je enorm.

Sinds een aantal jaar geleden de kwalificatiestructuur van het mbo omgegooid is, wordt er minder geëxamineerd op theorie en meer op werkprocessen die beheerst moeten worden. Theorie is daar dan nog maar een klein onderdeel van en vaak slaagt een student ook zonder de theorie op te kunnen dreunen. Soms maak ik me daar weleens zorgen om: een pedagogisch medewerker moet toch weten wat kinderen op een bepaalde leeftijd op alle verschillende ontwikkelingsgebieden zouden moeten kunnen? Aan de andere kant leren ze dat ook door ervaring. Je hebt veel meer aan een pedagogisch medewerker met geweldige voelsprieten dan één met een geweldig geheugen.

En zo is het ook met lesgeven. Dat kun je niet altijd volgens het boekje doen, dat moet je vooral aanvoelen en daarop in kunnen spelen. Soms wat uitproberen en op je snufferd gaan, maar soms kom je zo ook op nieuwe aanpakken die perfect bij jouw groep passen.

Opvoeden van je eigen kinderen net zo: niet alles in de ontwikkeling is te voorspellen aan de hand van een boekje en niet alle kinderen zijn hetzelfde. Met een open blik zie je veel meer mogelijkheden.

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

conferenties toegankelijkheid

Dit is niet de eerste keer dat ik over dit onderwerp schrijf. In 2016 schreef ik al over de plus- en minpunten met betrekking tot rolstoelvriendelijkheid bij symposia en conferenties.

Je zou zeggen dat er in drie jaar tijd wel wat veranderd mag zijn. Met dat VN-verdrag dat in werking is gesteld en zelfs al geëvalueerd. Voor mij persoonlijk zijn er ook veranderingen geweest: ik heb mijn rolstoel nu meer nodig dan toen. Elke extra drempel irriteert me nog meer dan toen.

Is het nog wel de moeite waard? Waarom zou je nog naar conferenties willen?

Ik ben docent pedagogiek met een master in Leren & Innoveren. En ik ben niet zover gekomen om verder maar op de automatische piloot les te gaan geven. Ik wil geïnspireerd worden, nieuwe dingen leren, bij blijven met nieuwe ontwikkelingen.

Bijscholing is een belangrijk onderdeel van je vak als docent. Je wil je studenten niet iets leren wat tien jaar geleden relevant was, je wil ze leren wat nu relevant is, of in de toekomst. Daarnaast zijn conferenties, beurzen, symposia en congressen een mooie gelegenheid om te netwerken. Ook om zo samen het onderwijs sterker neer te zetten, maar ook om te zien of er ergens in het onderwijs een plek is waar ik nog beter op mijn plek zou zijn.

Dus ja, ik vind het zeker de moeite waard om dit soort bijeenkomsten te blijven bezoeken. Dat betekent vaak wel dat ik mijn werkdag of vrije dagen eromheen erop aan moet passen. Twee uurtjes langer werken en de dag erna nodig hebben om ervan bij te komen, vind ik nog te overzien voor een keer. Maar een werkdag van 8.00 tot 20.00 uur trek ik echt niet, dus dan zal ik daar nog meer aanpassingen in moeten maken.

Het effect van een ontoegankelijke conferentie

Als het jaren later nog steeds niet verbeterd is, heb ik misschien te weinig laten merken hoeveel last ik ervan heb als een conferentie niet toegankelijk is. Blijkbaar is dan het aangeven in een evaluatie of het doorgeven aan de organisatie niet genoeg.

Goed, hier dan een opsomming, misschien dat het zo iets duidelijker wordt:

  • Als ik na een lange autorit, inclusief file, bij binnenkomst welkom wordt geheten met: ‘Is dat blijvend?’ met een knik naar mijn rolstoel, dan komen er even geen pedagogisch verantwoorde woorden uit mijn mond. Nee, dat is geen fijne binnenkomer.
  • Als ik uit mijn rolstoel moet stappen om een drempel of trap te nemen om bij een workshop of lezing te komen, kost mij dat veel pijn en inspanning. De helft van de informatie gaat dan aan mij voorbij, omdat ik nog aan het bijkomen ben. Ik kan me niet focussen op waar ik voor gekomen ben.
  • Een andere route moeten nemen, of om een liftsleutel moeten vragen, kost tijd. Die tijd is al beperkt tussen het wisselen van workshops (die vaak ook al uitlopen). En het is gewoon niet tof om in een zaal vol mensen te laat binnen te komen.
  • Hoe behulpzaam anderen ook willen zijn, de meesten weten niet hoe ze een rolstoel moeten tillen. Afgelopen week heb ik daardoor mijn rolstoel moeten repareren tijdens een workshop. Een rolstoel repareren is niet iets wat mij makkelijk af gaat, ook dat kost mij veel pijn en inspanning.
  • Continu omhoog moeten kijken om met mensen in gesprek te gaan, wordt al snel vermoeiend. Net als het steeds maar moeten vragen of ik ergens langs mag. Niet alleen fysiek vermoeiend, maar het geeft me ook het gevoel alsof ik er niet bij hoor. Ik word niet gezien.
  • En ik waardeer de hulp van mijn collega’s echt heel erg, maar ik word daardoor wel in een rol geduwd die niet bij mij past. Ik wil zelfstandig kunnen gaan waar ik wil. Niet moeten vragen of iemand drinken voor me wil halen. Of een plekje aan een lage tafel bezet wil houden. Dat ik bof met collega’s die me zo fijn helpen, zou niet eens uitgesproken hoeven te worden. Maar dat wordt het wel, door mensen die mij niet kennen en mij zo nog meer in die afhankelijke rol duwen.

Al die pijn, vermoeidheid, te laat komen en niet gezien of juist als hulpbehoevend gezien worden, maakt dat ik echt strontchagrijnig word van zo’n conferentie. Terwijl de workshops en sprekers inhoudelijk misschien best interessant kunnen zijn.

Beste organisatie, aanpassen is echt niet zo moeilijk!

Ik zal heus niet vragen om alle oude, ontoegankelijke gebouwen plat te gooien. Als er voor die paar mensen zoveel sentimentele waarde aan hangt om per se op zo’n locatie een conferentie te organiseren, prima. Hier dan toch wat tips, die echt niet zo heel veel moeite of geld kosten:

  • Als je weet dat sommige zalen niet toegankelijk zijn voor mensen in een rolstoel of die slecht ter been zijn, neem dan zelf het initiatief om dat als opmerking aan te kunnen vinken op het inschrijfformulier. Dat ik te horen krijg dat ik dat zelf moet aangeven, zonder dat daar ruimte voor is op het inschrijfformulier, is natuurlijk een beetje de omgekeerde wereld. Had ik dat dan bij ‘dieetwensen’ aan moeten geven?
  • In het geval van liften (of invalidentoilet) die alleen met een sleutel werken: geef zo’n sleutel meteen bij de aanmeldbalie mee. Ik ben best bereid om iets als borg af te geven, veel liever dat dan om hulp moeten vragen. En ik denk dat ik niet de enige ben die daar zo over denkt.
  • Grote groepen mensen van eten en drinken moeten voorzien, is altijd lastig. Ik snap dat er in die gevallen (vrijwel altijd) voor een lopend buffet gekozen wordt. Maar als alleen al de drankjes op dienbladen rondgebracht worden, zou dat zoveel schelen. Ook voor mensen zonder beperkingen: hoef je niet twee keer in de rij te staan, of met een bord èn een glas door de mensenmassa te gaan. Maar ik heb ook bijeenkomsten meegemaakt waar zowel de hapjes als de drankjes rondgebracht werden, ideaal!
  • Ook de statafels snap ik, veel praktischer met grote groepen mensen. Maar let hierbij op de plaatsing van de tafels. Zorg voor genoeg ruimte tussen de tafels, zodat er nog steeds een looppad vrij is als er mensen om de tafels staan. En wissel statafels af met lage tafels met stoelen of losse banken. Stop de lage zitjes niet ver weg in een hoek. Alleen maar drie kwartier ouwehoeren bij je vaste statafel met je vaste clubje, levert niet bijzonder veel op. Als het doel netwerken is, zorg dan voor een opdracht waarbij mensen letterlijk in beweging komen en iedereen gezien wordt.
  • Zorg dat de medewerkers die daarover gaan goed op de hoogte zijn van waar te parkeren en wat praktische routes zijn. Dus ook waar de gehandicaptenparkeerplaatsen zich bevinden. Die zijn er niet voor niets en kunnen iemand een hoop moeite besparen.
  • Op een onderwijsgerelateerde bijeenkomst is iemands aandoening of beperking niet handig om in een openingszin op te nemen. Mocht het gesprek toevallig zo lopen, prima. Het hoeft ook weer geen taboe te zijn. Maar zonder verdere kennismaking daarmee binnen te willen vallen… Nee, doe maar niet.

Dit artikel dekt lang niet alles als het gaat om toegankelijkheid bij conferenties. Het is vooral beschreven vanuit mijn oogpunt als rolstoelgebruiker. Voel je dan ook vrij om aanvullingen (al dan niet in de vorm van linkjes) in de reacties achter te laten. En delen mag uiteraard ook! Wie weet kan ik dan over nog drie jaar een heel ander verhaal vertellen.

En aan de organisaties die nu vreselijk op hun teentjes getrapt zijn vanwege al mijn kritiek: wees maar niet bang, dit is vooral een samenvatting van meerdere bijeenkomsten. Er zijn maar weinig organisaties die het op alle punten verprutsen.