Berichten

14 veertien

Mijn oudste dochter is net twee weken geleden veertien jaar geworden. Veertien. Als ik terugdenk aan het jaar dat ik veertien was, dan houd ik mijn hart vast voor wat ons nog te wachten staat. Maar aan de andere kant heeft het voor mij voor een omschakeling gezorgd en uiteindelijk ben ik toch wel aardig terecht gekomen.

Toch leuk om dan weer even terug te blikken.

Wat ik in mijn dagboeken schreef…

Ik was niet zo’n prater, maar schreef wel hele dagboeken vol. Die kocht ik in een chinees winkeltje en op mijn veertiende was ik bezig in dagboek nummer vijf. Van alles schreef ik daarin op.

Lijstjes met wat ik wilde veranderen aan mezelf (want ik wilde helemaal geen stil meisje zijn met een bril en beugel), de dingen die ik met vriendinnen uitspookte, op wie ik verliefd was, wat ik van anderen vond en wat ik dacht dat ze van mij vonden.

Zelfs schoolcijfers en mijn maten schreef ik erin op. Blijkbaar had ik toen een cup 75B en wat spijkerbroeken betreft wijdtemaat 29 en lengtemaat 34.

Verder schreef ik over nog wat dingen die maar beter niet op internet kunnen. Iets met een hamster. En wat over Halt. Niet in combinatie met elkaar overigens, maar laat je fantasie gerust de vrije loop.

Hangen op het pleintje

De term BFF bestond toen nog niet, maar ik had wel een paar vriendinnen die ik als mijn beste vriendinnen zag. Ze woonden bij mij in de straat en behalve op het pleintje hangen, ondernamen we ook nog weleens wat. Zoals logeerpartijtjes, op de fiets naar het strand of de surfplas gaan, de stad in, of naar de kermis.

Ik mocht nog niet echt uitgaan op die leeftijd, maar daar gebruikten we de logeerpartijtjes voor (sorry mam). Daar dronk ik mijn eerste pisang-jus en bessenjenever. En bier, maar na een paar keer niet durven weigeren als er weer een rondje gegeven werd, gaf ik toch maar toe dat ik het niet zo lekker vond. Doe toch maar gewoon een colaatje.

Maar meestal waren we met een groepje jongens en meiden op het pleintje te vinden. Een beetje aan het hangen, roken en tegen een bal aan trappen. Verder waren we vooral herrie aan het schoppen en flink de grenzen aan het opzoeken bij onze ouders, buren en politie. En hier en daar gingen we eroverheen.

Van vwo naar het mbo

Toen ik veertien was, zat ik in de derde klas van het vwo. Mijn cijfers zagen er prima uit, behalve voor Duits, maar die leraar mocht ik gewoon niet zo.

Maar dat vwo was niet echt mijn ding, voelde me niet zo thuis in de groep en het vooruitzicht om nog drie jaar op school te zitten en dan nog eens te moeten studeren, daar had ik allemaal geen zin in.

Dus bedacht ik het plan om te stoppen met vwo en samen met mijn vriendin naar het mbo te gaan. Of eigenlijk had ik eerst het plan om over te stappen naar de havo, maar toen ik hoorde dat je met een overgangsbewijs van drie naar vier vwo ook naar het mbo kon, wilde ik daarvoor gaan.

Mijn ouders waren uiteraard niet zo blij met dat plan, maar het mocht uiteindelijk wel. Als ik maar een voldoende voor Duits stond. Dus ik keek een paar keer die boeken in en met een zes voor Duits en verder zevens, achten en hier en daar een negen, schreef ik me in bij de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk.

Ik weet nog dat er een kennismakingsdag was voor de zomervakantie en bij het rondje voorstellen vielen de monden open toen ik zei dat ik veertien was. En ook al was ik na die zomervakantie alweer vijftien, ik bleef een beetje het ‘kindje’ van de klas.

Tienertoer

Die zomer vlak voor mijn vijftiende verjaardag, ging ik samen met mijn vriendin op tienertoer. Daarmee kon je binnen tien dagen vier dagen reizen door heel Nederland. Gewoon saampjes met de trein. De logeeradressen waren via mijn ouders geregeld. We logeerden bij een kennis in Limburg, een neef (of oom?) van mijn vader in Friesland, mijn oom en tante in Noord-Holland en eindigden bij mijn ouders die in Zeeland in een vakantiehuisje zaten.

Man, wat voelde ik me stoer en volwassen dat we zo zelfstandig door het land mochten reizen. Soms ook wel frustrerend als we weer eens op een verkeerd perron stonden of een overstap misten. Maar uiteindelijk kwamen we wel steeds waar we wezen moesten. Zonder internet hè!

Lief dametje van veertien, neem dit nou van me aan

Je bent goed zoals je bent. Met bril en beugel, wat voor cijfers je ook haalt en wat anderen misschien wel of niet van je denken. Je bent een prachtmeid.

Laat die sigaretten en alcohol maar links liggen, het heeft echt geen meerwaarde. Zelfgebakken brownies zijn veel lekkerder.

Maak je vwo maar gewoon af, zo heb je genoeg tijd om je plannen voor de toekomst te smeden.

Nee, je bent nog veel te jong om alleen met een vriendin door Nederland te reizen. Rotterdam is ver genoeg.

En als je net zo lief voor je ouders blijft als je nu bent, vertel ik misschien wel een keer over die hamster en Halt.

Neem nooit een pony. Je hebt het haar van je moeder.

Wat spookte jij uit op je veertiende?

leerklimaat mboHet boek Beter leerklimaat in het mbo vond ik in januari in mijn postvakje, als cadeautje van de directie. Hier maak je mij altijd blij mee: boeken over onderwijs.

Er worden 40 tips gegeven om het gedrag van studenten te verbeteren. Het is een overzichtelijk geheel en daardoor snel door te lezen. Elke tip wordt op dezelfde manier toegelicht:

  • Om over na te denken
  • Aan de slag in je klas
  • De kern van de zaak

Alhoewel het boek van oorsprong geschreven is door Amerikaanse auteurs, zijn de situaties en tips net zo herkenbaar voor de Nederlandse situatie. Sorry voor de jongvolwassen studenten: jullie zijn gewoon ontzettend voorspelbaar. Geldt net zo goed voor de docenten trouwens.

Er zit wel aardig wat overlap in de tips en hier en daar wordt een open deur ingetrapt, maar wie weet is dit voor andere docenten wel wat nieuws.

Heel kort samengevat gaat het om een positieve benadering met oog voor de student. En dat is zeker iets waar ik me in kan vinden.

Tips die nu al goed voor mij werken

  • Geef studenten verantwoordelijkheid: Het zal je verbazen wat het effect is van letterlijk de bordstift in handen te geven van studenten. Als ze merken dat wat zij denken er toe doet, zijn ze veel meer bereid om nog dieper op de stof in te gaan.
  • Enthousiaste docent, enthousiaste studenten: Het ene vak is leuker om te geven dan het andere. Pedagogiek heeft mijn voorkeur, maar het vak organisatie kan ik met net zoveel enthousiasme overbrengen. Studenten zien er ook wel de humor van in: ‘Mevrouw, dit is helemaal niet zo leuk als u doet overkomen.’ En ondertussen blijven ze wel opletten, wachtend op het moment dat het wèl leuk gaat worden. Maar ik verklap natuurlijk niet dat dat leuke moment is wanneer zij de lesstof snappen en het belang ervan inzien.
  • Regels en procedures: Bij deze tip wordt er onderscheid gemaakt tussen regels die niet overtreden mogen worden (anders volgen er consequenties) en procedures, waarbij je een vaste manier hebt hoe dingen moeten gebeuren. Ik vind dat wel een mooi gegeven, iets om met mijn team bespreekbaar te maken. Zo hoeft het verbieden van de telefoon wat mij betreft geen regel te zijn. Maar ik vind het wel onderdeel van een procedure: je let op tijdens de uitleg, gaat aan het werk met een opdracht en pas als alles klaar is, mag de telefoon tevoorschijn komen. Dat is voor mij meteen een teken om misschien wat eerder naar een volgend lesonderdeel te gaan.

Tips die ik nog wel wat meer kan inzetten

  • Negeren is vooruitzien/ de afleidingsmanoeuvre: Dit is meteen wat ik bedoelde met overlap in verschillende tips. Want eigenlijk ben je nooit alleen maar aan het negeren, je gaat niet in op het negatieve gedrag, maar leidt de student af door zijn aandacht ergens anders op te richten. Ik ben er ook van overtuigd dat dit beter werkt dan je les te onderbreken en in te gaan op het negatieve gedrag, maar het lukt niet altijd. Zeker als de ene stoorzender de andere aansteekt, ben ik even kwijt hoe ik ze kan afleiden. En soms sta ik gewoon zo perplex van het gedrag, dat ik dat niet kan verbergen. Om even een extreme te noemen: ik betrapte een keer een student die een hijs nam van zijn elektrische sigaret, gewoon tijdens mijn les.
  • Praat zacht en rustig: Ook hiervan weet ik dat het werkt, in een drukke klas kun je beter juist zacht en rustig praten, dan doen studenten meer hun best om je te kunnen verstaan. Maar als ik in een open ruimte met computers en groepstafels van drie verschillende klassen tegelijkertijd de aandacht wil, lukt het me niet om dit zacht te doen. In een normaal klaslokaal waar ik sneller oogcontact heb met studenten, gaat het me een stuk beter af.

tips leerklimaat mbo

Welke tips zou jij een docent in het mbo willen geven om het leerklimaat te verbeteren?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

kinderfeestjes zaklampentocht
We hebben er inmiddels al flink wat gehad met die twee meiden van ons: kinderfeestjes. En soms pakten we flink uit, zoals bij het laatste kinderfeestje op de basisschool van de oudste. Zij mocht toen met haar beste vriendinnen gaan klimmen in een klimpark. Maar kinderfeestjes met wat minder budget kunnen minstens zo leuk zijn.

cupcakemandje1. Cupcakeparty

Gewoon heel veel cupcakes samen maken, versieren en proeven. En om de overgebleven cupcakes mee te geven, is het extra leuk om daar ook nog eens zelf een mandje voor te maken. Wat je op de foto ziet, is een variatie op het alom bekende paasmandje wat altijd op school gemaakt werd. Hier gebruikte ik twee A4’tjes per mandje voor, waarbij ik de omtrek voorgetekend had. Het uitknippen, vouwen, plakken en versieren konden ze allemaal zelf doen.

2. Speeltuinenfietstocht

Dit deden we toen we nog een bakfiets hadden en een aanhangkar: picknickmand mee vol lekkers, de bakfiets vol met ballonnen en slingers (en kinderen uiteraard). We gingen drie speeltuinen langs. Allemaal speeltuinen die net iets buiten onze wijk lagen en dus niet zo bekend waren bij de kinderen. Maar wel dichtbij genoeg om ze alle drie op één middag te kunnen bezoeken.

En afhankelijk van de leeftijd, kun je hier natuurlijk een eigen draai aan geven. Bijvoorbeeld door de kinderen zelf te laten fietsen, of te kiezen voor een speeltuin die nog wat verder weg is. Natuurspeeltuinen zijn ook altijd een groot succes en zolang je alles netjes achterlaat, mag je hier je eigen eten en drinken meenemen.

3. Oud-Hollandse spelletjes

Spijkerpoepen, koekhappen, ezeltje prik, blikgooien, zaklopen, flessenvoetbal. Ja, ze doen het nog steeds goed hoor! Het leuke is dat we dit eigenlijk niet eens deden met een kinderfeestje, maar gewoon met een verjaardag waar vrienden en familie met hun kinderen op visite kwamen. En de volwassenen deden minstens net zo enthousiast mee!

4. Topmodels modeshow

Ik had er een hele workshop omheen gebouwd, een flinke klus om het te begeleiden, maar met geweldig resultaat. De kinderen mochten zelf een outfit tekenen en de rok ervan zouden ze dan ook nog zelf maken. Gewoon een simpele rok met elastiek in de taille, maar toch: van het tekenen tot en met het naaien deden ze alles zelf (met een beetje hulp van mij op de naaimachine). En aan het einde, toen de ouders er al waren om ze weer op te halen, gaven ze nog even een modeshowtje weg.

Nu is dit voor mij low budget, omdat ik altijd wel een enorme berg met restjes stof heb. Maar op de markt is altijd wel een kraampje te vinden met goedkope stofjes. En ook zonder naaimachine zijn kinderen creatief genoeg om er wat moois van te maken.

5. Slaapfeestje

Op een gegeven moment zijn ze wel oud genoeg om zelf invulling te geven aan een feestje en hoef je het niet meer van begin tot eind voor ze te plannen. Afgelopen weekend gaf mijn jongste van 10 een slaapfeestje. Af en toe kwam ik met limonade of lekkers aanzetten, maar ze vulden zelf de tijd met verstoppertje in huis spelen, heel veel kletsen en doen, durven of de waarheid.

Gegarandeerd succes met een huis vol meiden is Just Dance. En dat hoeft niet eens met de Wii, Youtube staat er ook vol mee. Het gaat dan natuurlijk niet om de scores, maar vooral om het gezellig samen dansen.

6. Zaklampentocht

Het was een onderdeel van het slaapfeestje, maar kan prima los als feestje dienst doen. Maar dan wel in de winter, wanneer je niet tot tien uur hoeft te wachten tot het donker is. Wij kozen dit keer voor een park in de wijk waar geen verlichting is. Eerder zijn we naar een recreatiegebied wat verderop gegaan, daar hadden we dan wel de auto voor nodig.

Alleen het lopen in het donker is al spannend, maar nog leuker is het om in het pikdonker te spelen in een speeltuin. Tikkertje met of zonder zaklampen, de weg vinden in het doolhof (en elkaar flink laten schrikken), schommelen of van de kabelbaan…

Wel een tip: behalve te vragen om een zaklamp mee te geven, is het dragen van kleding die vies mag worden geen overbodige luxe. In het donker zie je de plassen en blubber niet zo goed namelijk.

Aan welke kinderfeestjes heb jij leuke herinneringen overgehouden? En hoe organiseer jij zelf kinderfeestjes: met een groot of klein budget?

rietveld delft

Vorige week las ik een artikel over Pieter (en hier nog een keer), die niet op hulp zit te wachten, maar dit vaak wel opgedrongen krijgt, omdat hij een rolstoel gebruikt. Het artikel werd veel gedeeld door rolstoelgebruikers in mijn social medianetwerk. Veel van hen konden zich vinden in de frustratie van Pieter, maar er zijn ook genoeg mensen die hulp van anderen wèl waarderen.

In de reacties onder het artikel kwamen ook verschillende uitersten naar voren. Om even twee voorbeelden te geven:

‘Ik kijk nu wel uit voordat ik zo’n invalide eikel help. Ik was juist door m’n ouders zo opgevoed om anderen te helpen. Ik laat ze tegenwoordig maar in hun eigen handicap gaarkoken! De deur houd ik ook niet meer open voor ze.’

‘Mensen die eruit zien alsof ze ergens hulp bij kunnen gebruiken, zal ik het altijd aanbieden. Oud, gammel, rollator, reumahanden, klein, verward, verdwaald klein kindje en dus ook diegenen die in een rolstoel zitten.’

Aan die eerste reactie wil ik niet eens mijn energie verspillen. Af en toe komt er gewoon een schreeuwlelijk voorbij die wat aandacht wil en die kun je het beste negeren.

Maar in de tweede reactie zie ik wel dat die persoon het goed bedoeld, maar dit kan voor mensen in een rolstoel toch anders overkomen. En dat is wèl de moeite waard om verder op in te gaan.

Onhandig in de omgang

Bij Pauw ging het gesprek hierover door en ik vond dat Lucille Werner hierbij de spijker op zijn kop sloeg. Mensen bedoelen het vaak goed met het aanbieden van hulp, maar zijn wat onhandig in de omgang met mensen met een beperking. Daarbij ziet zij het ook als taak van mensen met een beperking om hier opener over te zijn. Ze willen anderen niet tot last zijn, juist afhankelijk zijn, maar maken zichzelf onzichtbaar daardoor. Door opener te zijn en te laten zien dat niet iedereen met een beperking hetzelfde is, wordt het voor anderen helderder hoe hiermee om te gaan.

Niet zo lang geleden schreef ik over ongepast gedrag waar je mee te maken krijgt als er iets anders aan je is. Daar gaf ik al aan dat ik vragen over mijn beperkingen juist waardeer, liever dan dat mensen het zelf gaan invullen. En ik denk hetzelfde over het aanbieden van hulp: vraag gewoon of de hulp welkom is.

Beeldvorming over mensen met een beperking

Wat ik een sterk punt van Pieter in dit gesprek vond, is de beeldvorming over mensen met een beperking. Dat deze vaak passief afgebeeld worden, terwijl echt niet alle mensen met een rolstoel passief zijn. Lucille ziet hier weer een voorbeeldrol weggelegd voor mensen met een beperking: laat zien dat je niet zo passief bent als het beeld dat zo vaak geschetst wordt.

Uit veel reacties onder het artikel komt naar voren (even heel bagatelliserend) dat een rolstoel betekent dat je hulpbehoevend bent en wanneer je aangeeft dat dit niet zo is, ben je een eikel.

Dat dit beeld niet altijd klopt met de werkelijkheid, is bijvoorbeeld ook te zien aan SUE, Elianne en Rosita (even doorklikken als je hun kijk hierop wilt lezen).

prints legging

Kom niet ongevraagd aan andermans rolstoel

Wat ik in veel reacties van rolstoelgebruikers terug las en waar ik het heel erg mee eens ben: kom niet ongevraagd aan andermans rolstoel. Gewoon niet.

En al bedoel je het nog zo goed: als er een wesp op je kruis zit, probeer ik jou daar ook niet van te redden door ‘m dood te trappen. Het klinkt misschien als een rare vergelijking, maar vanuit mijn perspectief voelt dit wel zo: ongemakkelijk en pijnlijk.

Als ik gebruik maak van mijn rolstoel, dan doe ik dat om het gedeelte vanaf mijn heupen naar beneden rust te geven. Op het moment dat iemand mijn rolstoel beetpakt en ‘m beweegt op een manier die ik niet gewend ben, gaat er van alles in mijn onderlijf verschuiven. In het minst erge geval levert mij dat een naar en instabiel gevoel op en in het ergste geval levert het een subluxatie met veel pijn op. Of er gaat iets kapot aan de rolstoel, of de rolstoel kiept om, omdat de duwer geen idee heeft met wat voor rolstoel hij te maken heeft.

Er zijn wel momenten dat ik een ander mijn rolstoel laat duwen. Op die momenten heeft mijn bovenlijf ook even rust nodig en span ik mijn spieren zo aan, dat ik de onverwachte bewegingen op kan vangen. Die momenten (en personen) kies ik graag zelf. En in sommige gevallen werkt het voor mij dan gewoon beter om uit mijn rolstoel te stappen en zelf mijn rolstoel te duwen.

De grens tussen beleefdheid en betutteling

De vraag is wat je wil bereiken met het aanbieden van hulp. Wil je dat die persoon zich gezien en gewaardeerd voelt? Of wil je vooral laten zien hoe behulpzaam jij bent en maakt het je niet uit hoe de ander zich daaronder voelt?

Pas geleden had ik een training op mijn werk waarbij de trainer een werkvorm had die staand uitgevoerd moest worden. Ze was niet heel erg op de hoogte van mijn beperkingen, maar wist wel dat ik moeite heb met lang staan, lopen of zitten. Haar vraag naar mij: ‘Gaat dat lukken?’ is misschien maar een klein voorbeeld, maar hierbij laat ze wel zien dat ze oog heeft voor mij en mijn beperkingen en de keuze vervolgens bij mij neerlegt. Als ze had gezegd dat ik mocht blijven zitten en niet mee hoefde te doen, had ik me wel betutteld gevoeld.

Oog voor een ander, maar daarbij dus ook oog voor zijn of haar zelfredzaamheid, valt wat mij betreft onder beleefdheid en èchte behulpzaamheid. Want in dit geval help je de ander echt verder.

Wanneer je een ander iets uit handen neemt, zonder dat je je überhaupt hebt afgevraagd of diegene het zelf kan, ben je aan het betuttelen. Op die manier help je een ander niet verder, maar neem je juist zijn of haar zelfredzaamheid af.

Alleen blijft het lastig om mensen een spiegel voor te houden wanneer ze anderen betuttelen. Want wie wil nou horen dat je eigenlijk niet een ander aan het helpen bent, maar alleen jezelf?

Ik kan hier nog wel duizenden woorden meer aan wijden, betutteling is iets wat op zoveel meer vlakken voorkomt. Betutteling van leerlingen, kinderen, ouderen, enzovoort.

Wanneer voel jij je betutteld?

 

 

laptop agenda to doIn het onderwijs wordt er regelmatig aandacht besteed aan 21e eeuwse vaardigheden. Het idee erachter is dat we in de moderne tijd waarin we leven, andere vaardigheden nodig hebben dan voorheen aangeleerd werden. Sommige beroepen waar studenten nu voor opgeleid worden, zullen er op een gegeven moment niet meer zijn. Die 21e eeuwse vaardigheden kunnen in alle beroepen nuttig zijn, zodat studenten toch voorbereid zijn op de toekomst.

Maar los van school en werk, denk ik dat het juist ook goed is voor chronisch zieken om zich bewust te zijn van deze 21e eeuwse vaardigheden. En ze wellicht ook verder te ontwikkelen.

Dit filmpje laat in het kort zien wat die 21e eeuwse vaardigheden inhouden. Meer is te lezen op de website van SLO. De omschrijvingen die in dit artikel per vaardigheid te lezen zijn, komen hier ook vandaan.

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Wanneer je chronisch ziek bent, zul je keer op keer met tegenslagen en veranderingen te maken hebben. Daar is geen handleiding voor. Je kan dan bij de pakken neer zitten, maar daar schiet je niets mee op.

Kritisch denken

Bij kritisch denken gaat het om het vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk, maar ook houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen spelen een essentiële rol.

Is het wel of niet verstandig om weer voor een nieuwe behandeling of operatie te gaan? Hoe hou je belasting en belastbaarheid in balans? Genoeg denkvoer om eindeloos over te piekeren. Maar de kunst is om ook knopen door te hakken op basis van die afwegingen. Niet gemakkelijk, kan ik je wel zeggen.

Creatief denken

Creatief denken en handelen is het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.

Geen mens is hetzelfde en wat voor de één een goede oplossing zal zijn, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Zeker bij aandoeningen die niet zoveel voorkomen, hebben behandelaars ook niet altijd een geschikt antwoord.

Door out-of-the-box te denken en risico’s te durven nemen, kom je soms tot ideeën die je leven een stuk makkelijker maken. Om even een simpel voorbeeld te geven: het je al eens gezien hoe ik mijn rolstoel meeneem op mijn scooter?

Probleem oplossend denken

Probleemoplossend denken en handelen is het vermogen om een probleem te (h)erkennen en tot een plan te komen om het probleem op te lossen.

Daarbij is het proces dat leidt tot het oplossen van het probleem belangrijker dan het vinden van de oplossing zelf.

Wanneer je strategieën kunt bedenken om tot een oplossing te komen voor het ene probleem, kun je deze ook toepassen bij andere problemen.

Computational thinking

Computational thinking is het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie het probleem op te lossen. Het gaat daarbij om een verzameling van denkprocessen waarbij probleemformulering, gegevensorganisatie, -analyse en -representatie worden gebruikt voor het oplossen van problemen met behulp van ICT-technieken en -gereedschappen.

Denk bijvoorbeeld aan al die apps gericht op gezondheid. Revalidatieapps heeft hier al een aardig overzicht in gemaakt. Een activiteitenweger, pijndagboek, calorieënteller, stappenteller, mindfulness en andere oefeningen, voor van alles is er wel een app. En met bijbehorende gadgets kun je nog meer inzicht krijgen in je gezondheid, zoals je slaap analyseren.

Informatievaardigheden

Informatievaardigheden omvat het scherp kunnen formuleren en analyseren van informatie uit bronnen, het op basis hiervan kritisch en systematisch zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en verwijzen van relevante informatie en deze op bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen en evalueren. In de context van 21e-eeuwse vaardigheden gaat het hierbij vaak om digitale bronnen.

In de weg naar een diagnose en ook daarna zul je als chronisch zieke flink wat tijd hebben doorgebracht op Google. Waar komen mijn klachten vandaan? Bij wie moet ik zijn voor diagnose en behandeling? Wat staat me nog meer te wachten?

Al die digitale bronnen maken jou nog steeds geen arts. Maar het kan je wel helpen om je gerichter door te laten verwijzen.

En bedenk ook dat niet elke bron even betrouwbaar is. De ene richt zich meer op wetenschappelijke feiten en de ander meer op opinie. Het is dan maar net welke informatie je nodig hebt. Wat betreft relevante informatie over aandoeningen zou ik websites van patiëntenverenigingen (zowel nationaal als internationaal) eerder aanraden dan Wikipedia.

Wordt vervolgd…

De oplettende lezer ziet dat er nog een stuk of 5 vaardigheden overblijven. Om alles in één keer te beschrijven, zou tot een enorme lap tekst leiden. Dus vandaar dat er volgende week een deel 2 verschijnt met daarin de vaardigheden:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Communiceren
  • Samenwerken
  • Sociale en culturele vaardigheden

Welke vaardigheden pas jij al toe? En waar zou jij je meer in kunnen ontwikkelen?

strand Normandië

Geïnspireerd door Karen van Dejlig en indirect dus ook door Geertje van Lifesabout werd ik overgehaald om op een rijtje te zetten waar ik trots op ben.

Maar nou reageerde ik een tikkeltje arrogant bij Karen dat ik er best wel een heel blog over zou kunnen vullen en dat zij maar bescheiden is door eerst mensen uit haar omgeving te benoemen waar ze trots op is. En potverdorie, nu ik er echt voor ga zitten, bedenk ik dat ik veel meer trots ben op mijn familie en vrienden dan op mezelf.

Trots op mijn ouders, van wie ik zoveel geleerd heb (en die overigens nog steeds een geweldig huis te koop hebben staan). En op mijn broers, zussen en vriendinnen, op wat ze bereikt hebben, hoe ze in het leven staan.

Maar om het toch nog iets dichter bij mezelf te houden, zijn dit de 10 dingen waar ik mezelf een schouderklopje voor kan geven:

1. Ons gezin

Dat wat wij – mijn man en twee dochters – hier voor elkaar hebben, hebben we samen voor elkaar gekregen. Kinderen groeien niet vanzelf op tot geweldige mensen en een huwelijk is niet automatisch ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Dat vraagt om inzet, samenwerken en aanpassingsvermogen. En nu is het echt niet zo dat ik als pedagoog in huis altijd bepaal hoe dingen gebeuren. Juist het los durven laten en ruimte geven aan anderen (ook al weet ik het soms beter) zorgt voor groei in ons gezin.

2. Master Leren en Innoveren

Het is maar een papiertje, maar het staat voor zoveel. Die pittige opleiding heb ik toch maar even naast werk en gezin gedaan. En het heeft me de motivatie gegeven om te blijven leren, nieuwsgierig te blijven naar wat er nog meer mogelijk is in het onderwijs.

Het is overigens niet het eerste papiertje wat ik naast mijn werk behaald heb. Al toen ik in de gehandicaptenzorg werkte, begon ik aan de Pabo in de avonduren. Toen ik overstapte naar Pedagogiek, was ik net zwanger van mijn oudste dochter. Het laatste jaar gaf ik mijn baan op om als leraar in opleiding te kunnen werken, zodat ik meteen mijn lesbevoegdheid kon halen. Dat was dus een jaar lang een half salaris met een kind in de luiers.

Best pittig, maar het is me toch allemaal gelukt!

3. Dansen

Ik heb mezelf nooit een getalenteerd danser gevonden, maar geniet er wel heel erg van. En om dan op te mogen treden met geweldige dansers en applaus te mogen ontvangen, ja, dat maakt mij wel heel trots.

Afgelopen zomer ben ik een crowdfundingactie begonnen om zelf een dansrolstoel aan te kunnen schaffen. Dat vond ik best spannend om te doen: hadden anderen er wel geld voor over om mij die dansrolstoel te gunnen? Zien ze mijn wervingsacties niet als bedelen? Maar uiteindelijk was er zelfs meer geld gedoneerd dan ik als doel had. Dus al die twijfels waren niet nodig geweest.

4. Sociaal netwerk

Iets waar ik erg dankbaar voor ben en mijn best voor doe om vast te houden: ik heb een uitgebreid sociaal netwerk. Familie, vrienden, collega’s, oud-studiegenootjes, lotgenoten, mensen die ik ken van festivals of uitgaan, van het dansen of van de sportschool. De contacten zijn heus niet allemaal even intensief en diepgaand, maar ik kan altijd wel bij iemand aankloppen als dat nodig is. En andersom ook uiteraard.

5. Openheid

Mijn fysieke beperkingen zijn niet iets om me voor te schamen. Niet dat ik er altijd maar mee te koop loop (ok, op mijn blog misschien net iets meer, maar dat is echt maar een klein stukje van mijn echte leven), maar ik ben altijd wel bereid om vragen te beantwoorden. En dat ik daarmee ook nog eens in krant, magazine of boek kom, is natuurlijk ook wel iets om trots op te zijn.

6. Werk

Ik ben niet alleen trots op het feit dat ik nog werk, ondanks dat het fysiek niet altijd zo jofel gaat, maar ook op het werk dat ik neerzet. Ik ben niet zomaar een middelmatige docent, ik ben gewoon een goede docent. Flexibel inzetbaar, duidelijk naar studenten en collega’s, ik heb veel vakinhoudelijke kennis, kan dat op verschillende manieren overbrengen en als ik zeg dat ik iets doe, kun je er ook op vertrouwen dat ik het zal doen.

 7. Mooie jurkjes naaien

Ja, ook dat kan ik. Ik vind het een uitdaging om een mooi stofje te vinden en daar een prachtige jurk van te maken. Elke jurk heeft zo iets unieks en past helemaal bij mij.

Ik heb er nooit een studie of cursus in gedaan. Het meeste heb ik geleerd door het vooral veel te proberen en heel veel fouten te maken. Youtube met z’n enorme hoeveelheid aan tutorials moet ik wel nog wat credits geven.

8. Gezond en sportief bezig zijn

Van nature ben ik een levensgenieter en ik geniet dan vooral van lekker eten en drinken. Maar omdat het goed voor me is, let ik meer op mijn eetgewoontes en probeer ik zoveel mogelijk te bewegen. Dat resulteert in wat kilootjes eraf en flink wat actieve uurtjes in de week. En daar ben ik trots op. Want het is echt niet zo dat ik het altijd leuk vind om naar de sportschool te gaan, of een stuk fruit te nemen in plaats van een reep chocola. Maar juist dat ik het toch doe, ondanks dat er leukere en lekkerdere dingen zijn, maakt mij trots.

9. Grenzen aangeven

Nee, hier heb ik echt nog geen master in behaald, ik vind het aangeven van mijn grenzen nog steeds moeilijk. Vooral om ‘nee’ te moeten zeggen tegen leuke dingen. Maar omdat het nou eenmaal wèl goed is voor mijn lijf om zo nu en dan voor mezelf te kiezen, doe ik hier erg mijn best voor. En dat gaat me steeds beter af, dus daar ben ik ook trots op.

10. Doorzettingsvermogen

Ik denk dat dit is wat er voor heeft gezorgd om al het andere te kunnen bereiken. Zonder doorzettingsvermogen was ik echt niet zover gekomen. Dan was ik na één mislukt jurkje gestopt met naaien. Had ik er nooit aan gedacht om in een rolstoel te dansen of om aan een opleiding te beginnen naast mijn werk.

Niets is me zomaar aan komen waaien, maar je ziet wat je kan bereiken met een beetje doorzetten! En ik hoop zo dat mijn kinderen dit ook zullen oppikken. Niet alleen maar voor de makkelijke weg gaan, maar juist de uitdagingen opzoeken om er het beste van te maken.

En jij, waar ben jij trots op?

RCN Zeewolde VeluwemeerAls er iets anders is aan je dan heb je er vast weleens mee te maken gehad: starende blikken, geroddel achter je rug om of ongepaste vragen. Of je nu dik of dun bent, in een rolstoel zit of juist een onzichtbare ziekte hebt, het valt mensen op en ze vinden er iets van. En vervolgens vinden de mensen die het slachtoffer zijn van dat gestaar, gevraag en geroddel daar ook weer wat van. Maar door er alleen maar wat van te vinden en zeggen hoe het niet moet, kom je nog niet tot meer begrip.

Starende blikken

Op Plus een beetje stond een artikel over hoe vervelend het is als je aangestaard wordt vanwege lipoedeem. Gelukkig laat ze zich niet tegenhouden om toch gewoon die leuke jurkjes en laarzen te dragen, maar ik snap heel goed dat het haar onzeker kan maken.

Zelf ben ik best een poos onzeker geweest over hoe ik eruit zag, vooral toen ik als kind gepest werd. Op een gegeven moment vul je dan al van alles in, terwijl iemand misschien alleen maar toevallig je kant op kijkt. Ik heb ook een tijd gedacht: als ze dan toch al kijken, dan geef ik ze wel wat om naar te kijken ook. En dat heeft hele bijzondere kledingkeuzes opgeleverd…

Tegenwoordig kan ik de starende blikken goed van me af laten glijden. Ik maak er een spel door terug te staren, eens zien wie het langst kan staren. Of ik hou mezelf voor dat ze me nastaren omdat ik er zo ongelooflijk goed uitzie. Dat is natuurlijk een beetje gekkigheid, maar ik voel me er in ieder geval niet onzekerder door.

Ik laat me door de starende blikken in ieder geval niet weerhouden om mezelf te zijn. Want ook al kijken anderen vreemd op als ik opsta uit mijn rolstoel en vervolgens een stukje ga lopen, voor mij werkt dat soms beter. Ik vertik het om passief in mijn rolstoel te blijven zitten, alleen om aan het standaardplaatje van een rolstoelgebruiker te voldoen.

Ongepaste vragen

Tania beschreef juist hoe vervelend ze het vond om ongepaste vragen te krijgen van wildvreemden. Wat mij dan weer opviel, is dat ik de vragen die zij voorgeschoteld kreeg, zelf niet als ongepast zou ervaren. Misschien eerder juist wel als interesse of beleefdheid. Toch ook gek hoe verschillend dat dan ervaren kan worden. Alhoewel dat natuurlijk wel te verklaren is. Vanuit de cultuur waar je in opgegroeid bent, het referentiekader wat je opgebouwd hebt, vorm je je een beeld van wat wel en niet door de beugel kan.

Ik hou van de Rotterdamse directheid en betrap mezelf soms wel eens dat ik daarin bij anderen een grens overschrijd. Maar bij mij kun je niet veel verkeerd doen als je aan me vraagt waarom ik de ene keer in een rolstoel zit en de andere keer gewoon loop. Sommige vragen gaan bij mij wel een grens over. Het gaat bijvoorbeeld niemand wat aan hoe EDS mijn seksleven beïnvloedt. Als je daarnaar gaat vragen, kun je een vrij directe reactie terug verwachten. Gelukkig snappen de meeste mensen dat wel en heb ik die vraag nog niet gekregen.

Om de openheid van kinderen met hun vragen en opmerkingen kan ik alleen maar lachen. Waarom ik op een skelter rij, of dat de dokter mij wel beter kan maken en ik dan niet meer in een rolstoel hoef. Voor die kinderen zijn dat logische dingen en ik vind het niet vervelend om het aan ze uit te leggen als ze daarin geïnteresseerd zijn.

Gepraat achter je rug om

Ja, lastig om hier wat van te zeggen. Want als ze het goed doen, heb je het niet door dat ze het doen. En ik denk ook niet dat het te voorkomen is dat het gebeurt. Vaak hoeft het ook niet slecht bedoeld te zijn. Er wordt heus wel eens aan mijn man, ouders, vriendinnen of collega’s gevraagd hoe het nu met mij gaat. En dan praten ze over mij, waar ik niet bij ben. Maar ik zie dit nog steeds als interesse, niet als geroddel.

Ik denk ook dat het voor mensen lastig is om die drempel over te gaan en mij direct dat te vragen waar ze nieuwsgierig naar zijn. Zoals ik hierboven ook al schreef: mensen kunnen vragen verschillend opvatten en niet iedereen is ervan gediend. Dan voelt het soms veiliger om het eerst met een ander te bespreken.

Maar als er echt bewust negatief over me geroddeld wordt, ja dat vind ik wel heel vervelend. Nog steeds zegt dat meer over die persoon dan over mij, maar als er zo een beeld over mij gecreëerd wordt wat niet klopt, ben ik er wel de dupe van.

Wat is voor mij dan wèl gepast gedrag?

Vul niet voor mij in hoe ik in elkaar zit of waar ik last van heb, laat het ook niet door een ander invullen, maar vraag het mij gewoon. Dat is in ieder geval de manier die bij mij het beste werkt.

Maar of dat ook zo werkt bij een ander, daar kom je ook maar op één manier achter: vraag het. En het hangt er dan ook wel vanaf hoe je je vraag stelt. Suggestieve of veroordelende vragen zullen niet snel goed in de aarde vallen. ‘Waarom zou je dat nou weer willen? Komt het doordat je zoveel overgewicht hebt? Kun je niet gewoon meer trainen?’ 

Begin dan liever met ‘Mag ik je wat vragen over …..?’ Dan weet je meteen of je vraag daarna wel of niet welkom is. En respecteer het dan ook als de vraag niet welkom is.

Welk gedrag vind jij ongepast? En hoe zou je dat liever zien?

Zo blijven we gaan met al die ‘weken van…’. En nu bijna aan het einde van de kinderboekenweek wilde ik wat delen over mijn favoriete kinderboeken. Want alhoewel mijn kinderen ze een beetje ontgroeid zijn, ben ik nog steeds fan van prentenboeken.

Lesgeven in voorlezen

Gelukkig kan ik mijn ei nog een beetje kwijt in mijn werk. Wanneer ik lesgeef over Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), komt het voorlezen altijd een keer uitgebreid aan bod. En ja, ik geef mijn studenten dan dus een cijfer voor hoe zij interactief voorlezen en hoe ze zelf een kamishibai, praatplaat of digitaal prentenboek bij een bestaand prentenboek maken en gebruiken. Geen idee waar ik het over heb? Bekijk dan eens de onderstaande Prezi met bijbehorende filmpjes.

Natuurlijk hebben we op school een aardig voorraadje boeken, maar niets leest beter voor dan je favoriete boeken. Daarom neem ik er altijd een paar van thuis mee. Als studenten een kinderboek meenemen, is het er vaak één van hun stage. Van huis uit werd/wordt er bij deze groep niet bijzonder veel gelezen. De studenten die lid zijn van de bibliotheek zijn op één hand te tellen. Jammer, want zij zijn wel degenen die hun enthousiasme voor lezen en taal door kunnen geven aan de volgende generaties.

Sommige van mijn studenten zijn natuurtalenten als het gaat om voorlezen, maar er zijn er toch ook die zich er erg onzeker bij voelen. Doordat ze de taal zelf niet goed beheersen en moeite hebben met de uitspraak, of doordat hun dyslexie het vloeiend kunnen lezen in de weg zit, of sowieso het spreken voor een groep wat als spannend ervaren wordt.

Ik dwaal een beetje af. Maar zoals ik al zei: dit is mijn ei en ik wil het kwijt.

Maar nu over naar de prentenboeken!

Fiets

Dit boekje is ooit uitgegeven als kinderboekenweekgeschenk en ik vind ‘m helemaal geweldig! Het is een boekje zonder tekst, dus het verhaal kun je er zelf zo lang of kort maken als je zelf wilt. Ook een goede tip voor mijn studenten die moeite hebben met lezen, maar zo wel kunnen vertellen.

Heel kort gezegd gaat het verhaal over een jongen die na een feestje ontdekt dat zijn fiets gestolen is en er van alles aan doet om ‘m terug te krijgen. En wat ik er persoonlijk erg leuk aan vind, is dat je er zoveel verschillende soorten fietsen in tegenkomt. Ik hou gewoon van fietsen.

 Elmer

Een echte klassieker die je in je kast moet hebben. Elmer de olifant is anders dan de rest en dat is maar goed ook. Als iedereen maar grijs en grauw zou zijn, zou het een saaie boel zijn.

Mooie plaatjes met niet teveel tekst en daardoor goed geschikt voor peuters of jonge kleuters. Maar als je dieper op het verhaal in wil gaan, is het zeker ook interessant voor oudere kleuters.

 

Wat Faust zag

De hond Faust ziet ‘s nachts van alles gebeuren en wil zijn baasjes waarschuwen. Maar die zitten niet op zijn geblaf te wachten en gooien ‘m naar buiten.

Het leuke aan dit boek vind ik hoe de tekst in de plaatjes is verwerkt. Sommige woorden zijn groot, sommige klein, sommige schuin of dik gedrukt. Het helpt de minder ervaren voorlezers om hun stemgebruik aan te passen aan wat er gebeurt in het verhaal en het zo wat spannender te maken.

Ga je mee?

Ja, alweer een boek van Charlotte Dematons. Stiekem ben ik gewoon een beetje fan van haar boeken. Prachtige prenten en verhaal waarin de kinderen meegenomen kunnen worden. Dit verhaal gaat over een jongen die allerlei avonturen beleeft onderweg naar de winkel en waarin fantasie en werkelijkheid door elkaar heen lopen.

Een ideaal boek om één op één voor te lezen, of met een paar kinderen. Op bijna elke bladzijde staat namelijk wel een opdracht voor de luisteraar en de prenten zijn soms net een zoekplaat. Daarvoor is het wel handig om de kinderen dichtbij te hebben, zodat je ze echt mee kan nemen in het verhaal.

Wij gaan op berenjacht

Een boek waarbij je niet hoeft stil te zitten, maar juist kan stampen met je voeten en kan zwaaien met je armen. Want terwijl dit gezin op berenjacht gaat, komen ze allerlei hindernissen tegen waar ze wel dwars doorheen moeten.

Wij hadden de kartonnen versie van dit boek en dat was een goede keus. Met alle herhalingen in de tekst en het uitnodigen tot bewegen is dit een ideaal boek voor peuters. Lekker wild doen mag en daar kan een kartonnen boek goed tegen.

Klein-Mannetje heeft geen huis

Nadat het huis van Klein-Mannetje een hoosbui niet heeft overleefd, gaat hij op zoek naar een nieuw huis. Zo komt hij langs zijn dierenvrienden en hun huizen tot hij een huis vindt wat echt bij hem past.

Dit boek is ontzettend leuk om een verteltafel bij te maken, in de klas of thuis. Kinderen kunnen de materialen en personages verzamelen of zelf maken en dan het verhaal naspelen.

De Gruffalo

De muis voorkomt dat hij wordt opgegeten door de dieren in het bos, door ze bang te maken met grote verhalen over de Gruffalo. Maar die Gruffalo bestaat toch niet echt… of wel?

Een leuk, spannend verhaal met veel herhaling in de tekst.

Wij hadden ook ooit een cd met liedjes over prentenboeken, gezongen door Hakim van Sesamstraat. Daar stond ook een liedje over de Gruffalo op, die moet je even luisteren. Blijft heerlijk in je hoofd hangen, haha!

Het kleine kikkervisje

Terwijl het kleine kikkervisje langzaam verandert in een kikker, komt hij allerlei dieren tegen die prachtig kunnen springen. Iets wat hij ook graag wil, maar hij moet nog wat geduld hebben.

Om dit boek nog meer tot leven te laten komen, zou je zelf een bak met kikkerdril in huis kunnen halen. Zo kun je steeds de metamorfose van het kleine kikkervisje vergelijken met de kikkervisjes die in de bak zitten. Tot ze echt gaan springen natuurlijk.

Of wat dacht je van een springspel: springen als de dieren in het boek en daarbij de tekst uit het boek gebruiken: Hipperde-hop en hij landde met een plop.

Mijn favoriete prentenboek

Om er maar één te moeten kiezen als favoriete kinderboek voor de 30 Day Blog Challenge van Hare Maristeit, vond erg lastig. Ik heb een kast vol geweldige prentenboeken en om tot maar acht te komen, vond ik al een hele prestatie.

Tja, als ik dan toch zou moeten kiezen, dan kies ik voor: Wij gaan op berenjacht. Heerlijk om een peuter hierbij op schoot te hebben en al zwiepend en plonzend tot aan de laatste bladzijdes te komen en het daar nog even extra spannend te maken.

Toch eens vragen of mijn meiden van 9 en 13 daar niet ook weer eens zin in hebben… 😉

De kinderboekenweek 2016 duurt nog tot 16 oktober en bij besteding vanaf 10 euro krijg je het kinderboekenweekgeschenk Oorlog en vriendschap door Dolf Verroen. En raad eens wie dit boek geïllustreerd heeft? Charlotte Dematons!

Ook is er speciaal voor de kinderboekenweek een klein prentenboek gemaakt door Floor Rieder: Waar is Ludwig?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

gezelschapspelletjes uno kaartspelOver het algemeen kunnen mijn meiden (9 en 13 jaar) zich prima zelf vermaken. Maar het is wel zo gezellig om af en toe samen een spel te doen. Maar er zijn dagen dat zelfs gezelschapsspelletjes aan tafel te vermoeiend voor me zijn. Zeker na een werkdag ben ik allang blij dat ik het red om tijdens het avondeten tot en met het toetje aan tafel te kunnen blijven zitten.

Er zijn weleens momenten geweest dat ik het gevoel had aan de zijlijn te staan: mijn gezin ging vrolijk verder terwijl ik languit op de bank lag.
Maar ook al lig ik languit op de bank, dan nog kan ik meedoen met mijn gezin. En vandaag besloot ik die meiden vanachter hun beeldscherm weg te trekken en een stapel spelletjes te testen: welke zijn geschikt om languit op de bank (of vanuit je luie stoel) te kunnen spelen?

Mijn oudste dochter heeft een selectie gemaakt van spelletjes welke we uitgeprobeerd hebben, dit was ons oordeel:

Wie is het?

Met een hoekbank is het even puzzelen wie waar gaat zitten/liggen, zodat je niet op elkaars bord kan kijken. Maar het bord kan makkelijk op je schoot blijven staan en op het ene kaartje na, zijn er geen losse onderdelen die makkelijk van het bord af vallen.

Galgje

Er zullen vast handigere versies zijn dan die wij hebben, is er ook niet een reiseditie van of zoiets? Met al die losse lettertjes in een grote doos verdwijnen er al snel een paar tussen de kussens van de bank. Waarschijnlijk is ouderwets met pen en papier galgje spelen een stuk praktischer. Dat ik het woord ‘aquarel’ niet kon raden voordat mijn poppetje aan de galg hing, heeft er natuurlijk niks mee te maken dat ik niet zo enthousiast ben over dit spel.

Boggle

Een compact spel werkt altijd goed als je geen tafel in de buurt hebt. Ook zonder stabiele ondergrond blijven de dobbelstenen op hun plek in het bakje. Ik heb alleen weer verloren, al was het maar met één punt verschil.

Rozenkoning

Dit is misschien niet zo’n bekend spel, maar hier in huis favoriet. Het is een bordspel waarbij je een zo groot mogelijk gebied moet veroveren met steentjes van jouw kleur en met behulp van kaartjes die de richting en het aantal passen aangeven. Alleen is het dus een groot bordspel, waardoor er op de bank niet veel plek meer is om de steentjes en kaartjes kwijt te kunnen. En met een stuiterende negenjarige in de buurt, loop je wel het risico dat het bord met steentjes en al van de bank af stuitert. Maar met een iets minder stuiterende dertienjarige is het wel te doen. En ik won, dus het is een leuk spel.

Sketch!

Ik weet eigenlijk niet wat het verschil tussen Sketch! en Pictionary is, volgens mij de kinderen ook niet en we zijn allemaal te lui om de gebruiksaanwijzing goed te lezen, dus doen we maar wat. Maar het gaat prima op de bank: de kaartjes kunnen in de doos blijven liggen en de bordjes om op te tekenen kun je makkelijk in je hand of op schoot houden.

Uno

Eigenlijk zijn kaartspellen altijd goed. Je hebt er niet veel ruimte voor nodig om het te spelen, of op te bergen. Op vakantie gaat dit spel (en andere kaartspellen) ook altijd mee. Met kaarten hoef ik niks op schoot te houden en kan ik, als ik wil, plat blijven liggen.

Conclusie

Hoe compacter het spel, hoe beter. Uno kwam als beste uit de bus, maar Boggle en Sketch! waren ook goed te doen. En de grote bordspellen bewaren we dan wel voor de dagen dat ik langer aan de eettafel kan zitten.

Zijn je kids jonger en nog niet toe aan dit soort spellen? Mammatien heeft vijf super simpele speeltips op een rijtje gezet waarbij je als moeder met beperking nog steeds die nodige aandacht kan geven.

Loedermoeder is een soort geuzennaam geworden om tegengas te geven aan alle perfecte plaatjes die moeders via sociale media en blogs delen. En ik heb ook niks tegen dat tegengas geven, maar heb wel het idee dat het inmiddels het tegenovergestelde doet.
Want wat is er mis met moeders gewoon in hun waarde laten, met of zonder hun perfecte plaatjes? We zijn allemaal moeders, houden allemaal van onze kinderen en hebben het beste met ze voor. Dat heeft geen geuzennaam nodig, zo bijzonder zijn we ook weer niet.

Loedermoeder versus de perfecte moeder

Waar hetkind in tas eerst leek of dat elke moeder maar moest voldoen aan het plaatje van de perfecte moeder, zie ik nu ineens moeders opscheppen over hun faalmomenten als moeder. Hartstikke leuk om te lezen natuurlijk, ontzettend herkenbaar, want iedereen heeft die momenten wel. Maar is het nu ineens ‘fout’ om alleen je mooie momenten te delen? Of als je nou echt een prachtig gezin hebt waarin iedereen fotogeniek en geweldig is (ja, die gezinnen bestaan gewoon!), mag je dan niet meer trots zijn?

Het moederschap is geen wedstrijd, doe gewoon je ding en deel wat je wilt, maar doe het alsjeblieft niet om aan andermans plaatje te kunnen voldoen.

Wil je echt een loedermoeder genoemd worden?

Kreng, viswijf, feeks, kuttenkop, mispunt, secreet, pleurislijer. Zomaar wat synoniemen voor een loeder. Zou je je eigen moeder zo noemen? Of hoe zou je het vinden als professionals zo over je praten? Als je je dreumes zo uit bed aan de leidster van het kinderdagverblijf met volle luier overdraagt en ze reageert met: ‘Ach ja, je bent kuttenkop van een moeder of niet hè!’ Even lekker makkelijk dubbel parkeren om je kind snel op het schoolplein te droppen, omdat je dan op tijd op je werk kunt komen. ‘Zie je dat luie kreng nou weer haar zoontje dumpen vanuit de auto?’

Met mijn studenten bespreken we regelmatig situaties die ze tegenkomen in de kinderopvang en het onderwijs. En omdat de maatschappij nou eenmaal zo werkt, hebben ook zij hun vooroordelen over ouders die de opvoeding net even iets anders aanpakken dan ‘hoe het zou moeten’. Gelukkig ontdekken ze gaandeweg wel dat je niet om elk wissewasje jeugdzorg hoeft in te schakelen en dat het in gesprek gaan met ouders wederzijds begrip oplevert en het de vooroordelen wegneemt. Maar als moeders zelf graag loedermoeder genoemd willen worden, voor wie zitten wij dan zo ons best te doen om de toekomstige pedagogisch medewerkers te leren objectief naar ouders en kinderen te kijken?

Als je faalt in het opvoeden…

Inmiddels weet ik zelf dat ik een geweldige moeder kan zijn, ook al heb ik mijn kinderen niet leren fietsen, kan ik niet mee als begeleider bij schoolreisjes en zit een potje samen voetballen er ook niet in.
Maar ik weet nog goed hoe dat besef tot me doordrong, dat ik niet de moeder kon zijn die ik voor ogen had. Ik was foto’s aan het uitzoeken voor het fotoalbum voor mijn kinderen en ineens viel het me op dat ik bijna nergens op de foto’s stond. Bij al die leuke dingen die we als gezin deden, stond ik langs de zijlijn. Voordat ik daar mijn weg in gevonden had, zijn er wel een paar jaar voorbij gegaan. Het was echt niet makkelijk om die knop om te zetten en in te zien dat ik er wèl toe deed als moeder, ondanks mijn beperkingen.

Waag het dus niet om mij een loedermoeder te noemen.

En waar het in mijn geval EDS was waardoor ik niet de moeder kon zijn die ik wilde zijn, zal dit waarschijnlijk bij moeders met andere fysieke klachten, of juist psychische klachten, net zo goed voor kunnen komen. En soms zijn het gewoon de omstandigheden die ervoor zorgen dat je je als moeder voelt falen, bijvoorbeeld een lastige scheiding of het leven in armoede.

Niet zo serieus joh!

Maar zo zwaar is het ook allemaal niet, wat loedermoeders beschrijven als loedermoedergedrag is echt niet zo extreem. Loedermoeders zijn doodgewone moeders, die ook nog eens gewoon mens zijn.

Ik snap wel dat het begrip luchtiger bedoeld is dan waar ik nu over schrijf. Maar als je het hebt over het willen opnemen van het woord in het woordenboek en er zoveel aandacht aan besteed in de media, dan gaat dat woord te pas en te onpas gebruikt worden en daar ben ik niet zo’n voorstander voor. Want het blijft gewoon een scheldwoord en we zijn nog steeds bezig met het plaatsen van mensen in hokjes.

Kende je het fenomeen loedermoeder nog niet en wil je graag de andere kant van het verhaal lezen? Elizabeth schreef pas over waarom zij wel een trotse loedermoeder is en in haar blog zijn nog meer linkjes naar artikelen te vinden.

En over hokjes gesproken: Hoe zie jij je als moeder (of vader natuurlijk)? Doe jij er moeite voor om aan een bepaald imago te voldoen?