Berichten

laptop agenda to doIn het onderwijs wordt er regelmatig aandacht besteed aan 21e eeuwse vaardigheden. Het idee erachter is dat we in de moderne tijd waarin we leven, andere vaardigheden nodig hebben dan voorheen aangeleerd werden. Sommige beroepen waar studenten nu voor opgeleid worden, zullen er op een gegeven moment niet meer zijn. Die 21e eeuwse vaardigheden kunnen in alle beroepen nuttig zijn, zodat studenten toch voorbereid zijn op de toekomst.

Maar los van school en werk, denk ik dat het juist ook goed is voor chronisch zieken om zich bewust te zijn van deze 21e eeuwse vaardigheden. En ze wellicht ook verder te ontwikkelen.

Dit filmpje laat in het kort zien wat die 21e eeuwse vaardigheden inhouden. Meer is te lezen op de website van SLO. De omschrijvingen die in dit artikel per vaardigheid te lezen zijn, komen hier ook vandaan.

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Wanneer je chronisch ziek bent, zul je keer op keer met tegenslagen en veranderingen te maken hebben. Daar is geen handleiding voor. Je kan dan bij de pakken neer zitten, maar daar schiet je niets mee op.

Kritisch denken

Bij kritisch denken gaat het om het vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk, maar ook houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen spelen een essentiële rol.

Is het wel of niet verstandig om weer voor een nieuwe behandeling of operatie te gaan? Hoe hou je belasting en belastbaarheid in balans? Genoeg denkvoer om eindeloos over te piekeren. Maar de kunst is om ook knopen door te hakken op basis van die afwegingen. Niet gemakkelijk, kan ik je wel zeggen.

Creatief denken

Creatief denken en handelen is het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.

Geen mens is hetzelfde en wat voor de één een goede oplossing zal zijn, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Zeker bij aandoeningen die niet zoveel voorkomen, hebben behandelaars ook niet altijd een geschikt antwoord.

Door out-of-the-box te denken en risico’s te durven nemen, kom je soms tot ideeën die je leven een stuk makkelijker maken. Om even een simpel voorbeeld te geven: het je al eens gezien hoe ik mijn rolstoel meeneem op mijn scooter?

Probleem oplossend denken

Probleemoplossend denken en handelen is het vermogen om een probleem te (h)erkennen en tot een plan te komen om het probleem op te lossen.

Daarbij is het proces dat leidt tot het oplossen van het probleem belangrijker dan het vinden van de oplossing zelf.

Wanneer je strategieën kunt bedenken om tot een oplossing te komen voor het ene probleem, kun je deze ook toepassen bij andere problemen.

Computational thinking

Computational thinking is het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie het probleem op te lossen. Het gaat daarbij om een verzameling van denkprocessen waarbij probleemformulering, gegevensorganisatie, -analyse en -representatie worden gebruikt voor het oplossen van problemen met behulp van ICT-technieken en -gereedschappen.

Denk bijvoorbeeld aan al die apps gericht op gezondheid. Revalidatieapps heeft hier al een aardig overzicht in gemaakt. Een activiteitenweger, pijndagboek, calorieënteller, stappenteller, mindfulness en andere oefeningen, voor van alles is er wel een app. En met bijbehorende gadgets kun je nog meer inzicht krijgen in je gezondheid, zoals je slaap analyseren.

Informatievaardigheden

Informatievaardigheden omvat het scherp kunnen formuleren en analyseren van informatie uit bronnen, het op basis hiervan kritisch en systematisch zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en verwijzen van relevante informatie en deze op bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen en evalueren. In de context van 21e-eeuwse vaardigheden gaat het hierbij vaak om digitale bronnen.

In de weg naar een diagnose en ook daarna zul je als chronisch zieke flink wat tijd hebben doorgebracht op Google. Waar komen mijn klachten vandaan? Bij wie moet ik zijn voor diagnose en behandeling? Wat staat me nog meer te wachten?

Al die digitale bronnen maken jou nog steeds geen arts. Maar het kan je wel helpen om je gerichter door te laten verwijzen.

En bedenk ook dat niet elke bron even betrouwbaar is. De ene richt zich meer op wetenschappelijke feiten en de ander meer op opinie. Het is dan maar net welke informatie je nodig hebt. Wat betreft relevante informatie over aandoeningen zou ik websites van patiëntenverenigingen (zowel nationaal als internationaal) eerder aanraden dan Wikipedia.

Wordt vervolgd…

De oplettende lezer ziet dat er nog een stuk of 5 vaardigheden overblijven. Om alles in één keer te beschrijven, zou tot een enorme lap tekst leiden. Dus vandaar dat er volgende week een deel 2 verschijnt met daarin de vaardigheden:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Communiceren
  • Samenwerken
  • Sociale en culturele vaardigheden

Welke vaardigheden pas jij al toe? En waar zou jij je meer in kunnen ontwikkelen?

strand Normandië

Geïnspireerd door Karen van Dejlig en indirect dus ook door Geertje van Lifesabout werd ik overgehaald om op een rijtje te zetten waar ik trots op ben.

Maar nou reageerde ik een tikkeltje arrogant bij Karen dat ik er best wel een heel blog over zou kunnen vullen en dat zij maar bescheiden is door eerst mensen uit haar omgeving te benoemen waar ze trots op is. En potverdorie, nu ik er echt voor ga zitten, bedenk ik dat ik veel meer trots ben op mijn familie en vrienden dan op mezelf.

Trots op mijn ouders, van wie ik zoveel geleerd heb (en die overigens nog steeds een geweldig huis te koop hebben staan). En op mijn broers, zussen en vriendinnen, op wat ze bereikt hebben, hoe ze in het leven staan.

Maar om het toch nog iets dichter bij mezelf te houden, zijn dit de 10 dingen waar ik mezelf een schouderklopje voor kan geven:

1. Ons gezin

Dat wat wij – mijn man en twee dochters – hier voor elkaar hebben, hebben we samen voor elkaar gekregen. Kinderen groeien niet vanzelf op tot geweldige mensen en een huwelijk is niet automatisch ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Dat vraagt om inzet, samenwerken en aanpassingsvermogen. En nu is het echt niet zo dat ik als pedagoog in huis altijd bepaal hoe dingen gebeuren. Juist het los durven laten en ruimte geven aan anderen (ook al weet ik het soms beter) zorgt voor groei in ons gezin.

2. Master Leren en Innoveren

Het is maar een papiertje, maar het staat voor zoveel. Die pittige opleiding heb ik toch maar even naast werk en gezin gedaan. En het heeft me de motivatie gegeven om te blijven leren, nieuwsgierig te blijven naar wat er nog meer mogelijk is in het onderwijs.

Het is overigens niet het eerste papiertje wat ik naast mijn werk behaald heb. Al toen ik in de gehandicaptenzorg werkte, begon ik aan de Pabo in de avonduren. Toen ik overstapte naar Pedagogiek, was ik net zwanger van mijn oudste dochter. Het laatste jaar gaf ik mijn baan op om als leraar in opleiding te kunnen werken, zodat ik meteen mijn lesbevoegdheid kon halen. Dat was dus een jaar lang een half salaris met een kind in de luiers.

Best pittig, maar het is me toch allemaal gelukt!

3. Dansen

Ik heb mezelf nooit een getalenteerd danser gevonden, maar geniet er wel heel erg van. En om dan op te mogen treden met geweldige dansers en applaus te mogen ontvangen, ja, dat maakt mij wel heel trots.

Afgelopen zomer ben ik een crowdfundingactie begonnen om zelf een dansrolstoel aan te kunnen schaffen. Dat vond ik best spannend om te doen: hadden anderen er wel geld voor over om mij die dansrolstoel te gunnen? Zien ze mijn wervingsacties niet als bedelen? Maar uiteindelijk was er zelfs meer geld gedoneerd dan ik als doel had. Dus al die twijfels waren niet nodig geweest.

4. Sociaal netwerk

Iets waar ik erg dankbaar voor ben en mijn best voor doe om vast te houden: ik heb een uitgebreid sociaal netwerk. Familie, vrienden, collega’s, oud-studiegenootjes, lotgenoten, mensen die ik ken van festivals of uitgaan, van het dansen of van de sportschool. De contacten zijn heus niet allemaal even intensief en diepgaand, maar ik kan altijd wel bij iemand aankloppen als dat nodig is. En andersom ook uiteraard.

5. Openheid

Mijn fysieke beperkingen zijn niet iets om me voor te schamen. Niet dat ik er altijd maar mee te koop loop (ok, op mijn blog misschien net iets meer, maar dat is echt maar een klein stukje van mijn echte leven), maar ik ben altijd wel bereid om vragen te beantwoorden. En dat ik daarmee ook nog eens in krant, magazine of boek kom, is natuurlijk ook wel iets om trots op te zijn.

6. Werk

Ik ben niet alleen trots op het feit dat ik nog werk, ondanks dat het fysiek niet altijd zo jofel gaat, maar ook op het werk dat ik neerzet. Ik ben niet zomaar een middelmatige docent, ik ben gewoon een goede docent. Flexibel inzetbaar, duidelijk naar studenten en collega’s, ik heb veel vakinhoudelijke kennis, kan dat op verschillende manieren overbrengen en als ik zeg dat ik iets doe, kun je er ook op vertrouwen dat ik het zal doen.

 7. Mooie jurkjes naaien

Ja, ook dat kan ik. Ik vind het een uitdaging om een mooi stofje te vinden en daar een prachtige jurk van te maken. Elke jurk heeft zo iets unieks en past helemaal bij mij.

Ik heb er nooit een studie of cursus in gedaan. Het meeste heb ik geleerd door het vooral veel te proberen en heel veel fouten te maken. Youtube met z’n enorme hoeveelheid aan tutorials moet ik wel nog wat credits geven.

8. Gezond en sportief bezig zijn

Van nature ben ik een levensgenieter en ik geniet dan vooral van lekker eten en drinken. Maar omdat het goed voor me is, let ik meer op mijn eetgewoontes en probeer ik zoveel mogelijk te bewegen. Dat resulteert in wat kilootjes eraf en flink wat actieve uurtjes in de week. En daar ben ik trots op. Want het is echt niet zo dat ik het altijd leuk vind om naar de sportschool te gaan, of een stuk fruit te nemen in plaats van een reep chocola. Maar juist dat ik het toch doe, ondanks dat er leukere en lekkerdere dingen zijn, maakt mij trots.

9. Grenzen aangeven

Nee, hier heb ik echt nog geen master in behaald, ik vind het aangeven van mijn grenzen nog steeds moeilijk. Vooral om ‘nee’ te moeten zeggen tegen leuke dingen. Maar omdat het nou eenmaal wèl goed is voor mijn lijf om zo nu en dan voor mezelf te kiezen, doe ik hier erg mijn best voor. En dat gaat me steeds beter af, dus daar ben ik ook trots op.

10. Doorzettingsvermogen

Ik denk dat dit is wat er voor heeft gezorgd om al het andere te kunnen bereiken. Zonder doorzettingsvermogen was ik echt niet zover gekomen. Dan was ik na één mislukt jurkje gestopt met naaien. Had ik er nooit aan gedacht om in een rolstoel te dansen of om aan een opleiding te beginnen naast mijn werk.

Niets is me zomaar aan komen waaien, maar je ziet wat je kan bereiken met een beetje doorzetten! En ik hoop zo dat mijn kinderen dit ook zullen oppikken. Niet alleen maar voor de makkelijke weg gaan, maar juist de uitdagingen opzoeken om er het beste van te maken.

En jij, waar ben jij trots op?

RCN Zeewolde VeluwemeerAls er iets anders is aan je dan heb je er vast weleens mee te maken gehad: starende blikken, geroddel achter je rug om of ongepaste vragen. Of je nu dik of dun bent, in een rolstoel zit of juist een onzichtbare ziekte hebt, het valt mensen op en ze vinden er iets van. En vervolgens vinden de mensen die het slachtoffer zijn van dat gestaar, gevraag en geroddel daar ook weer wat van. Maar door er alleen maar wat van te vinden en zeggen hoe het niet moet, kom je nog niet tot meer begrip.

Starende blikken

Op Plus een beetje stond een artikel over hoe vervelend het is als je aangestaard wordt vanwege lipoedeem. Gelukkig laat ze zich niet tegenhouden om toch gewoon die leuke jurkjes en laarzen te dragen, maar ik snap heel goed dat het haar onzeker kan maken.

Zelf ben ik best een poos onzeker geweest over hoe ik eruit zag, vooral toen ik als kind gepest werd. Op een gegeven moment vul je dan al van alles in, terwijl iemand misschien alleen maar toevallig je kant op kijkt. Ik heb ook een tijd gedacht: als ze dan toch al kijken, dan geef ik ze wel wat om naar te kijken ook. En dat heeft hele bijzondere kledingkeuzes opgeleverd…

Tegenwoordig kan ik de starende blikken goed van me af laten glijden. Ik maak er een spel door terug te staren, eens zien wie het langst kan staren. Of ik hou mezelf voor dat ze me nastaren omdat ik er zo ongelooflijk goed uitzie. Dat is natuurlijk een beetje gekkigheid, maar ik voel me er in ieder geval niet onzekerder door.

Ik laat me door de starende blikken in ieder geval niet weerhouden om mezelf te zijn. Want ook al kijken anderen vreemd op als ik opsta uit mijn rolstoel en vervolgens een stukje ga lopen, voor mij werkt dat soms beter. Ik vertik het om passief in mijn rolstoel te blijven zitten, alleen om aan het standaardplaatje van een rolstoelgebruiker te voldoen.

Ongepaste vragen

Tania beschreef juist hoe vervelend ze het vond om ongepaste vragen te krijgen van wildvreemden. Wat mij dan weer opviel, is dat ik de vragen die zij voorgeschoteld kreeg, zelf niet als ongepast zou ervaren. Misschien eerder juist wel als interesse of beleefdheid. Toch ook gek hoe verschillend dat dan ervaren kan worden. Alhoewel dat natuurlijk wel te verklaren is. Vanuit de cultuur waar je in opgegroeid bent, het referentiekader wat je opgebouwd hebt, vorm je je een beeld van wat wel en niet door de beugel kan.

Ik hou van de Rotterdamse directheid en betrap mezelf soms wel eens dat ik daarin bij anderen een grens overschrijd. Maar bij mij kun je niet veel verkeerd doen als je aan me vraagt waarom ik de ene keer in een rolstoel zit en de andere keer gewoon loop. Sommige vragen gaan bij mij wel een grens over. Het gaat bijvoorbeeld niemand wat aan hoe EDS mijn seksleven beïnvloedt. Als je daarnaar gaat vragen, kun je een vrij directe reactie terug verwachten. Gelukkig snappen de meeste mensen dat wel en heb ik die vraag nog niet gekregen.

Om de openheid van kinderen met hun vragen en opmerkingen kan ik alleen maar lachen. Waarom ik op een skelter rij, of dat de dokter mij wel beter kan maken en ik dan niet meer in een rolstoel hoef. Voor die kinderen zijn dat logische dingen en ik vind het niet vervelend om het aan ze uit te leggen als ze daarin geïnteresseerd zijn.

Gepraat achter je rug om

Ja, lastig om hier wat van te zeggen. Want als ze het goed doen, heb je het niet door dat ze het doen. En ik denk ook niet dat het te voorkomen is dat het gebeurt. Vaak hoeft het ook niet slecht bedoeld te zijn. Er wordt heus wel eens aan mijn man, ouders, vriendinnen of collega’s gevraagd hoe het nu met mij gaat. En dan praten ze over mij, waar ik niet bij ben. Maar ik zie dit nog steeds als interesse, niet als geroddel.

Ik denk ook dat het voor mensen lastig is om die drempel over te gaan en mij direct dat te vragen waar ze nieuwsgierig naar zijn. Zoals ik hierboven ook al schreef: mensen kunnen vragen verschillend opvatten en niet iedereen is ervan gediend. Dan voelt het soms veiliger om het eerst met een ander te bespreken.

Maar als er echt bewust negatief over me geroddeld wordt, ja dat vind ik wel heel vervelend. Nog steeds zegt dat meer over die persoon dan over mij, maar als er zo een beeld over mij gecreëerd wordt wat niet klopt, ben ik er wel de dupe van.

Wat is voor mij dan wèl gepast gedrag?

Vul niet voor mij in hoe ik in elkaar zit of waar ik last van heb, laat het ook niet door een ander invullen, maar vraag het mij gewoon. Dat is in ieder geval de manier die bij mij het beste werkt.

Maar of dat ook zo werkt bij een ander, daar kom je ook maar op één manier achter: vraag het. En het hangt er dan ook wel vanaf hoe je je vraag stelt. Suggestieve of veroordelende vragen zullen niet snel goed in de aarde vallen. ‘Waarom zou je dat nou weer willen? Komt het doordat je zoveel overgewicht hebt? Kun je niet gewoon meer trainen?’ 

Begin dan liever met ‘Mag ik je wat vragen over …..?’ Dan weet je meteen of je vraag daarna wel of niet welkom is. En respecteer het dan ook als de vraag niet welkom is.

Welk gedrag vind jij ongepast? En hoe zou je dat liever zien?

Zo blijven we gaan met al die ‘weken van…’. En nu bijna aan het einde van de kinderboekenweek wilde ik wat delen over mijn favoriete kinderboeken. Want alhoewel mijn kinderen ze een beetje ontgroeid zijn, ben ik nog steeds fan van prentenboeken.

Lesgeven in voorlezen

Gelukkig kan ik mijn ei nog een beetje kwijt in mijn werk. Wanneer ik lesgeef over Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), komt het voorlezen altijd een keer uitgebreid aan bod. En ja, ik geef mijn studenten dan dus een cijfer voor hoe zij interactief voorlezen en hoe ze zelf een kamishibai, praatplaat of digitaal prentenboek bij een bestaand prentenboek maken en gebruiken. Geen idee waar ik het over heb? Bekijk dan eens de onderstaande Prezi met bijbehorende filmpjes.

Natuurlijk hebben we op school een aardig voorraadje boeken, maar niets leest beter voor dan je favoriete boeken. Daarom neem ik er altijd een paar van thuis mee. Als studenten een kinderboek meenemen, is het er vaak één van hun stage. Van huis uit werd/wordt er bij deze groep niet bijzonder veel gelezen. De studenten die lid zijn van de bibliotheek zijn op één hand te tellen. Jammer, want zij zijn wel degenen die hun enthousiasme voor lezen en taal door kunnen geven aan de volgende generaties.

Sommige van mijn studenten zijn natuurtalenten als het gaat om voorlezen, maar er zijn er toch ook die zich er erg onzeker bij voelen. Doordat ze de taal zelf niet goed beheersen en moeite hebben met de uitspraak, of doordat hun dyslexie het vloeiend kunnen lezen in de weg zit, of sowieso het spreken voor een groep wat als spannend ervaren wordt.

Ik dwaal een beetje af. Maar zoals ik al zei: dit is mijn ei en ik wil het kwijt.

Maar nu over naar de prentenboeken!

Fiets

Dit boekje is ooit uitgegeven als kinderboekenweekgeschenk en ik vind ‘m helemaal geweldig! Het is een boekje zonder tekst, dus het verhaal kun je er zelf zo lang of kort maken als je zelf wilt. Ook een goede tip voor mijn studenten die moeite hebben met lezen, maar zo wel kunnen vertellen.

Heel kort gezegd gaat het verhaal over een jongen die na een feestje ontdekt dat zijn fiets gestolen is en er van alles aan doet om ‘m terug te krijgen. En wat ik er persoonlijk erg leuk aan vind, is dat je er zoveel verschillende soorten fietsen in tegenkomt. Ik hou gewoon van fietsen.

 Elmer

Een echte klassieker die je in je kast moet hebben. Elmer de olifant is anders dan de rest en dat is maar goed ook. Als iedereen maar grijs en grauw zou zijn, zou het een saaie boel zijn.

Mooie plaatjes met niet teveel tekst en daardoor goed geschikt voor peuters of jonge kleuters. Maar als je dieper op het verhaal in wil gaan, is het zeker ook interessant voor oudere kleuters.

 

Wat Faust zag

De hond Faust ziet ‘s nachts van alles gebeuren en wil zijn baasjes waarschuwen. Maar die zitten niet op zijn geblaf te wachten en gooien ‘m naar buiten.

Het leuke aan dit boek vind ik hoe de tekst in de plaatjes is verwerkt. Sommige woorden zijn groot, sommige klein, sommige schuin of dik gedrukt. Het helpt de minder ervaren voorlezers om hun stemgebruik aan te passen aan wat er gebeurt in het verhaal en het zo wat spannender te maken.

Ga je mee?

Ja, alweer een boek van Charlotte Dematons. Stiekem ben ik gewoon een beetje fan van haar boeken. Prachtige prenten en verhaal waarin de kinderen meegenomen kunnen worden. Dit verhaal gaat over een jongen die allerlei avonturen beleeft onderweg naar de winkel en waarin fantasie en werkelijkheid door elkaar heen lopen.

Een ideaal boek om één op één voor te lezen, of met een paar kinderen. Op bijna elke bladzijde staat namelijk wel een opdracht voor de luisteraar en de prenten zijn soms net een zoekplaat. Daarvoor is het wel handig om de kinderen dichtbij te hebben, zodat je ze echt mee kan nemen in het verhaal.

Wij gaan op berenjacht

Een boek waarbij je niet hoeft stil te zitten, maar juist kan stampen met je voeten en kan zwaaien met je armen. Want terwijl dit gezin op berenjacht gaat, komen ze allerlei hindernissen tegen waar ze wel dwars doorheen moeten.

Wij hadden de kartonnen versie van dit boek en dat was een goede keus. Met alle herhalingen in de tekst en het uitnodigen tot bewegen is dit een ideaal boek voor peuters. Lekker wild doen mag en daar kan een kartonnen boek goed tegen.

Klein-Mannetje heeft geen huis

Nadat het huis van Klein-Mannetje een hoosbui niet heeft overleefd, gaat hij op zoek naar een nieuw huis. Zo komt hij langs zijn dierenvrienden en hun huizen tot hij een huis vindt wat echt bij hem past.

Dit boek is ontzettend leuk om een verteltafel bij te maken, in de klas of thuis. Kinderen kunnen de materialen en personages verzamelen of zelf maken en dan het verhaal naspelen.

De Gruffalo

De muis voorkomt dat hij wordt opgegeten door de dieren in het bos, door ze bang te maken met grote verhalen over de Gruffalo. Maar die Gruffalo bestaat toch niet echt… of wel?

Een leuk, spannend verhaal met veel herhaling in de tekst.

Wij hadden ook ooit een cd met liedjes over prentenboeken, gezongen door Hakim van Sesamstraat. Daar stond ook een liedje over de Gruffalo op, die moet je even luisteren. Blijft heerlijk in je hoofd hangen, haha!

Het kleine kikkervisje

Terwijl het kleine kikkervisje langzaam verandert in een kikker, komt hij allerlei dieren tegen die prachtig kunnen springen. Iets wat hij ook graag wil, maar hij moet nog wat geduld hebben.

Om dit boek nog meer tot leven te laten komen, zou je zelf een bak met kikkerdril in huis kunnen halen. Zo kun je steeds de metamorfose van het kleine kikkervisje vergelijken met de kikkervisjes die in de bak zitten. Tot ze echt gaan springen natuurlijk.

Of wat dacht je van een springspel: springen als de dieren in het boek en daarbij de tekst uit het boek gebruiken: Hipperde-hop en hij landde met een plop.

Mijn favoriete prentenboek

Om er maar één te moeten kiezen als favoriete kinderboek voor de 30 Day Blog Challenge van Hare Maristeit, vond erg lastig. Ik heb een kast vol geweldige prentenboeken en om tot maar acht te komen, vond ik al een hele prestatie.

Tja, als ik dan toch zou moeten kiezen, dan kies ik voor: Wij gaan op berenjacht. Heerlijk om een peuter hierbij op schoot te hebben en al zwiepend en plonzend tot aan de laatste bladzijdes te komen en het daar nog even extra spannend te maken.

Toch eens vragen of mijn meiden van 9 en 13 daar niet ook weer eens zin in hebben… 😉

De kinderboekenweek 2016 duurt nog tot 16 oktober en bij besteding vanaf 10 euro krijg je het kinderboekenweekgeschenk Oorlog en vriendschap door Dolf Verroen. En raad eens wie dit boek geïllustreerd heeft? Charlotte Dematons!

Ook is er speciaal voor de kinderboekenweek een klein prentenboek gemaakt door Floor Rieder: Waar is Ludwig?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

gezelschapspelletjes uno kaartspelOver het algemeen kunnen mijn meiden (9 en 13 jaar) zich prima zelf vermaken. Maar het is wel zo gezellig om af en toe samen een spel te doen. Maar er zijn dagen dat zelfs gezelschapsspelletjes aan tafel te vermoeiend voor me zijn. Zeker na een werkdag ben ik allang blij dat ik het red om tijdens het avondeten tot en met het toetje aan tafel te kunnen blijven zitten.

Er zijn weleens momenten geweest dat ik het gevoel had aan de zijlijn te staan: mijn gezin ging vrolijk verder terwijl ik languit op de bank lag.
Maar ook al lig ik languit op de bank, dan nog kan ik meedoen met mijn gezin. En vandaag besloot ik die meiden vanachter hun beeldscherm weg te trekken en een stapel spelletjes te testen: welke zijn geschikt om languit op de bank (of vanuit je luie stoel) te kunnen spelen?

Mijn oudste dochter heeft een selectie gemaakt van spelletjes welke we uitgeprobeerd hebben, dit was ons oordeel:

Wie is het?

Met een hoekbank is het even puzzelen wie waar gaat zitten/liggen, zodat je niet op elkaars bord kan kijken. Maar het bord kan makkelijk op je schoot blijven staan en op het ene kaartje na, zijn er geen losse onderdelen die makkelijk van het bord af vallen.

Galgje

Er zullen vast handigere versies zijn dan die wij hebben, is er ook niet een reiseditie van of zoiets? Met al die losse lettertjes in een grote doos verdwijnen er al snel een paar tussen de kussens van de bank. Waarschijnlijk is ouderwets met pen en papier galgje spelen een stuk praktischer. Dat ik het woord ‘aquarel’ niet kon raden voordat mijn poppetje aan de galg hing, heeft er natuurlijk niks mee te maken dat ik niet zo enthousiast ben over dit spel.

Boggle

Een compact spel werkt altijd goed als je geen tafel in de buurt hebt. Ook zonder stabiele ondergrond blijven de dobbelstenen op hun plek in het bakje. Ik heb alleen weer verloren, al was het maar met één punt verschil.

Rozenkoning

Dit is misschien niet zo’n bekend spel, maar hier in huis favoriet. Het is een bordspel waarbij je een zo groot mogelijk gebied moet veroveren met steentjes van jouw kleur en met behulp van kaartjes die de richting en het aantal passen aangeven. Alleen is het dus een groot bordspel, waardoor er op de bank niet veel plek meer is om de steentjes en kaartjes kwijt te kunnen. En met een stuiterende negenjarige in de buurt, loop je wel het risico dat het bord met steentjes en al van de bank af stuitert. Maar met een iets minder stuiterende dertienjarige is het wel te doen. En ik won, dus het is een leuk spel.

Sketch!

Ik weet eigenlijk niet wat het verschil tussen Sketch! en Pictionary is, volgens mij de kinderen ook niet en we zijn allemaal te lui om de gebruiksaanwijzing goed te lezen, dus doen we maar wat. Maar het gaat prima op de bank: de kaartjes kunnen in de doos blijven liggen en de bordjes om op te tekenen kun je makkelijk in je hand of op schoot houden.

Uno

Eigenlijk zijn kaartspellen altijd goed. Je hebt er niet veel ruimte voor nodig om het te spelen, of op te bergen. Op vakantie gaat dit spel (en andere kaartspellen) ook altijd mee. Met kaarten hoef ik niks op schoot te houden en kan ik, als ik wil, plat blijven liggen.

Conclusie

Hoe compacter het spel, hoe beter. Uno kwam als beste uit de bus, maar Boggle en Sketch! waren ook goed te doen. En de grote bordspellen bewaren we dan wel voor de dagen dat ik langer aan de eettafel kan zitten.

Zijn je kids jonger en nog niet toe aan dit soort spellen? Mammatien heeft vijf super simpele speeltips op een rijtje gezet waarbij je als moeder met beperking nog steeds die nodige aandacht kan geven.

Loedermoeder is een soort geuzennaam geworden om tegengas te geven aan alle perfecte plaatjes die moeders via sociale media en blogs delen. En ik heb ook niks tegen dat tegengas geven, maar heb wel het idee dat het inmiddels het tegenovergestelde doet.
Want wat is er mis met moeders gewoon in hun waarde laten, met of zonder hun perfecte plaatjes? We zijn allemaal moeders, houden allemaal van onze kinderen en hebben het beste met ze voor. Dat heeft geen geuzennaam nodig, zo bijzonder zijn we ook weer niet.

Loedermoeder versus de perfecte moeder

Waar hetkind in tas eerst leek of dat elke moeder maar moest voldoen aan het plaatje van de perfecte moeder, zie ik nu ineens moeders opscheppen over hun faalmomenten als moeder. Hartstikke leuk om te lezen natuurlijk, ontzettend herkenbaar, want iedereen heeft die momenten wel. Maar is het nu ineens ‘fout’ om alleen je mooie momenten te delen? Of als je nou echt een prachtig gezin hebt waarin iedereen fotogeniek en geweldig is (ja, die gezinnen bestaan gewoon!), mag je dan niet meer trots zijn?

Het moederschap is geen wedstrijd, doe gewoon je ding en deel wat je wilt, maar doe het alsjeblieft niet om aan andermans plaatje te kunnen voldoen.

Wil je echt een loedermoeder genoemd worden?

Kreng, viswijf, feeks, kuttenkop, mispunt, secreet, pleurislijer. Zomaar wat synoniemen voor een loeder. Zou je je eigen moeder zo noemen? Of hoe zou je het vinden als professionals zo over je praten? Als je je dreumes zo uit bed aan de leidster van het kinderdagverblijf met volle luier overdraagt en ze reageert met: ‘Ach ja, je bent kuttenkop van een moeder of niet hè!’ Even lekker makkelijk dubbel parkeren om je kind snel op het schoolplein te droppen, omdat je dan op tijd op je werk kunt komen. ‘Zie je dat luie kreng nou weer haar zoontje dumpen vanuit de auto?’

Met mijn studenten bespreken we regelmatig situaties die ze tegenkomen in de kinderopvang en het onderwijs. En omdat de maatschappij nou eenmaal zo werkt, hebben ook zij hun vooroordelen over ouders die de opvoeding net even iets anders aanpakken dan ‘hoe het zou moeten’. Gelukkig ontdekken ze gaandeweg wel dat je niet om elk wissewasje jeugdzorg hoeft in te schakelen en dat het in gesprek gaan met ouders wederzijds begrip oplevert en het de vooroordelen wegneemt. Maar als moeders zelf graag loedermoeder genoemd willen worden, voor wie zitten wij dan zo ons best te doen om de toekomstige pedagogisch medewerkers te leren objectief naar ouders en kinderen te kijken?

Als je faalt in het opvoeden…

Inmiddels weet ik zelf dat ik een geweldige moeder kan zijn, ook al heb ik mijn kinderen niet leren fietsen, kan ik niet mee als begeleider bij schoolreisjes en zit een potje samen voetballen er ook niet in.
Maar ik weet nog goed hoe dat besef tot me doordrong, dat ik niet de moeder kon zijn die ik voor ogen had. Ik was foto’s aan het uitzoeken voor het fotoalbum voor mijn kinderen en ineens viel het me op dat ik bijna nergens op de foto’s stond. Bij al die leuke dingen die we als gezin deden, stond ik langs de zijlijn. Voordat ik daar mijn weg in gevonden had, zijn er wel een paar jaar voorbij gegaan. Het was echt niet makkelijk om die knop om te zetten en in te zien dat ik er wèl toe deed als moeder, ondanks mijn beperkingen.

Waag het dus niet om mij een loedermoeder te noemen.

En waar het in mijn geval EDS was waardoor ik niet de moeder kon zijn die ik wilde zijn, zal dit waarschijnlijk bij moeders met andere fysieke klachten, of juist psychische klachten, net zo goed voor kunnen komen. En soms zijn het gewoon de omstandigheden die ervoor zorgen dat je je als moeder voelt falen, bijvoorbeeld een lastige scheiding of het leven in armoede.

Niet zo serieus joh!

Maar zo zwaar is het ook allemaal niet, wat loedermoeders beschrijven als loedermoedergedrag is echt niet zo extreem. Loedermoeders zijn doodgewone moeders, die ook nog eens gewoon mens zijn.

Ik snap wel dat het begrip luchtiger bedoeld is dan waar ik nu over schrijf. Maar als je het hebt over het willen opnemen van het woord in het woordenboek en er zoveel aandacht aan besteed in de media, dan gaat dat woord te pas en te onpas gebruikt worden en daar ben ik niet zo’n voorstander voor. Want het blijft gewoon een scheldwoord en we zijn nog steeds bezig met het plaatsen van mensen in hokjes.

Kende je het fenomeen loedermoeder nog niet en wil je graag de andere kant van het verhaal lezen? Elizabeth schreef pas over waarom zij wel een trotse loedermoeder is en in haar blog zijn nog meer linkjes naar artikelen te vinden.

En over hokjes gesproken: Hoe zie jij je als moeder (of vader natuurlijk)? Doe jij er moeite voor om aan een bepaald imago te voldoen?

 

mijn ouders

Morgen zijn mijn ouders 40 jaar getrouwd en dat vond ik wel een goede reden om eens een blog aan hen te wijden. We zijn niet zulke praters en eigenlijk zeg ik te weinig dat ik van ze hou en trots op ze ben. Maar ik weet dat mijn moeder mijn blogs leest, dus dat scheelt, hoef ik het weer een poosje niet te zeggen. En zonder nu meteen ons hele levensverhaal online te zetten, wilde ik een paar lessen benoemen die ik van mijn ouders geleerd heb.

1. Zonder auto kom je er ook wel

Het lijkt tegenwoordig wel ondenkbaar, maar van de 40 jaar dat ze samen zijn, hebben mijn ouders het grootste gedeelte geen auto gehad. Nou pasten we met ons gezin van zeven ook niet in elke auto, maar er waren genoeg alternatieven. We fietsten en wandelden veel of namen de trein. Ik ben nog steeds geen fan van de auto en stap veel liever op mijn fiets of scooter als het weer het toelaat.

2. Als je het niet kan betalen, spaar er dan voor

Als je iets echt graag wil, dan is het de moeite waard om het uit te stellen en te wachten tot je genoeg gespaard hebt om het zelf te kunnen kopen. Natuurlijk is het voor sommige dingen wel nodig en heb ik ook wel eens geld mogen lenen van mijn ouders (bijvoorbeeld om collegegeld te kunnen betalen), maar met zuinig leven gaat het sparen snel genoeg.

3.  Talenten/hobby’s ontdekken

Alhoewel goed presteren op school wel zo’n beetje bovenaan stond, kregen we als kinderen de ruimte om op het gebied van sport, muziek, creativiteit, kunst en cultuur van alles te ontdekken. Nou was niet alles voor iedereen weggelegd: ik ben ondanks de blokfluit-, orgel- en keyboardlessen nog steeds niet zo muzikaal. Maar het kunnen naaien van kleding heb ik onder andere aan mijn moeder te danken, bij wie ik met restjes stof op haar naaimachine mocht aanrommelen.23

4. Naastenliefde

Mijn ouders hebben erg hun best gedaan op onze christelijke opvoeding. En alhoewel hun manier van geloven niet mijn manier is, vind ik naastenliefde een mooi streven. Als iedereen een ander zou behandelen zoals je zelf behandeld wil worden, zouden er een stuk minder problemen in de wereld zijn.

5. Familieband is blijvend

Met vriendinnen heb ik het er weleens over, de band die ik met mijn ouders heb, is anders dan die zij hebben met hun ouders. We lopen elkaars deur niet plat, delen niet alles met elkaar, maar het maakt voor mij niet dat ik minder van ze hou. Als ik ze nodig heb, zijn ze er voor me en andersom hoop ik dat ze dat bij mij ook zo ervaren. We vinden elkaar altijd wel weer terug, ook als er een lange periode tussen zit.

6. Je bent goed zoals je bent

Wat ik het meest bewonder aan mijn ouders, is dat ze hun ‘zo hoort het nu eenmaal te gaan’ hebben kunnen ombuigen naar ‘zo kan het ook’. Dat klinkt heel simpel, maar ik kan me goed voorstellen dat het niet zo makkelijk zal zijn gegaan, van verschillende kanten trouwens.

Als ouder heb je een bepaald beeld waarvan je hoopt dat je kinderen daaraan zullen voldoen, omdat je denkt dat het hen ook gelukkig maakt. Andersom maakt dat voor kinderen lastig om (soms letterlijk) uit de kast te komen en uit te leggen dat het iets anders is wat je gelukkig maakt dan wat je ouders voor ogen hadden. Inmiddels weet ik dat mijn ouders me niet meer zien als die opstandige puberdochter, maar trots zijn op wat ik bereikt heb, net zo goed als dat ze trots zijn op hun andere kinderen en kleinkinderen. En dat is fijn om te weten.

7. Rollen liggen niet vast

Heel lang (en eigenlijk nog steeds wel) heb ik de neiging gehad om mezelf te moeten bewijzen: Ik kan het zelf wel, ik heb niemand nodig en ik kan een prima leven leiden op mijn manier. Dat veranderde stukje bij beetje toen ik zelf moeder werd, het om hulp vragen gaat me steeds iets beter af. De rol van opa en oma staat mijn ouders bijzonder goed, de kinderen zijn gek op ze. Het voelt ook niet of ik iets vervelends van ze vraag als ik een keer oppas nodig heb.

En nu het fysiek steeds iets minder gaat met mij, laat zelfs mijn vader zich van zijn zorgzame kant zien. Natuurlijk doe ik nog steeds net alsof het me niks doet, maar stiekem vond ik het wel bijzonder toen hij mijn rolstoel de halve dierentuin door duwde.

 

Twintig jaar geleden had ik vast niet kunnen bedenken dat ik dit nu zou schrijven over mijn ouders. En nog vind ik het wel spannend: misschien sla ik de plank wel helemaal mis, of raak ik een gevoelige snaar waardoor ik morgen niet meer welkom ben op het feestje… Ach, dat zal wel meevallen, vergeleken met het ABC’tje wat ze te wachten staat is dit stukje tekst nog aardig te doen. 😉

Wat is voor jou het belangrijkste wat je ouders je hebben meegegeven?

Als docent pedagogiek leer ik mijn studenten onder andere het balansmodel: sommige factoren verzwaren de taak om een kind op te voeden en staan ontwikkeling in de weg, andere factoren maken dit lichter. Zoals je in bovenstaand schema (afkomstig uit het boek ‘Samen Verschillend’) ziet, staat de zieke ouder aan de kant van draaglast en in heel veel gevallen zal het ook een flinke klus zijn om met een chronische ziekte een kind op te voeden. Maar ik wil nu juist laten zien dat het ook anders kan: dat het mij als ouder sterker maakt en mijn kinderen daardoor een voorsprong geeft.

1. Het zorgen voor elkaar is een vanzelfsprekendheid

Mijn kinderen hebben een goed voorbeeld aan hun vader, die na een lange werkdag niet te beroerd is om ook nog eens te gaan koken, omdat ik dan misschien net een slechte dag heb. Zelf vinden ze het ook leuk om regelmatig in de keuken te staan, een appeltje te snijden voor een ander of een boterham klaarmaken. Als we eropuit zijn en het me niet lukt een heuveltje op te rollen, kan ik rekenen op een duwtje in de rug.
De rollen in ons gezin zijn niet heel erg vastgelegd van: die zorgt voor het één en die voor het ander. Je helpt waar je kan en als het een keer niet kan, is het ook niet erg.

2. Luisteren is belangrijk

Toen ze nog klein waren, kon ik al niet veel achter ze aan rennen als ze wegliepen. Eigenlijk zijn ze daardoor heel erg gedrild om te luisteren naar wat ik zeg als ik ze bij wil sturen. Ik kan verbaal en non-verbaal heel duidelijk maken wat ik van ze verwacht, zij weten vervolgens goed in te schatten of ze nog net een stukje verder binnen die grens kunnen, of dat ze er al overheen zijn gegaan.

3. Creatieve oplossingen bedenken

Wat te doen als een buggy duwen te zwaar is, maar aan de hand mee laten lopen eigenlijk nog meer? Of als je zelf niet naast een fiets kunt rennen om je dochter te leren fietsen? En zo zijn er nog wel tig dingen te benoemen waar je als moeder tegenaan loopt wanneer je een chronische ziekte hebt. Maar samen komen we meestal wel tot een creatieve oplossing.

4. Zelfstandigheid

Gisteren verbaasde ik me er ineens over hoe goed mijn meiden boodschappen kunnen doen, er zit zoveel routine in, ik hoef ze amper bij te sturen. Er zijn ook wel momenten geweest dat ik het zelf nog best eng vond om ze los te laten, bijvoorbeeld de eerste keren dat ze alleen naar school lopen. Maar ik weet dat ik erop kan vertrouwen dat het goed zal gaan en dat voelen ze ook.

5. Voldoende lichaamsbeweging

Niet alleen voor mij is het belangrijk om mijn lijf fit te houden en gelukkig vinden mijn kinderen het ook echt leuk om veel te bewegen. Ik heb inmiddels een aardig voorraadje aan matjes, banden, ballen en rollen om oefeningen mee te doen, waar door de kinderen ook dankbaar gebruik van wordt gemaakt.

6. Begrip voor mensen met een beperking

Een rolstoel is niks geks voor ze, die heb je gewoon nodig als je niet goed kan lopen. Maar ook mensen zonder rolstoel kunnen een beperking hebben. Doordat ze dit van dichtbij ervaren, snappen ze ook de beperkingen van andere mensen iets beter.

7. Je hoeft niet perfect te zijn, als je maar probeert

Alhoewel ik niet alles deel met mijn kinderen, zien ze het ook aan me als ik een slechte dag heb, als ik boos, moe of verdrietig ben, als sommige dingen niet lukken. En ook al is dat soms rot, het hoort erbij. En zij mogen dus net zo goed eens een baaldag hebben, of boos of verdrietig zijn, of iets helemaal verprutsen. Dat betekent ook weer niet dat je altijd maar bij de pakken neer moet zitten, een beetje doorzettingsvermogen kan ook geen kwaad.

8. Een coole moeder

Ik weet niet of je mijn fiets al eens gezien hebt, maar die (en dus ook degene die erop rijdt) is gewoon cool.
En welke moeders treden er nou op met een dansgroep, met rolstoel?

9. Kennis van EDS

Het Ehlers Danlossyndroom is een erfelijke aandoening, dus het zou goed kunnen dat één van mijn dochters het ook heeft. En omdat het niet zo’n bekende aandoening is, weten artsen of andere medische specialisten het ook niet altijd. Ik ben alert op zwakke plekken, weet waar ik zelf vroeger en nu tegenaan liep en kan aan ze uitleggen waarom iets wel of niet verstandig is.

10. Beschikbaar zijn

Weliswaar regelmatig languit op de bank, maar ik ben wel vaak thuis, aangezien fulltime werken er niet in zit en alle avonden de hort op zijn ook geen goed idee is. Ze kunnen hun verhaal kwijt als ze uit school komen, ik kan ze helpen met huiswerk en ik kan prima vanaf de zijlijn vastleggen met film of foto wat een geweldige kinderen ik heb.


Ben ik nog wat vergeten in dit lijstje?
Wat maakt jou een sterke ouder?