Berichten

Zo blijven we gaan met al die ‘weken van…’. En nu bijna aan het einde van de kinderboekenweek wilde ik wat delen over mijn favoriete kinderboeken. Want alhoewel mijn kinderen ze een beetje ontgroeid zijn, ben ik nog steeds fan van prentenboeken.

Lesgeven in voorlezen

Gelukkig kan ik mijn ei nog een beetje kwijt in mijn werk. Wanneer ik lesgeef over Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), komt het voorlezen altijd een keer uitgebreid aan bod. En ja, ik geef mijn studenten dan dus een cijfer voor hoe zij interactief voorlezen en hoe ze zelf een kamishibai, praatplaat of digitaal prentenboek bij een bestaand prentenboek maken en gebruiken. Geen idee waar ik het over heb? Bekijk dan eens de onderstaande Prezi met bijbehorende filmpjes.

Natuurlijk hebben we op school een aardig voorraadje boeken, maar niets leest beter voor dan je favoriete boeken. Daarom neem ik er altijd een paar van thuis mee. Als studenten een kinderboek meenemen, is het er vaak één van hun stage. Van huis uit werd/wordt er bij deze groep niet bijzonder veel gelezen. De studenten die lid zijn van de bibliotheek zijn op één hand te tellen. Jammer, want zij zijn wel degenen die hun enthousiasme voor lezen en taal door kunnen geven aan de volgende generaties.

Sommige van mijn studenten zijn natuurtalenten als het gaat om voorlezen, maar er zijn er toch ook die zich er erg onzeker bij voelen. Doordat ze de taal zelf niet goed beheersen en moeite hebben met de uitspraak, of doordat hun dyslexie het vloeiend kunnen lezen in de weg zit, of sowieso het spreken voor een groep wat als spannend ervaren wordt.

Ik dwaal een beetje af. Maar zoals ik al zei: dit is mijn ei en ik wil het kwijt.

Maar nu over naar de prentenboeken!

Fiets

Dit boekje is ooit uitgegeven als kinderboekenweekgeschenk en ik vind ‘m helemaal geweldig! Het is een boekje zonder tekst, dus het verhaal kun je er zelf zo lang of kort maken als je zelf wilt. Ook een goede tip voor mijn studenten die moeite hebben met lezen, maar zo wel kunnen vertellen.

Heel kort gezegd gaat het verhaal over een jongen die na een feestje ontdekt dat zijn fiets gestolen is en er van alles aan doet om ‘m terug te krijgen. En wat ik er persoonlijk erg leuk aan vind, is dat je er zoveel verschillende soorten fietsen in tegenkomt. Ik hou gewoon van fietsen.

 Elmer

Een echte klassieker die je in je kast moet hebben. Elmer de olifant is anders dan de rest en dat is maar goed ook. Als iedereen maar grijs en grauw zou zijn, zou het een saaie boel zijn.

Mooie plaatjes met niet teveel tekst en daardoor goed geschikt voor peuters of jonge kleuters. Maar als je dieper op het verhaal in wil gaan, is het zeker ook interessant voor oudere kleuters.

 

Wat Faust zag

De hond Faust ziet ‘s nachts van alles gebeuren en wil zijn baasjes waarschuwen. Maar die zitten niet op zijn geblaf te wachten en gooien ‘m naar buiten.

Het leuke aan dit boek vind ik hoe de tekst in de plaatjes is verwerkt. Sommige woorden zijn groot, sommige klein, sommige schuin of dik gedrukt. Het helpt de minder ervaren voorlezers om hun stemgebruik aan te passen aan wat er gebeurt in het verhaal en het zo wat spannender te maken.

Ga je mee?

Ja, alweer een boek van Charlotte Dematons. Stiekem ben ik gewoon een beetje fan van haar boeken. Prachtige prenten en verhaal waarin de kinderen meegenomen kunnen worden. Dit verhaal gaat over een jongen die allerlei avonturen beleeft onderweg naar de winkel en waarin fantasie en werkelijkheid door elkaar heen lopen.

Een ideaal boek om één op één voor te lezen, of met een paar kinderen. Op bijna elke bladzijde staat namelijk wel een opdracht voor de luisteraar en de prenten zijn soms net een zoekplaat. Daarvoor is het wel handig om de kinderen dichtbij te hebben, zodat je ze echt mee kan nemen in het verhaal.

Wij gaan op berenjacht

Een boek waarbij je niet hoeft stil te zitten, maar juist kan stampen met je voeten en kan zwaaien met je armen. Want terwijl dit gezin op berenjacht gaat, komen ze allerlei hindernissen tegen waar ze wel dwars doorheen moeten.

Wij hadden de kartonnen versie van dit boek en dat was een goede keus. Met alle herhalingen in de tekst en het uitnodigen tot bewegen is dit een ideaal boek voor peuters. Lekker wild doen mag en daar kan een kartonnen boek goed tegen.

Klein-Mannetje heeft geen huis

Nadat het huis van Klein-Mannetje een hoosbui niet heeft overleefd, gaat hij op zoek naar een nieuw huis. Zo komt hij langs zijn dierenvrienden en hun huizen tot hij een huis vindt wat echt bij hem past.

Dit boek is ontzettend leuk om een verteltafel bij te maken, in de klas of thuis. Kinderen kunnen de materialen en personages verzamelen of zelf maken en dan het verhaal naspelen.

De Gruffalo

De muis voorkomt dat hij wordt opgegeten door de dieren in het bos, door ze bang te maken met grote verhalen over de Gruffalo. Maar die Gruffalo bestaat toch niet echt… of wel?

Een leuk, spannend verhaal met veel herhaling in de tekst.

Wij hadden ook ooit een cd met liedjes over prentenboeken, gezongen door Hakim van Sesamstraat. Daar stond ook een liedje over de Gruffalo op, die moet je even luisteren. Blijft heerlijk in je hoofd hangen, haha!

Het kleine kikkervisje

Terwijl het kleine kikkervisje langzaam verandert in een kikker, komt hij allerlei dieren tegen die prachtig kunnen springen. Iets wat hij ook graag wil, maar hij moet nog wat geduld hebben.

Om dit boek nog meer tot leven te laten komen, zou je zelf een bak met kikkerdril in huis kunnen halen. Zo kun je steeds de metamorfose van het kleine kikkervisje vergelijken met de kikkervisjes die in de bak zitten. Tot ze echt gaan springen natuurlijk.

Of wat dacht je van een springspel: springen als de dieren in het boek en daarbij de tekst uit het boek gebruiken: Hipperde-hop en hij landde met een plop.

Mijn favoriete prentenboek

Om er maar één te moeten kiezen als favoriete kinderboek voor de 30 Day Blog Challenge van Hare Maristeit, vond erg lastig. Ik heb een kast vol geweldige prentenboeken en om tot maar acht te komen, vond ik al een hele prestatie.

Tja, als ik dan toch zou moeten kiezen, dan kies ik voor: Wij gaan op berenjacht. Heerlijk om een peuter hierbij op schoot te hebben en al zwiepend en plonzend tot aan de laatste bladzijdes te komen en het daar nog even extra spannend te maken.

Toch eens vragen of mijn meiden van 9 en 13 daar niet ook weer eens zin in hebben… 😉

De kinderboekenweek 2016 duurt nog tot 16 oktober en bij besteding vanaf 10 euro krijg je het kinderboekenweekgeschenk Oorlog en vriendschap door Dolf Verroen. En raad eens wie dit boek geïllustreerd heeft? Charlotte Dematons!

Ook is er speciaal voor de kinderboekenweek een klein prentenboek gemaakt door Floor Rieder: Waar is Ludwig?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

laptop agenda to doIn de 15 jaar dat ik in het onderwijs werk met pijnklachten door EDS, had ik me nog niet eerder hoeven ziekmelden vanwege de pijn. Tot dit schooljaar dus. Een nieuwe ervaring, waar ik vooral van geleerd heb wat ik beter wel en niet kan doen. Dat het vooral gaat om het aangeven van grenzen en het vinden van een balans om overbelasting te voorkomen, is geen verrassing. Maar met de piekbelasting die zo gewoon lijkt te zijn in het onderwijs, is het wel een flinke uitdaging.

Piekbelasting

In het mbo werk je niet met een standaard werkweek, we hebben een normjaartaak met een bepaald aantal uren die opgevuld worden met lessen, individuele gesprekken, stagebezoeken, nakijken van examens, teamtaken, scholing, enzovoort. Daardoor kan het zo zijn dat je de ene periode weinig bent ingeroosterd en de volgende weer wat meer. Of je kunt het 8 van de 10 weken in een periode rustig aan doen en die laatste twee weken is er ineens enorm veel nakijkwerk. Het hoort er een beetje bij, die piekbelasting.

Alleen dit schooljaar begon het meteen met zo’n enorme piek, dat ik me vlak voor de herfstvakantie al moest ziekmelden, omdat mijn lijf overbelast was. En dat terwijl ik juist vooraf met een ergotherapeut naar mijn werk en werkplek had gekeken wat er nog anders kon en er zelfs een trippelstoel voor me aangeschaft was.

Ziekmelden

Maar dat ziekmelden stelde achteraf gezien niet zoveel voor. Alhoewel de bedrijfsarts me liever voor 50% ziek wilde melden, koos ik zelf voor 25%. Maar nadat er 25% van mijn lessen en taken afgehaald was, lukte het me nog niet om drie dagen van 6 in plaats van 8 uur te maken. Toen we goed naar mijn uren keken, bleek dat ik er gewoon teveel had (dus niet zo gek dat mijn lijf overbelast was). Met dat kwart eraf, kwam ik pas aan mijn gewone aanstelling, dus er moest nog een kwart af. Voordat ik echt die dagen van 6 uur maakte, waren er weer wat weken voorbij.

Uiteindelijk heeft het wel wat geholpen. Na een half jaar met korte dagen, leek mijn lijf weer wat hersteld. Ik kon thuis weer fatsoenlijk functioneren na een werkdag, dus ik wilde langzaamaan opbouwen naar hele dagen. En dat is ingewikkeld in het onderwijs waar met periodes van 10 weken gewerkt wordt. Langzaamaan werd dus meteen met ingang van de nieuwe periode beter gemeld worden en ik kreeg er nog een leuke taak bij. Lastig om dan nog je grenzen aan te geven, want dan zou die leuke taak er natuurlijk als eerste af gaan.

Alles bij elkaar opgeteld, heb ik 860 uur gemaakt (op papier dan, sommige taken kosten meer tijd dan je ervoor krijgt) in plaats van de 917 die ik zou maken als ik niet ziek zou zijn geweest. Die periode van 25% ziekgemeld zijn, zou neerkomen op 127 uur minder op mijn jaartaak. Maar ik kan ook niet zeggen dat ik nu 70 overuren heb gemaakt, want ik kom niet over mijn jaartaak heen qua uren. Toch? Maar ik voel me wel een beetje genaaid zo…

Wat heb ik opgestoken van dit schooljaar?

Al stelde dat ziekmelden niet zoveel voor, ik heb er wel een hoop van opgestoken. Dus in dat opzicht is het niet voor niks geweest. Soms is het goed om in plaats van steeds maar weer aan te passen en door te gaan, even een pas op de plaats te nemen.

Dit is wat ik ervan opgestoken heb:

  • Van tevoren de uren checken en een goede verdeling maken over het schooljaar, niet pas als ik aan mijn lijf merk dat het niet klopt.
  • Voor een deel ziekmelden heeft niet zoveel zin als je vervolgens toch weer meer taken erbij krijgt. Mocht het ooit weer nodig zijn, dan zou ik me meteen voor 100% ziekmelden.
  • Zelf duidelijk grenzen aangeven, er is niemand anders die het ziet of voor mij doet.
  • Ik heb gemerkt dat het maar een dun lijntje is, wat werken scheidt van overbelasten. Bij de kleinste verandering merk ik het meteen aan mijn lijf. Bijvoorbeeld toen ik voor die nieuwe taak vaker mijn laptop mee moest nemen om op een andere locatie te werken, toen kreeg ik meteen last van mijn nek en schouders.
  • Aan de andere kant is mijn lijf nog steeds in staat om te herstellen door rust te nemen en dat is prettig om te weten.
  • Af en toe werk uit handen geven of laten liggen is oké. Normaal ben ik erg perfectionistisch, maar dit schooljaar heb ik bewust soms dingen laten liggen. Ik geloof niet dat mijn collega’s of studenten er veel last van ondervonden hebben dat ik niet overal aan toe ben gekomen.
  • Lesgeven vanuit een rolstoel werkt niet voor mij. Ik heb het geprobeerd, maar ik mis het overzicht over de klas en het kunnen rondlopen tussen de studenten als ze aan het werk zijn. Mijn rolstoel is ook niet gemaakt om hele dagen in te zitten, wat het vermoeiender en pijnlijker maakt dan het gebruiken van mijn trippelstoel.
  • Ik heb hele fijne collega’s die bereid zijn mij tegemoet te komen, zodat ik minder belastende taken kan doen. Om die nieuwe taak als examenleider te kunnen uitvoeren, ga ik volgend schooljaar minder lesgeven, wat mijn collega’s dan moeten opvangen. Super om te horen dat zij hier dan ook achter staan.

Heb jij je weleens ziek moeten melden vanwege pijnklachten? Hoe kun je dit volgens jou voorkomen?

toegankelijkheid dilemma

Nu ben ik al een flinke poos aan het puzzelen hoe ik mijn werk zo goed mogelijk kan indelen, zodat mijn lijf daar zo min mogelijk last van heeft, het blijft een lastig dilemma. Al tijdens mijn laatste revalidatie werd duidelijk dat het vooral mijn werk is waarin ik niet genoeg die salamitechniek kan toepassen, waarbij ik over mijn grenzen ga en zo alleen maar steeds meer mijn eigen lijf verziek. Afgelopen schooljaar ben ik een tijdje voor 25 procent ziekgemeld, ik werkte toen drie dagen van 6 uur. Maar dat was ontzettend lastig, er bleven taken liggen en vaak kwam ik toch weer over die 6 uur heen.

Dilemma: wil ik wel examenleider worden?

Voor het nieuwe schooljaar wil ik het (weer…) goed aan gaan pakken. Minder lesgeven en meer andere taken daaromheen op me nemen, waarbij ik zelf mijn tijd in kan delen. En nu komt er ook nog eens een functie vrij in ons team, namelijk die van examenleider. Alleen moet een examenleider wel minimaal over vier dagen verspreid werken, wat in mijn geval zou betekenen dat ik twee hele en twee halve dagen zou werken.

Het toeval wil dat ik op dit moment met mijn studenten ook bezig ben met dilemma’s. Daarbij gebruiken we onder andere het discussiespel ‘Keuzes en dilemma’s in het kinderdagverblijf’  van Movisie, waarbij je bij een dilemma de alternatieven naast elkaar zet en van beide de positieve en negatieve effecten belicht. In het negatieve blijven hangen leidt tot stagnatie, van beide polen het positieve benutten leidt tot groei.

Positieve en negatieve effecten

Dus dat is wat ik gedaan heb, ik heb alles eens op een rijtje gezet:

dilemma werk

Positieve polen benutten

En dan de volgende stap: de positieve polen benutten. Ik kan niet van allebei een beetje doen, het is of het één, of het ander. Maar ik kan wel bedenken onder welke condities de taak van examenleider ook op fysiek gebied wat voor me oplevert. Zo kwam ik op het volgende:

  • De woensdag vrijhouden, zodat ik dan ook dingen met de kinderen kan ondernemen.
  • De halve dagen van 8.00 – 12.30 uur werken, zodat ik een duidelijke grens heb en thuis kan lunchen.
  • Elke dag vaste uren voor examentaken.
  • Het examenhok ergonomisch inrichten.
  • Wat betreft de overige taken: liever geen stagebezoeken meer afnemen, maar wel graag onderwijs blijven ontwikkelen/schrijven.

Hiernaast heb ik mijn dilemma voorgelegd aan een paar goede vriendinnen, lotgenoten, collega’s en mijn man uiteraard. Allemaal kennen ze me goed, maar allemaal vanaf een andere kant, de adviezen die ik kreeg, waren dan ook heel wisselend. Wat in bijna alles terugkwam, is dat àls ik de taak van examenleider op me ga nemen, ik heel erg goed op mijn grenzen moet gaan letten. Nog meer dan ik nu doe. De briljante tip die ik daarvoor van mijn man kreeg, was om dan op die halve dagen gewoon geen brood of geld mee te nemen, zodat ik wel naar huis moet om te eten.

Na dit alles heb ik toch besloten om aan te geven dat ik de taak van examenleider wel op me wilde nemen. Vorige week hebben we dit in het team besproken en zij hebben ook positief gereageerd. Dus: ik ga het doen!

Hoe pak jij dilemma’s in je werk aan?
Denk je dat ik nog iets over het hoofd heb gezien en heb jij hier nog tips voor?

 

passend onderwijsNa wat ik eerder schreef over inclusiedans, lijkt dit misschien haaks te staan op mijn visie op inclusie en waarschijnlijk zal ik hiermee ook wel mensen tegen het zere been trappen. Maar dat passend onderwijs is toch wel erg lastig om in het mbo in de praktijk te brengen. Of laat ik dan in ieder geval spreken voor de opleidingen waar ik les aan geef: onderwijsassistent, medewerker maatschappelijke zorg en pedagogisch werk (OA, MMZ en PW).

Passend onderwijs, hoe het zou moeten

In 2014 is het passend onderwijs ingevoerd, ook in het mbo. Dat wil zeggen dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van passend onderwijs aan studenten met een ondersteuningsvraag (bijvoorbeeld met betrekking tot een handicap of chronische ziekte) en de ondersteuning te bieden die nodig is om tot een diploma te komen. Met de juiste vooropleiding en motivatie zou dan verder geen onderscheid tussen studenten hoeven zijn, door de passende begeleiding zouden studenten met een ondersteuningsvraag ook hun diploma kunnen halen.
En toch werkt het niet zo, tot teleurstelling van sommige studenten en ouders.

Wie ben ik om daarover iets te durven zeggen?

Voordat ik verder uitweid over wat ik er allemaal van vind, is het voor de mensen die mij niet persoonlijk kennen misschien handig om wat meer over mij te weten. Ik denk namelijk dat ik wel een beetje weet waar ik over praat.

Ooit ben ik zelf begonnen in het mbo, ik deed de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk en ging daarna aan de slag als begeleidster in de dagbesteding en woonvoorzieningen voor verstandelijk gehandicapten. Toen ik na een paar jaar door polsklachten geen rolstoelen meer mocht duwen, ben ik als onderwijsassistent gaan werken op een basisschool. In de avonduren ben ik verder gaan studeren, onder andere omdat ik met een andere opleiding weer meer kanten op kon. Ik heb pedagogiek gestudeerd, mijn tweedegraads lesbevoegdheid gehaald en uiteindelijk ook een master in leren en innoveren. Inmiddels werk ik 12 jaar als docent in het mbo, waarbij ik regelmatig contact heb met het werkveld. Daarnaast zijn mijn fysieke klachten (veroorzaakt door EDS) dusdanig verergerd, dat ik me in mijn werk behoorlijk beperkt voel en hier regelmatig mee worstel.

Het is geen eenzijdig verhaal wat ik wil vertellen, ik ken zowel de kant van het werkveld, de opleiding als de persoon met een beperking.

De beperkingen van het passend onderwijs in het mbo

Bij opleidingen OA, MMZ en PW worden studenten opgeleid om groepen kinderen en/of kwetsbare doelgroepen te begeleiden. Dat vraagt nogal wat van de student, niet alleen je toekomstige collega’s moeten op je kunnen bouwen, maar ook de doelgroep waar je mee werkt. Beperkingen op het fysieke en sociale vlak maken dat erg lastig. Als je ziek thuis blijft, schuift het werk niet op naar een volgende werkdag, de groep krijgt dan een andere (onbekende) begeleider, wat bij deze doelgroep voor onrust kan zorgen. En wat als je moeite hebt met het herkennen van non-verbaal gedrag, hoe kun je dan begrijpen wat een kind of cliënt wil zeggen als diegene niet kan praten? Of hoe kun je een oudere ondersteunen bij het lopen naar de dagbesteding, terwijl je zelf niet stabiel staat?

Het werken met mensen vraagt fysiek en mentaal veel van je en dat is wel iets wat je moet kunnen, dat geldt net zo goed voor iemand met als zonder beperking. Ik ben daar misschien wat streng in, maar ik leid mijn studenten niet voor spek en bonen op, ik leid ze op tot een beroepskracht en daar horen bepaalde verwachtingen bij.

Los van het beroep, maak ik me ook zorgen om de toekomst van de student.

Voor passend onderwijs is geen indicatie nodig, maar een ondersteuningsvraag. Dan kan het dus zo zijn dat er maar weinig over de beperkingen of diagnose van de student op papier staat. Er is vaker geen overdracht vanuit het voortgezet onderwijs dan wel en bij de intake zijn studenten niet verplicht hun beperkingen te melden. Studenten willen soms zo graag, dat ze iets verzwijgen uit angst afgewezen te worden. Met zo’n blanco start duurt het lang voordat alles in kaart is gebracht en ondersteuning op gang is gezet. Soms te laat, waardoor de student zonder diploma de school verlaat.

Maar ook als de ondersteuningsvraag vanaf het begin al helder is: Het wordt steeds lastiger om een Wajong uitkering te kunnen krijgen en het UWV ziet het bezitten van een mbo-diploma als de mogelijkheid om te kunnen werken. Hoe realistisch is dat als een student met veel ondersteuning, aanpassingen en begeleiding het uiteindelijk wel gelukt is om dat diploma te halen, maar dus eigenlijk niet kan functioneren naar wat er van de beroepskracht gevraagd wordt? Geen Wajong betekent ook dat je niet opgenomen wordt in het doelgroepenregister, dus werkgevers gaan dan niet zo snel moeite doen om de functie aan te passen.

Opleiden tot een uitkering met bijbehorende studieschuld die ze vervolgens niet meer kunnen aflossen… Nee, daar ben ik geen docent voor geworden.

Last, but not least wil ik ervoor waken dat studenten al op jonge leeftijd continu over hun grenzen moeten gaan om te kunnen functioneren als de rest en hiermee hun klachten verergeren. Als ik van tevoren had geweten dat ik EDS heb en het geen goed idee was om dan in de gehandicaptenzorg te gaan werken, had ik wel andere keuzes gemaakt. Wie weet was ik dan wel in staat om fulltime te werken en had ik die rolstoel niet nodig gehad. Misschien ook niet, het is de koe in z’n kont kijken, maar feit is wel dat mijn lijf door overbelasting flink achteruit is gegaan.

Wat is er dan wèl mogelijk in het mbo?

Natuurlijk is het niet aan mij om iedereen maar af te wijzen met een beperking en dat gebeurt ook echt niet. Bij de intake van een opleiding is het belangrijk dat de student aangeeft wat de beperkingen zijn, de intaker kan vervolgens uitleggen welke mogelijkheden er binnen de school zijn voor ondersteuning. Wij hebben bijvoorbeeld een zorgdocent in huis, die samen met de student een ondersteuningsplan opstelt en begeleiding biedt. Als het echt nodig is, is er ruimte om de opleiding te verlengen en/of afspraken te maken wat betreft het lesrooster en stagedagen. Als een student eenmaal begonnen is aan een opleiding, doen we er alles aan om diegene naar een diploma te helpen.

Maar beter zou zijn als een student van tevoren een bewuste keuze maakt en weet wat de opleiding inhoudt en het werk waarvoor wordt opgeleid. Als er een alternatief is wat beter aansluit bij de mogelijkheden, ga daar dan voor! Elke situatie en opleiding is anders. Als OA werk je onder verantwoordelijkheid van de leerkracht, zijn de kinderen aardig zelfstandig en zit er veel structuur in de dag. Het zou goed kunnen dat dit beter aansluit dan het werk van een PW’er, die zelfstandig een groep draait, waarbij veel prikkels zijn en het werk veel verzorgende taken heeft. Misschien is het een optie om een opleiding te kiezen die minder zwaar is en daarna door te stromen naar het hbo.
Wanneer Wajong eenmaal is toegekend, zijn er nog andere mogelijkheden. Raissa heeft zo al eerder geschreven over hoe zij het studeren met een functiebeperking aanpakt.

 

Hoe denk jij over passend onderwijs? Zou iedereen elke opleiding moeten kunnen volgen?

 

rolstoel werk tas

Per schooljaar probeer ik toch wel een handjevol symposia en/of conferenties te bezoeken voor mijn werk. Sommigen worden georganiseerd binnen de organisatie waar ik werk, anderen daarbuiten. Ik vind het altijd erg interessant om nieuwe dingen te leren en met anderen uit te wisselen hoe zij een bepaald onderwerp aanpakken. De afgelopen weken heb ik bijvoorbeeld een symposium bijgewoond gericht op taalstimulering bij jonge kinderen en een conferentie over leren en doceren in de 21e eeuw.

Wat zo’n bijeenkomst nog een beetje extra boeiend maakt, is hoe ze ingesteld zijn op rolstoelgebruikers. Want ook al ben ik maar een parttime rolstoelgebruiker, zo’n dag is voor mij fysiek zo zwaar, dat ik hierbij wel zoveel mogelijk in mijn rolstoel wil blijven zitten. En dat is blijkbaar niet zo gebruikelijk, want vaak ben ik de enige met rolstoel. Vandaar nu een lijstje met plus- en minpunten als het gaat om rolstoelvriendelijkheid bij symposia en conferenties:

Pluspunten

  • Behulpzame facilitair medewerkers: zij kennen het gebouw door en door en weten precies waar jij moet zijn, bieden hulp aan voordat je erom vraagt.
  • Behulpzame bezoekers: ik ga meestal alleen, maar er is altijd wel iemand die een hapje of drankje voor me wil halen, stoelen opzij schuift, deuren openhoudt, mijn rolstoel de trap op tilt, enzovoort. Vaak hoef ik het niet eens te vragen.
  • Gesprekspartners die niet moeilijk doen over die rolstoel: ik kom vaak oud-collega’s tegen die me niet eerder met rolstoel gezien hebben. Het is geen taboe, je mag er vragen over stellen (zou ik ook doen als het andersom was), maar het is ook fijn om over andere zaken te praten.
  • Ruime stoelopstelling: zodat er geen plek voor mij vrij gemaakt hoeft te worden, maar je gewoon aan kunt schuiven met rolstoel.
  • Hapjes en drankjes die rondgebracht worden: omdat ik bij dit soort bijeenkomsten veel op scholen kom, worden (horeca-)studenten regelmatig ingezet om met dienbladen hapjes rond te brengen. Lijkt me voor die studenten ook veel leuker dan gewoon les.
  • Een lift die zonder sleutel toegankelijk is.
  • Een schoon invalidentoilet: in mijn geval niet noodzakelijk, maar werkt toch prettiger

Minpunten

  • Geen lift aanwezig en workshops en lezingen zijn verspreid over verschillende verdiepingen.
  • Wel een lift aanwezig, maar dan moet je eerst op zoek naar iemand die daar een sleutel van heeft. Of een lift waarbij je de knop ingedrukt moet houden…vier verdiepingen lang.
  • Statafels: heel ongemakkelijk om vanaf een halve meter lager gesprekken aan te gaan.
  • Lopend buffet/koffie- en theetafel: ik snap dat het heel praktisch is als je een grote groep moet voorzien van hapjes en drankjes, maar niet handig als je een bord op schoot mee moet nemen en tegelijkertijd een glas tussen je knieën klemt. Een kopje thee sla ik dan sowieso af, dan hou ik het maar op mijn eigen flesje water.
  • Een smerig invalidentoilet bij een superdrukke conferentie. Niet iedereen heeft de mogelijkheid om boven een toiletbril te hangen, als je dat wel kan, dan doe je dat toch niet op een invalidentoilet?! Echt smerig…

Waarmee zou volgens jou een conferentie nog toegankelijker kunnen worden voor rolstoelgebruikers?

20160330_120507-1-1

Ik had als reactie op mijn blog ‘Zoektocht naar passend werk’ de tip gehad om een voor mij ideale werkweek op papier te zetten, dat heb ik dan ook gedaan zoals je op de foto kunt zien. De gele vlakken kan ik zelf indelen, die wil ik dus zoveel mogelijk af kunnen wisselen met de roze en blauwe vlakken, die wel vast staan.
Nu ben ik van twee klassen SLB’er (of mentor), dat is met mijn kleine aanstelling van drie dagen best pittig, helemaal met de bijbehorende stagebezoeken (BPV) en individuele gesprekken (SLBin). Dat wil ik dus voor volgend schooljaar terugbrengen naar één klas.
En iets minder lesgeven (maximaal 12 lesuren) en dus iets meer andere taken. Het van de ene naar de andere les door moeten, zonder pauze, ervaar ik als vrij zwaar. Ik heb het met rolstoel geprobeerd, maar dat bevalt me toch niet zo goed. Letterlijk voor de klas staan en dus ook rond kunnen lopen, is toch iets waar ik niet zonder kan. En dat maakt het tegelijkertijd weer zwaarder.
Maar met het schuiven van lesgeven naar extra taken, kom ik toch aan mijn volledige aanstelling en uiteindelijk is het niet eens zoveel minder dat ik dan aan lesgebonden activiteiten heb (normaal is dat 72%, ik kom dan op 64%).
Zo had ik dus mijn plan bedacht voor volgend schooljaar. Tot aan de zomervakantie wilde ik dan nog niet volledig aan de slag, maar wel iets meer lesgeven dan ik nu doe.

Dus vanmiddag ging ik goed voorbereid naar de bedrijfsarts en vanaf het moment dat ik vertelde dat ik volgend blok weer twee lesuur erbij wilde, ging er iets mis. Nu snap ik best dat ik voor die man een ingewikkeld geval ben. Ik ben niet helemaal ziek gemeld, maar voor maar 25%. En als ik dan ook nog zeg dat daar weer iets van af mag, dan wordt het een ingewikkeld rekensommetje. Dus ik had niet echt de behoefte om mijn tekeningetje uit mijn tas te halen, helemaal toen hij reageerde met ‘Elke docent die ik zie, wil wel minder voor de klas staan’. Ja, dat zal wel, maar ik geloof niet dat elke docent een fysieke beperking heeft die dat lastig maakt. Ik wil het trouwens helemaal niet, maar mijn lijf laat zo snel merken dat het overbelast is, dat dit gewoon een verstandigere keuze is.

Weet je, ik vind het wel weer prima zo, ben een beetje klaar met die bedrijfsarts. In oktober vond hij eigenlijk dat 25% ziek melden te weinig was, dat zou toch minstens 50% moeten zijn en hij lachte me nog net niet uit toen ik aangaf dat ik uiteindelijk weer mijn volledige aanstelling wilde gaan werken: ‘Je weet dat EDS een progressieve aandoening is?’ En nu had hij het erover dat het medisch gezien allemaal goed ging. Ja, op papier dan, want ik kon toch weer wat meer gaan werken? Nee, medisch gezien gaat het best kut. Maar met drie dagen van zes uur is mijn lijf minder overbelast dan het hiervoor was.
Volgend blok ga ik dus langzaamaan weer richting mijn volledige aanstelling. Op papier dan, de rest regel ik wel met mijn onderwijsleider en collega’s.

Nu heb ik hele fijne collega’s en ik heb er ook wel vertrouwen in dat het goed gaat komen, maar zou jij het verschuiven van taken durven vragen aan collega’s? Of zou je ervoor open staan om te gaan schuiven met taken, zodat een andere collega niet overbelast raakt?

Als docent pedagogiek leer ik mijn studenten onder andere het balansmodel: sommige factoren verzwaren de taak om een kind op te voeden en staan ontwikkeling in de weg, andere factoren maken dit lichter. Zoals je in bovenstaand schema (afkomstig uit het boek ‘Samen Verschillend’) ziet, staat de zieke ouder aan de kant van draaglast en in heel veel gevallen zal het ook een flinke klus zijn om met een chronische ziekte een kind op te voeden. Maar ik wil nu juist laten zien dat het ook anders kan: dat het mij als ouder sterker maakt en mijn kinderen daardoor een voorsprong geeft.

1. Het zorgen voor elkaar is een vanzelfsprekendheid

Mijn kinderen hebben een goed voorbeeld aan hun vader, die na een lange werkdag niet te beroerd is om ook nog eens te gaan koken, omdat ik dan misschien net een slechte dag heb. Zelf vinden ze het ook leuk om regelmatig in de keuken te staan, een appeltje te snijden voor een ander of een boterham klaarmaken. Als we eropuit zijn en het me niet lukt een heuveltje op te rollen, kan ik rekenen op een duwtje in de rug.
De rollen in ons gezin zijn niet heel erg vastgelegd van: die zorgt voor het één en die voor het ander. Je helpt waar je kan en als het een keer niet kan, is het ook niet erg.

2. Luisteren is belangrijk

Toen ze nog klein waren, kon ik al niet veel achter ze aan rennen als ze wegliepen. Eigenlijk zijn ze daardoor heel erg gedrild om te luisteren naar wat ik zeg als ik ze bij wil sturen. Ik kan verbaal en non-verbaal heel duidelijk maken wat ik van ze verwacht, zij weten vervolgens goed in te schatten of ze nog net een stukje verder binnen die grens kunnen, of dat ze er al overheen zijn gegaan.

3. Creatieve oplossingen bedenken

Wat te doen als een buggy duwen te zwaar is, maar aan de hand mee laten lopen eigenlijk nog meer? Of als je zelf niet naast een fiets kunt rennen om je dochter te leren fietsen? En zo zijn er nog wel tig dingen te benoemen waar je als moeder tegenaan loopt wanneer je een chronische ziekte hebt. Maar samen komen we meestal wel tot een creatieve oplossing.

4. Zelfstandigheid

Gisteren verbaasde ik me er ineens over hoe goed mijn meiden boodschappen kunnen doen, er zit zoveel routine in, ik hoef ze amper bij te sturen. Er zijn ook wel momenten geweest dat ik het zelf nog best eng vond om ze los te laten, bijvoorbeeld de eerste keren dat ze alleen naar school lopen. Maar ik weet dat ik erop kan vertrouwen dat het goed zal gaan en dat voelen ze ook.

5. Voldoende lichaamsbeweging

Niet alleen voor mij is het belangrijk om mijn lijf fit te houden en gelukkig vinden mijn kinderen het ook echt leuk om veel te bewegen. Ik heb inmiddels een aardig voorraadje aan matjes, banden, ballen en rollen om oefeningen mee te doen, waar door de kinderen ook dankbaar gebruik van wordt gemaakt.

6. Begrip voor mensen met een beperking

Een rolstoel is niks geks voor ze, die heb je gewoon nodig als je niet goed kan lopen. Maar ook mensen zonder rolstoel kunnen een beperking hebben. Doordat ze dit van dichtbij ervaren, snappen ze ook de beperkingen van andere mensen iets beter.

7. Je hoeft niet perfect te zijn, als je maar probeert

Alhoewel ik niet alles deel met mijn kinderen, zien ze het ook aan me als ik een slechte dag heb, als ik boos, moe of verdrietig ben, als sommige dingen niet lukken. En ook al is dat soms rot, het hoort erbij. En zij mogen dus net zo goed eens een baaldag hebben, of boos of verdrietig zijn, of iets helemaal verprutsen. Dat betekent ook weer niet dat je altijd maar bij de pakken neer moet zitten, een beetje doorzettingsvermogen kan ook geen kwaad.

8. Een coole moeder

Ik weet niet of je mijn fiets al eens gezien hebt, maar die (en dus ook degene die erop rijdt) is gewoon cool.
En welke moeders treden er nou op met een dansgroep, met rolstoel?

9. Kennis van EDS

Het Ehlers Danlossyndroom is een erfelijke aandoening, dus het zou goed kunnen dat één van mijn dochters het ook heeft. En omdat het niet zo’n bekende aandoening is, weten artsen of andere medische specialisten het ook niet altijd. Ik ben alert op zwakke plekken, weet waar ik zelf vroeger en nu tegenaan liep en kan aan ze uitleggen waarom iets wel of niet verstandig is.

10. Beschikbaar zijn

Weliswaar regelmatig languit op de bank, maar ik ben wel vaak thuis, aangezien fulltime werken er niet in zit en alle avonden de hort op zijn ook geen goed idee is. Ze kunnen hun verhaal kwijt als ze uit school komen, ik kan ze helpen met huiswerk en ik kan prima vanaf de zijlijn vastleggen met film of foto wat een geweldige kinderen ik heb.


Ben ik nog wat vergeten in dit lijstje?
Wat maakt jou een sterke ouder?

Op mijn veertiende dacht ik het wel te weten: ik wilde stoppen met vwo en de overstap maken naar het mbo, zodat ik snel klaar was met school en het huis uit kon. Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) ging ik doen, met de bedoeling om als onderwijsassistent in het speciaal onderwijs of als begeleider in de jeugdhulpverlening terecht te komen.

Maar tijdens die opleiding kwam ik in aanraking met de gehandicaptenzorg en ik was verkocht. Na mijn stage werd ik ook meteen aangenomen als flexwerker binnen een grote organisatie voor verstandelijk gehandicapten en nog voor mijn achttiende had ik daar een vast contract.

Als flexwerker werkte ik steeds een periode van drie maanden tot een jaar op een groep. Kinderen, volwassenen, met een lichte tot ernstige verstandelijke beperking, gedragsproblemen of een meervoudige handicap, ik denk dat ik alle verschillende doelgroepen binnen de verstandelijk gehandicaptenzorg wel gezien heb. Maar het meest (en het liefst) werkte ik met meervoudig complex gehandicapte cliënten. Ik vond het heerlijk om fysiek zwaar werk te doen, dat voelde voor mij echt als werken. Cliënten wassen, aankleden en helpen met eten, in een rap tempo, maar ook met genoeg aandacht voor de cliënt als individu. Maar al dat werken met (oude) tilliften en zware rolstoelen deed mijn polsen geen goed. Ik besprak het met collega’s, die vonden het maar normaal om pijn te hebben, dus het duurde even voordat ik zelf naar de huisarts stapte. Toen die me doorverwees naar een orthopeed, kreeg ik te horen dat ik maar een andere baan moest zoeken. Ik mocht geen rolstoelen meer duwen.

Dat was wel een tegenvaller. Ik dacht het eerst nog wel op te kunnen lossen door van woonbegeleiding over te stappen naar dagbesteding, want dat zou vast een stuk minder zwaar zijn. En dan maar een polsbrace gebruiken als ik dan toch rolstoelen moest duwen. Maar ook de dagbesteding was te zwaar.

Vooruitdenkend op wat ik dan wel zou kunnen en willen, ging ik terug naar school. Ik begon aan de Pabo, drie avonden in de week naar school en één dag stage, naast de vier dagen die ik al werkte. In het tweede jaar van de Pabo ging ik ook daadwerkelijk in het basisonderwijs werken, als onderwijsassistente met als vooruitzicht om daar na mijn opleiding als leerkracht te gaan werken. Als assistent kreeg ik weliswaar de vrijheid om met kleine groepjes te werken, maar altijd onder de verantwoordelijkheid van een leerkracht. Dat was wel wennen na die jaren dat ik zelfstandig een groep draaide.

Uiteindelijk kon ik niet mijn draai vinden in het basisonderwijs, fysiek was het dan wel een stuk minder zwaar dan de gehandicaptenzorg, maar ik had niet het gevoel dat ik hier mijn beste kant kon laten zien. Ik maakte dus de overstap van Pabo naar Pedagogiek, weer een deeltijdopleiding, dus in de avonden naar school. In het laatste jaar van die opleiding begon ik als leraar in opleiding in het mbo, bij dezelfde opleiding als waar ik begonnen was: SPW.

Het werk als docent ging me best goed af, tot ik zwanger werd en beviel van mijn tweede dochter. Ik bleef bekkeninstabiliteit houden en moest eigenlijk na elk uur zitten, lopen of staan een kwartier plat liggen. Dat was niet te combineren met mijn lesrooster, dus als compromis ging ik alleen tussen de middag even op een stretcher liggen. In de jaren erna ging ik steeds meer achteruit en het voor de klas staan, reizen naar stagebezoeken en lang zitten bij vergaderingen werd steeds zwaarder.

In afwachting van mijn eerste revalidatietraject was ik lastig in te zetten op lessen en kreeg ik tijdelijk andere taken, tegelijkertijd gaf me dit de mogelijkheid om mijn LC-portfolio op te bouwen, om daarna meer coördinerende taken te kunnen uitvoeren op mijn werk (en daar naar betaald te krijgen). Met die LC-functie had ik net iets meer taken die ik zelf in kon delen. Dat hielp ook wel wat, maar nog steeds niet genoeg.

Na dat eerste revalidatietraject ben ik weer een opleiding gaan volgen, de master Leren & Innoveren. Niet dat ik nou zo graag minder voor de klas wilde staan, maar ik zag wel in dat ik iets achter de hand moest hebben voor de toekomst.

Bij mijn tweede revalidatietraject heb ik ervoor gekozen om het in mijn vrije tijd te doen, zodat ik me niet ziek hoefde te melden om te kunnen revalideren. Toch werd tijdens dat revalideren wel duidelijk dat het vooral mijn werk was waarin ik me continu bleef overbelasten, daar moest iets in veranderd worden, wilde ik kunnen blijven werken. En er zijn ook wel dingen veranderd. Mijn rooster was weer wat evenwichtiger geworden en ik kreeg een trippelstoel.

En nog is het niet genoeg. Nu ben ik sinds oktober voor een kwart ziekgemeld, omdat mijn werkdagen zo zwaar werden, dat ik eenmaal thuis alleen maar op de bank lag vanwege pijn en vermoeidheid.
En weer krijg ik de vraag voorgeschoteld of er niet een andere baan is die ik wel vol zou kunnen houden.
Maar als ik nu teruglees in dit belachelijk lange verhaal wat ik allemaal al heb gedaan om maar te kunnen blijven werken, vind ik dat het nu wel eens tijd wordt dat mijn baan zich aan mij gaat aanpassen. Ik heb genoeg kennis en ervaring in huis om een volwaardige functie binnen het onderwijs in te kunnen vervullen. Die drie dagen werken zou ik best vol kunnen houden, maar dan moeten ze niet zo volgepropt zijn met (voor mij) fysiek zware activiteiten.

Maar kan ik wel vragen van mijn werkgever of mijn functie meer op mij wordt aangepast? Of moet je voor zoiets eerst officieel afgekeurd worden? Of langer dan twee jaar ziek zijn? Want ook al ligt er inmiddels vast al een aardig dossier van mij bij de bedrijfsarts en heb ik soms ook op mijn werk mijn rolstoel nodig, ik heb op papier geen arbeidsbeperking.

(Schilderij van Sue Lawton Art)

De vergelijking met bordjes die je laat balanceren op stokjes wordt vaker gemaakt als het gaat om mensen die veel dingen tegelijk moeten doen, zoals bij (werkende) ouders.

Maar ik heb ook geregeld het gevoel dat dit zo werkt in mijn lijf. Met op elk gewricht een stokje met bord, waarbij ik van alles moet doen om het bordje niet kapot te laten vallen: Niet te snel willen, niet overbelasten dus. Wel af en toe rust nemen, maar ook weer niet teveel, anders draait het bordje niet meer.

En als je dan net denkt dat je het bordje op je polsen onder controle hebt, begint het bordje op mijn heup te zwabberen. Dus weer even wat extra aandacht daarheen: voldoende rust nemen, vaker de rolstoel pakken, hittepit erop, wat extra masseren, oefeningen weer oppakken. Draait dat bordje weer wat soepeler, begint het bordje op mijn schouders te stuiteren door het rolstoel rollen. Ik wist niet eens dat ik daar ook een bordje had?!

En soms, heel soms, is het of ik alle bordjes onder controle heb. Alles draait zoals het zou moeten en de pijn is naar de achtergrond verdwenen. En dan word ik overmoedig, denk ik dat er nog wel een bordje bovenop kan. Een nachtje zonder braces slapen, toch even lopend naar de stad voor een boodschapje. PATS! Daar ging het bordje en ik kan weer van voren af aan beginnen.

Zo aan het einde van een vakantie heb ik het vaker, dan denk ik dat het best aardig gaat. Een weekendje weg met lotgenoten vraagt minder hersteltijd dan een werkweek en als ik het zo hoor van mijn lotgenoten, mag ik mij daar gelukkig mee prijzen. Zolang niet teveel moet, lukt het me wel om mijn dagen goed in te delen (jaja, volgens de salamitechniek), vraag ik niet teveel van mijn lijf, neem ik op tijd mijn rust en maak ik ook de tijd om dat wat ik kan trainen, te blijven trainen. Deze week was mijn man ook vrij, dus zelfs de boodschappen, het huishouden en het bezighouden van de kinderen werd me deels uit handen genomen. Heerlijk, het was ècht vakantie!

Maar tegelijkertijd zie ik weer op tegen de komende werkweek, omdat ik weet dat als ik eenmaal aan het werk ben, ik toch weer over mijn grenzen blijf gaan, ook al werk ik nog steeds korte dagen. Als het me daar nou toch een keer zou lukken om die bordjes draaiende te houden…

rolstoel yoga dans

Ik heb al mijn ledematen nog, ben niet verlamd en toch zit ik (soms) in een rolstoel. Ik pas niet in het standaard plaatje van een ‘rolstoeler’, ben een parttime rolstoelgebruiker.

Nu snappen de meeste mensen in mijn omgeving wel waarom ik ‘m soms nodig heb en soms niet, maar sinds ik er meer over deel via Facebook of Instagram, krijg ik daar weleens vragen of opmerkingen over van vreemden. En dan heb ik het niet eens zozeer over de fetisjisten (ja, die zijn er blijkbaar ook, maar die negeer ik maar). Het klopt gewoon niet met het beeld wat sommigen hebben over mensen in een rolstoel. Dan ben je van het ‘onzichtbare’ af, krijg je nog het gevoel je te moeten verdedigen.

Andersom heb ik ook een bepaald beeld van mensen die ‘alleen maar’ in een rolstoel zitten omdat hun benen het niet meer doen en dat zal vast ook niet helemaal kloppen: non-stop wheelies kunnen maken, halsbrekende toeren uithalen op een halfpipe, ontzettend gespierd bovenlijf en armen, kilometers zelf kunnen rollen, geen problemen met hellingen en alle dagelijkse bezigheden gewoon kunnen doen zonder moe te worden. Nee, ik snap ook wel dat het zo niet werkt. Net zo min als dat ik alleen maar de persoon ben die ik op sociale media laat zien.
Want iedereen laat zich alleen maar van z’n beste kant zien op sociale media, toch? En ik ben ook gewoon blij met mezelf, met wat ik wel kan en wat ik bereikt heb, dat wil ik juist graag delen.

Mijn rolstoel is een fijn hulpmiddel, hij zorgt ervoor dat ik me zonder pijn of subluxaties in bekken/heupen/enkels kan voortbewegen of gewoon kan zitten en ik zo dus alles langer vol kan houden. Maar het is ook weer geen wondermiddel. Ik kan niet lang zelf rollen, dan krijg ik last van mijn polsen en schouders. Ik kan er ook niet een hele dag in blijven zitten, het is een actieve rolstoel met weinig ondersteuning in de rug en het kost me dus veel energie om continu die actieve houding vast te blijven houden. Lang zitten maakt alles wat stijver en voor mijn onderrug is het lopen juist fijn. En ik moet ook gewoon een paar keer op een dag plat liggen om mijn lijf een beetje te laten herstellen van alles, dat kan niet ondervangen worden met mijn rolstoel.

Nu is er voor de meeste dingen wel een oplossing te vinden, maar met bijvoorbeeld elektrische ondersteuning en/of een betere rugleuning wordt de rolstoel ook zwaarder, waardoor ik ‘m misschien niet meer zo makkelijk in de auto of op de scooter meeneem, of even een paar traptreden omhoog til. Ik vind het niet zo erg om af en toe geduwd of geholpen te worden en juist doordat ik kan afwisselen, kan ik genoeg kanten op. Ik blijf gewoon doen wat voor mij goed voelt en het fijnste werkt, lig niet wakker van wat anderen misschien zouden kunnen denken. Dus ik ga gewoon achter mijn rolstoel lopend naar het winkelcentrum, zodat ik niet moeilijk hoef te doen met een scheve stoep of hoge stoepranden. En als het lopen te zwaar wordt, stap ik in mijn rolstoel.

En ook al schets ik nu weer een beeld van iemand die die rolstoel wel een mooi plekje heeft gegeven, het blijft elke keer weer een worsteling als die rolstoel weer een nieuw plekje toe-eigent. Dus kom maar op tassen, deuren, tafels en stoelen op mijn geliefde werkplek: vanaf deze week mogen jullie ruimte maken voor mijn rolstoel.