lesgeven onderwijsIn het dagelijks leven werk ik als docent in het mbo. Tegenwoordig sta ik dan wel niet meer zo heel veel voor de klas als examenleider, maar dat betekent niet dat ik minder betrokken ben bij het onderwijs.

Sommige artikelen binnen deze categorie zijn specifiek gericht op de opleidingen waar ik lesgeef, anderen wat breder gericht op mbo of onderwijs in het algemeen.

 

 

 

 

laptop agenda to doAls blogger worden artikelen vaak pas interessant als je de grens opzoekt tussen wat wel en niet kan. Taboes doorbreken doe je niet door binnen de lijntjes te kleuren. Maar aan de andere kant heb je wel een leven buiten het bloggen om rekening mee te houden.

Wat deel je over je gezin?

Onder de mamabloggers is er een beetje een tweedeling: sommigen schermen hun kinderen af door geen namen te gebruiken en ze niet herkenbaar op de foto te zetten, anderen vinden juist dat persoonlijk bloggen als mamablogger niet kan zonder wat te delen over je kinderen.

Blijkbaar is er ook een naam voor: sharenting. Je leest er meer over in de artikelen van Lotus Writings en Twijfelmoeder.

Nu ben ik zelf geen echte mamablogger, maar ik schrijf weleens over het moeder zijn. Mijn dochters zijn 10 en 13 jaar oud en zelf al aardig vaardig in het vinden van de weg op internet. Net als hun klasgenoten en vrienden. Om die reden deel ik vrij weinig persoonlijke dingen over ze. Het zou niet leuk zijn dat ze op school aangesproken worden door een klasgenootje over iets wat ik over hen op mijn blog heb geplaatst.

Als ik schrijf over het moederschap, probeer ik dat zoveel mogelijk vanuit mijn rol te beschrijven, zonder op de persoonlijke kenmerken van mijn kinderen in te gaan. Ok, het zijn twee meiden, de leeftijd heb ik ook al weggegeven en verder mag je best weten dat de jongste zeer waarschijnlijk net als ik EDS heeft.

Ik zal best weleens schrijven over onderwerpen waar ik tegenaan loop in de opvoeding of hun ontwikkeling. Maar dit maak ik dan wat algemener door het door te trekken naar wat ik vanuit de theorie hierover kan vertellen als pedagoog. Of door ervaringen van andere chronisch zieke moeders samen te beschrijven met die van mij.

Wat deel je over je werk?

In het onderwijs zit hier een dubbele laag in: er wordt van mij verwacht dat ik me op een bepaalde manier gedraag op het internet en daarnaast is het ook mijn taak om studenten hier les over te geven, hoe zij dat in de praktijk kunnen brengen.

De onderstaande Prezi is bijvoorbeeld een les die ik gegeven heb over ethiek en social media. Het leverde interessante discussies op en gelukkig was de conclusie dat de meeste studenten wel weten wat wel en niet hoort.

De vakbond CNV heeft een protocol met richtlijnen voor social media welke net zo goed toepasbaar is bij het bloggen.

Waar ik zelf bij het bloggen rekening mee houd:

  • Ik ben oprecht in wat ik schrijf. Als ik het niet zou zeggen tegen mijn collega, werkgever of studenten, zou ik het ook niet op mijn blog plaatsen. Daarbij ben ik me er ook bewust van dat alles te vinden is op internet.
  • Geschreven tekst komt soms anders over dan gesproken tekst. Alhoewel ik hier en daar best weleens sarcastisch kan zijn of iets met een knipoog bedoelen, probeer ik erop te letten dat mijn tekst niet kwetsend overkomt.
  • Ik ben geen voorstander van het romantiseren van het vak als docent, maar probeer wel een balans te laten zien in mijn artikelen: docent zijn heeft leuke en minder leuke kanten.
  • Wat ik schrijf, is vooral mijn interpretatie. Wanneer ik daarbij gebruik heb gemaakt van andere bronnen, benoem ik deze (met link).
  • Werkgever, collega’s en studenten noem ik niet bij naam, tenzij zij dit zelf willen.

Toch word ik weleens aangesproken door collega’s of ik niet te negatief ben over mijn werk. Bijvoorbeeld bij het artikel over mijn ‘rotbaan‘ of over de werkdruk. Persoonlijk vind ik dat ik hierbij niet een grens overschrijd. Ik schrijf vanuit mijn ervaring en leg niet de schuld bij mijn werkgever of iets dergelijks. Iedereen weet toch dat er een hoge werkdruk is in het onderwijs en dat er ook minder leuke kanten aan elke baan zitten? Waarom zou je alleen maar de positieve kanten mogen delen?

Wat deel je over je ziekte of beperking?

Ook hier is het soms lastig een balans te vinden in wat je deelt. Dit blog ben ik begonnen om meer bekendheid te geven aan EDS, wat het inhoudt om hiermee te leven. Vanzelfsprekend schrijf ik dan over de klachten die ik heb. Persoonlijk vind ik het lastiger te schrijven over de kwaaltjes die anderen niet zien. Wil ik wel dat anderen weten wat er zich allemaal in mijn lijf afspeelt? Of wil ik alleen datgene delen waarvan ik hoop dat anderen er rekening mee houden, zoals mijn verminderde mobiliteit?

Voor mij ligt de grens bij het tot in detail beschrijven van klachten. Ik ga hier niet mijn ontlasting of wonden beschrijven en er al helemaal geen foto’s van plaatsen. Dat is echt TMI (too much information, voor degenen die hier bij de chronisch ziekenbingo tegenaan liepen).

En dan heb ik nog een lichte allergie voor betutteling en mensen die in de slachtofferrol kruipen. Waarschijnlijk is dat tussen de regels door wel op mijn blog te lezen. En hoe rot ik me soms ook voel, ik waak ervoor om niet alleen maar negatief over te komen.

Tot slot probeer ik ook bij dit onderwerp rekening te houden met de lezers. Bijvoorbeeld mensen die zelf een chronische ziekte of beperking hebben, zij bevinden zich allemaal op een ander punt in hun acceptatieproces en interpreteren mijn stukken tekst vanuit hun eigen ervaringen. Of de mensen die dichtbij mij staan, ik zou niet willen dat ze zich onnodig zorgen om mij maken. Dus dan doseer ik datgene wat ik wil delen enigszins.

Conclusie: ik ben niet alleen maar mijn blog, er is nog veeeeeeeel meer Jacqueline in het echte leven. 😉

Maar ik hou wel van een uitdaging, het opzoeken van grenzen: waar zou jij graag een artikel over willen lezen wat bijna die grenzen overschrijdt?

lesgeven

Eerder schreef ik over mijn worsteling met werk die ik in 2017 zou voortzetten, mijn ‘rotbaan‘ en lijntjes die ik heb uitgeworpen op zoek naar alternatieven. Het lesgeven in het mbo wordt fysiek te zwaar voor me en er moet echt iets gaan veranderen. Inmiddels heb ik een aantal gesprekken gehad op het gebied van werk en EDS.

Sollicitatiegesprek

Ik werd getipt voor een leuke vacature bij een deeltijd lerarenopleiding. Spannend ook: wil ik wel mijn vaste baan opgeven? Zou de overstap van mbo naar hbo wel passen bij mij?

Via het mobiliteitscentrum van mijn huidige werkgever begreep ik dat detacheren heel goed mogelijk is en ik op die manier mijn vaste contract kon houden. Ideaal, leek me. En al zou het wel wat verder reizen zijn, omdat het om een deeltijdopleiding ging, zou ik buiten de spits kunnen reizen en dat maakt voor mij een enorm verschil.

In het gesprek werd ik nog enthousiaster: het team (de helft was bij het gesprek aanwezig), de werkzaamheden en de flexibiliteit spraken me erg aan. Daarnaast leek me de verhouding lesgeven en andere taken goed te doen.

Helaas ben ik het niet geworden, maar ik hou de vacatures in de gaten!

Intakegesprek revalidatiearts

In de eerste plaats wilde ik naar een revalidatiearts met ervaring met EDS om geadviseerd te worden in het lopen wat bij mij steeds meer achteruit gaat. Daarnaast ook wat betreft het slapen en mijn werk.

Het gesprek duurde een uur en daarin was vooral de revalidatiearts aan het woord. Hij wist precies te vertellen hoe mijn lijf werkt, of eigenlijk vaak niet werkt door EDS.

Eén van zijn opmerkingen die even nodig had om op me in te laten werken, was dat trainen weinig zin heeft. EDS zorgt voor kwetsbare pezen en aanhechtingen. Je kan dan wel je spieren gaan trainen, maar die spieren zitten vast aan die zwakke schakel en je kan maar zo hard trainen als je zwakste schakel.

Ook een revalidatietraject van een aantal weken of maanden was in zijn ogen weinig zinvol. Je leert een trucje aan, maar zodra het normale leven weer om de hoek komt kijken en het moeilijk wordt, val je weer terug in je oude gedrag. Als je al je hele leven op de verkeerde manier bezig bent, over je grenzen gaat, is dat niet zo snel opgelost. Hij vergeleek het met een draaicirkel van een olietanker, die kan ook niet zo snel van richting veranderen.

Ik moet dus een stap terug doen. Binnen de ‘mwoah’-grens blijven en vooral mijn bekken meer rust geven. Daar krijg ik nog een bekkenband voor, om te zien of dat ervoor zorgt dat ik het lopen en zitten (ook op mijn werk) weer wat beter vol kan houden.

Behalve de bekkenband hebben we nog geen concrete dingen afgesproken, ik moest het vooral maar even laten bezinken. Niet meteen het roer om, maar de tijd en ruimte nemen om die olietanker te laten draaien.

Gesprek directie

Naar aanleiding van een medewerkerstevredenheidsonderzoek was de directie bij ons team op bezoek geweest en daar had ik wat dingetjes aangegeven die maakten dat ik niet altijd tevreden ben over mijn huidige werksituatie. Daar wilden ze graag één op één verder over in gesprek.

En dat heb ik als een heel positief gesprek ervaren. Ik kon mijn verhaal kwijt, voelde me gehoord en begrepen. Ik verwacht niet dat er a la minute een oplossing is, dat er ineens een functie gecreëerd wordt die precies bij mijn kwaliteiten en beperkingen past. Maar ik vond het fijn dat er meegedacht werd en te horen dat mijn baas zich ook verantwoordelijk voelt om mij zo lang en zo goed mogelijk aan het werk te kunnen blijven houden.

Uitgeworpen lijntjes

Ik denk dat het goede stappen zijn geweest om deze gesprekken aan te gaan. Binnenkort zullen er nog een paar van dit soort gesprekken komen en dan is het maar afwachten wanneer één van de uitgeworpen lijntjes beet heeft.

Vooral van de revalidatiearts heb ik hoge verwachtingen. Van lotgenoten heb ik alleen nog maar positieve verhalen over deze arts gehoord. Mijn eerste indruk was ook dat het een betrokken arts is met veel kennis van EDS.

En vanuit de andere gesprekken heb ik opgestoken dat ik voorlopig nog geen afscheid wil nemen van het onderwijs. En eigenlijk ook niet van het mbo. Ik voel me hier thuis en gewaardeerd, weet dat ik hier nog genoeg kan betekenen voor zowel studenten als collega’s. Aan de andere kant sta ik open voor nieuwe uitdagingen, dus ik ben benieuwd wat er nog op mijn pad gaat komen.

leerklimaat mboHet boek Beter leerklimaat in het mbo vond ik in januari in mijn postvakje, als cadeautje van de directie. Hier maak je mij altijd blij mee: boeken over onderwijs.

Er worden 40 tips gegeven om het gedrag van studenten te verbeteren. Het is een overzichtelijk geheel en daardoor snel door te lezen. Elke tip wordt op dezelfde manier toegelicht:

  • Om over na te denken
  • Aan de slag in je klas
  • De kern van de zaak

Alhoewel het boek van oorsprong geschreven is door Amerikaanse auteurs, zijn de situaties en tips net zo herkenbaar voor de Nederlandse situatie. Sorry voor de jongvolwassen studenten: jullie zijn gewoon ontzettend voorspelbaar. Geldt net zo goed voor de docenten trouwens.

Er zit wel aardig wat overlap in de tips en hier en daar wordt een open deur ingetrapt, maar wie weet is dit voor andere docenten wel wat nieuws.

Heel kort samengevat gaat het om een positieve benadering met oog voor de student. En dat is zeker iets waar ik me in kan vinden.

Tips die nu al goed voor mij werken

  • Geef studenten verantwoordelijkheid: Het zal je verbazen wat het effect is van letterlijk de bordstift in handen te geven van studenten. Als ze merken dat wat zij denken er toe doet, zijn ze veel meer bereid om nog dieper op de stof in te gaan.
  • Enthousiaste docent, enthousiaste studenten: Het ene vak is leuker om te geven dan het andere. Pedagogiek heeft mijn voorkeur, maar het vak organisatie kan ik met net zoveel enthousiasme overbrengen. Studenten zien er ook wel de humor van in: ‘Mevrouw, dit is helemaal niet zo leuk als u doet overkomen.’ En ondertussen blijven ze wel opletten, wachtend op het moment dat het wèl leuk gaat worden. Maar ik verklap natuurlijk niet dat dat leuke moment is wanneer zij de lesstof snappen en het belang ervan inzien.
  • Regels en procedures: Bij deze tip wordt er onderscheid gemaakt tussen regels die niet overtreden mogen worden (anders volgen er consequenties) en procedures, waarbij je een vaste manier hebt hoe dingen moeten gebeuren. Ik vind dat wel een mooi gegeven, iets om met mijn team bespreekbaar te maken. Zo hoeft het verbieden van de telefoon wat mij betreft geen regel te zijn. Maar ik vind het wel onderdeel van een procedure: je let op tijdens de uitleg, gaat aan het werk met een opdracht en pas als alles klaar is, mag de telefoon tevoorschijn komen. Dat is voor mij meteen een teken om misschien wat eerder naar een volgend lesonderdeel te gaan.

Tips die ik nog wel wat meer kan inzetten

  • Negeren is vooruitzien/ de afleidingsmanoeuvre: Dit is meteen wat ik bedoelde met overlap in verschillende tips. Want eigenlijk ben je nooit alleen maar aan het negeren, je gaat niet in op het negatieve gedrag, maar leidt de student af door zijn aandacht ergens anders op te richten. Ik ben er ook van overtuigd dat dit beter werkt dan je les te onderbreken en in te gaan op het negatieve gedrag, maar het lukt niet altijd. Zeker als de ene stoorzender de andere aansteekt, ben ik even kwijt hoe ik ze kan afleiden. En soms sta ik gewoon zo perplex van het gedrag, dat ik dat niet kan verbergen. Om even een extreme te noemen: ik betrapte een keer een student die een hijs nam van zijn elektrische sigaret, gewoon tijdens mijn les.
  • Praat zacht en rustig: Ook hiervan weet ik dat het werkt, in een drukke klas kun je beter juist zacht en rustig praten, dan doen studenten meer hun best om je te kunnen verstaan. Maar als ik in een open ruimte met computers en groepstafels van drie verschillende klassen tegelijkertijd de aandacht wil, lukt het me niet om dit zacht te doen. In een normaal klaslokaal waar ik sneller oogcontact heb met studenten, gaat het me een stuk beter af.

tips leerklimaat mbo

Welke tips zou jij een docent in het mbo willen geven om het leerklimaat te verbeteren?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

rolstoel scooterNiet zeuren, maar aanpakken!‘ Dat was één van de reacties die ik kreeg op de column die ik voor de Supportbeurs schreef: niet gehandicapt genoeg. Daarnaast ook veel reacties hoe herkenbaar het was om tussen wal en schip te vallen als het gaat om hulpmiddelen en aanpassingen. Maar die ene reactie bleef toch goed hangen.

Ik weet dat ik ook weleens de minder leuke kanten belicht van het chronisch ziek zijn. Het zou gek zijn als het alleen maar positief zou zijn, want het leven met EDS is nu eenmaal niet alleen maar leuk. Maar toch hoop ik over te komen als iemand die ervoor gaat, die haar best doet om zoveel mogelijk zelf voor elkaar te krijgen.

Dat dat niet bij iedereen zo overkomt, kan ik prima mee leven. Zo nu en dan weer even aangescherpt worden door iemand die een mening over je heeft na één column te hebben gelezen, zet me weer even met beide benen op de grond. Zo slecht heb ik het ook helemaal niet.

Net zo erg als mijn studenten

Met mijn studenten hadden we het pas over klachten en hoe de school hiermee omgaat. Zij vonden bijvoorbeeld dat er teveel opdrachten gegeven werden. Daar hadden ze over geklaagd, maar ze hadden niet het idee dat er wat mee gedaan werd. Maar toen ik vroeg hoeveel tijd ze aan huiswerk kwijt waren en het grootste deel van de groep toegaf dat ze er maar tussen de 0 en 2 uur per week aan besteden, dacht ik ook: niet zeuren, maar aanpakken!

Ik heb dat niet letterlijk geroepen, maar ik heb wel een preek gegeven over dat ze wat meer moeite mogen doen voor hun opleiding. Ik heb dus zitten zeuren tegen ze.

Vorige week kwam niet alleen die column op de Supportbeurs online, maar schreef ik hier ook nog eens over die ‘rotbaan’ van mij. Twee van zulke artikelen in één week en dan ook nog een preek naar je studenten. Ja, dan ben je toch echt wel een zeur.

Afscheid nemen van je maren

Toen ik lang geleden het boek Leven met pijn doorworstelde, kwam ik de oefening afscheid nemen van je maren tegen. Je beschrijft dan wat je zou willen en wat je tegenhoudt. Door vervolgens in elke zin het woord ‘maar’ weg te strepen en er ‘en’ voor in de plaats te zetten, verandert de betekenis en ga je er anders over denken.

Om het even toe te passen op mijn klaagzang van vorige week:

  1. Ik zou graag een uitdagende, leuke baan willen hebben, maar en het lesgeven is fysiek te zwaar voor me geworden.
  2. Ik zou graag de tijd willen krijgen om mijn werk goed uit te kunnen voeren, maar en die tijd is er niet.
  3. Ik zou graag zekerheid willen hebben over aanpassingen in mijn functie, maar en ik ben op papier niet ziek of arbeidsbeperkt waardoor mijn werkgever niet verplicht is mijn functie aan te passen.
  4. Ik zou graag dichtbij willen parkeren als ik mijn rolstoel gebruik, maar en ik heb geen gehandicaptenparkeerkaart.
  5. Ik zou financieel graag wat makkelijker willen hebben, maar en ik krijg geen tegemoetkoming in de kosten van het chronisch ziek zijn.

Aanpakken!

Niet gaan wachten tot een ander het voor je doet, maar gewoon zelf je schouders eronder zetten. Schop onder je kont en gaan. Ik kan natuurlijk wel mooi schrijven over zelfredzaamheid en afscheid nemen van je maren, maar dan moet ik het zelf ook gaan doen.

Bij het afscheid nemen van je maren wil je er eigenlijk meteen het woord ‘dus’ achteraan plakken en een oplossing geven voor het probleem. Tenminste, dat effect heeft die oefening op mij.

  1. Dus ga ik op zoek naar alternatieven binnen het onderwijs.
  2. Dus moet ik leren loslaten en werk over te dragen.
  3. Dus ga ik met mijn leidinggevenden in gesprek over welke aanpassingen wèl mogelijk zijn.
  4. Dus neem ik mijn rolstoel mee op mijn scooter.
  5. Dus ga ik op zoek naar andere mogelijkheden tot extra inkomsten, zoals crowdfunding of misschien in de toekomst zelfs dit blog.

Wordt vervolgd dus…

lesgeven

Zo’n rotbaan waarbij je altijd maar klagende mensen voor je neus krijgt. Waarbij je meer taken krijgt dan uren om ze uit te kunnen voeren. Waar overwerken niet bestaat, maar het normaal is om op je vrije avonden of dagen met je werk bezig te zijn. Bah, je zal zo’n baan maar hebben! Of…

Moet je werk altijd maar leuk en uitdagend zijn?

Een tijdje geleden las ik een interview met een filmmaker met een Wajong-uitkering. En stiekem was ik een beetje jaloers. Met behoud van zijn uitkering (uiteraard wordt het wel verrekend) kan hij zijn droombaan waar maken, terwijl anderen genoegen moeten nemen met een rotbaan om rond te kunnen komen. Er staan genoeg dingen in het interview waar ik hem gelijk moet geven hoor, maar toch steekt het een beetje. Ik vind het niet eerlijk dat ik wel steeds maar weer moet inleveren.

Vervolgens las ik een artikel over hoogbegaafden die werkloos thuis zitten, omdat ze te weinig uitdaging hebben op het werk. En dan denk ik aan die onderwijsleider die ooit tegen me zei: ‘Als jij fulltime had kunnen werken, had je makkelijk ook onderwijsleider kunnen worden.’ En ik had het beter gedaan dan die persoon ook. Alleen, helaas pindakaas, als het je fysiek niet lukt om fulltime te kunnen werken, kun je fluiten naar dit soort functies. Maar om dan je baan op te geven, omdat het niet genoeg uitdaging geeft, dat begrijp ik niet zo goed. Of nou ja, ik snap dat je dan op zoek gaat naar iets anders. Maar voordat je iets anders hebt, zou ik niet zo snel mijn baan opgeven, ik zou er toch het beste van proberen te maken.

Is het echt zo erg om werk onder je niveau te doen? Ok, als het leidt tot een ‘bore-out‘, is dat erg vervelend. Maar voor elke rotbaan geldt: iemand moet het doen. Er zijn heus meer mensen die hun werk niet altijd met plezier doen. Maar er zullen minstens net zoveel mensen zijn die zouden willen dat ze die rotbaan hadden, maar werkloos of afgekeurd thuis zitten.

Mijn rotbaan

Meestal vind ik mijn werk erg leuk. Maar met vlagen irriteer ik me aan mijn werk en vraag ik me af of het de overbelasting van mijn lijf waard is. En op zo’n punt zit ik nu.

Sinds dit schooljaar ben ik minder les gaan geven en heb ik de taak van examenleider gekregen, in de hoop dat dat minder zwaar zou zijn voor mijn lijf. En in de meeste opzichten is het ook minder zwaar. Ik kan veel vanachter mijn laptop doen en de overstap van drie hele dagen naar twee hele en twee halve dagen is mij goed bevallen.

Maar het is echt stom, dat examenleider zijn. Om het even op te sommen:

  • Examens aanvragen, formulieren checken, cijfers invoeren… Het is gewoon saai werk.
  • Ik zie mijn collega’s minder, omdat ik in een apart hok zit.
  • Het werk is zo ontzettend veel in zo weinig tijd, dat ik toch fouten maak. En dat vind ik als perfectionist toch wel het vervelendste.
  • De verantwoordelijkheid weegt erg zwaar. Als ik iets niet goed doe, kan het ertoe leiden dat een student geen diploma haalt. Of als de onderwijsinspectie ziet dat iets niet in orde is, kan het ertoe leiden dat we die hele opleiding niet meer aan mogen bieden. Ook op andere locaties niet.
  • Het werk is nooit af, er blijft altijd wel iets liggen. Daar ga ik vervolgens thuis ook nog over zitten malen, wat mijn nachtrust geen goed doet.
  • Examenleider is een taak naast het lesgeven en studieloopbaanbegeleider zijn. Doordat er meer tijd gaat zitten in de examinering, kan ik niet de kwaliteit bieden in mijn lessen die ik zou willen.
  • Mensen zoeken me vooral op als ze ergens niet tevreden over zijn. En denken dat ik dat kan veranderen, wat niet altijd het geval is.
  • Ik moet mijn collega’s feedback geven als ze iets niet goed gedaan hebben. Niet tof om te moeten doen, kan ik je zeggen.
  • Slecht nieuws aan studenten moeten geven is trouwens ook niet tof.
  • En tot slot: ook al is deze taak fysiek minder zwaar dan lesgeven, ik ga nog steeds achteruit.

Wat is het alternatief?

Ik zou me ziek kunnen melden, daar heb ik genoeg aantoonbare redenen voor. Want welke malloot laat zich door een baan een rolstoel in jagen? En dan maar afwachten of ik daadwerkelijk afgekeurd wordt, zodat ik thuis kan zitten met een uitkering, of een aangepaste functie krijg. Of, wie weet kan ik ook wel filmmaker worden!

Nee, dat kan ik dus niet. Sowieso heb ik het talent niet om filmmaker te kunnen worden. Maar ik vind het daarnaast lastig om me ziek te melden terwijl ik weet dat ik wel de uren kan werken, maar alleen maar moeite heb met bepaalde taken.

Een andere optie is om intern of extern op zoek te gaan naar een andere functie.

Intern (of met name in de branche waar ik werk) vraag ik me af of die er is. Tot nu toe heb ik vooral het idee dat je als docent gewoon alles moet kunnen en het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Je specialiseren in een functie buiten het lesgeven, is maar voor weinig mensen weggelegd.

Extern op zoek gaan naar een andere functie vind ik best spannend. Want dat vaste contract wat ik nu heb en alles wat ik binnen mijn werk heb opgebouwd, durf ik toch niet zo goed achter me te laten. Om dan weer van voren af aan bij een andere organisatie te starten met de onzekerheid van een tijdelijk contract.

Ik gooi het bijltje er niet zomaar bij neer en heb inmiddels wat lijntjes uitgeworpen. Geen idee nog wat het gaat opleveren. Maar als het me wat gaat opleveren, zal ik daar vast wel wat van delen op mijn blog! En tot die tijd probeer ik maar die rotbaan te veranderen naar een leuke baan. Wie weet wil ik straks niet eens meer iets anders. 😉

laptop agenda to doIn het onderwijs wordt er regelmatig aandacht besteed aan 21e eeuwse vaardigheden. Het idee erachter is dat we in de moderne tijd waarin we leven, andere vaardigheden nodig hebben dan voorheen aangeleerd werden. Sommige beroepen waar studenten nu voor opgeleid worden, zullen er op een gegeven moment niet meer zijn. Die 21e eeuwse vaardigheden kunnen in alle beroepen nuttig zijn, zodat studenten toch voorbereid zijn op de toekomst.

Maar los van school en werk, denk ik dat het juist ook goed is voor chronisch zieken om zich bewust te zijn van deze 21e eeuwse vaardigheden. En ze wellicht ook verder te ontwikkelen.

Dit filmpje laat in het kort zien wat die 21e eeuwse vaardigheden inhouden. Meer is te lezen op de website van SLO. De omschrijvingen die in dit artikel per vaardigheid te lezen zijn, komen hier ook vandaan.

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Wanneer je chronisch ziek bent, zul je keer op keer met tegenslagen en veranderingen te maken hebben. Daar is geen handleiding voor. Je kan dan bij de pakken neer zitten, maar daar schiet je niets mee op.

Kritisch denken

Bij kritisch denken gaat het om het vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk, maar ook houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen spelen een essentiële rol.

Is het wel of niet verstandig om weer voor een nieuwe behandeling of operatie te gaan? Hoe hou je belasting en belastbaarheid in balans? Genoeg denkvoer om eindeloos over te piekeren. Maar de kunst is om ook knopen door te hakken op basis van die afwegingen. Niet gemakkelijk, kan ik je wel zeggen.

Creatief denken

Creatief denken en handelen is het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.

Geen mens is hetzelfde en wat voor de één een goede oplossing zal zijn, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Zeker bij aandoeningen die niet zoveel voorkomen, hebben behandelaars ook niet altijd een geschikt antwoord.

Door out-of-the-box te denken en risico’s te durven nemen, kom je soms tot ideeën die je leven een stuk makkelijker maken. Om even een simpel voorbeeld te geven: het je al eens gezien hoe ik mijn rolstoel meeneem op mijn scooter?

Probleem oplossend denken

Probleemoplossend denken en handelen is het vermogen om een probleem te (h)erkennen en tot een plan te komen om het probleem op te lossen.

Daarbij is het proces dat leidt tot het oplossen van het probleem belangrijker dan het vinden van de oplossing zelf.

Wanneer je strategieën kunt bedenken om tot een oplossing te komen voor het ene probleem, kun je deze ook toepassen bij andere problemen.

Computational thinking

Computational thinking is het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie het probleem op te lossen. Het gaat daarbij om een verzameling van denkprocessen waarbij probleemformulering, gegevensorganisatie, -analyse en -representatie worden gebruikt voor het oplossen van problemen met behulp van ICT-technieken en -gereedschappen.

Denk bijvoorbeeld aan al die apps gericht op gezondheid. Revalidatieapps heeft hier al een aardig overzicht in gemaakt. Een activiteitenweger, pijndagboek, calorieënteller, stappenteller, mindfulness en andere oefeningen, voor van alles is er wel een app. En met bijbehorende gadgets kun je nog meer inzicht krijgen in je gezondheid, zoals je slaap analyseren.

Informatievaardigheden

Informatievaardigheden omvat het scherp kunnen formuleren en analyseren van informatie uit bronnen, het op basis hiervan kritisch en systematisch zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en verwijzen van relevante informatie en deze op bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen en evalueren. In de context van 21e-eeuwse vaardigheden gaat het hierbij vaak om digitale bronnen.

In de weg naar een diagnose en ook daarna zul je als chronisch zieke flink wat tijd hebben doorgebracht op Google. Waar komen mijn klachten vandaan? Bij wie moet ik zijn voor diagnose en behandeling? Wat staat me nog meer te wachten?

Al die digitale bronnen maken jou nog steeds geen arts. Maar het kan je wel helpen om je gerichter door te laten verwijzen.

En bedenk ook dat niet elke bron even betrouwbaar is. De ene richt zich meer op wetenschappelijke feiten en de ander meer op opinie. Het is dan maar net welke informatie je nodig hebt. Wat betreft relevante informatie over aandoeningen zou ik websites van patiëntenverenigingen (zowel nationaal als internationaal) eerder aanraden dan Wikipedia.

Wordt vervolgd…

De oplettende lezer ziet dat er nog een stuk of 5 vaardigheden overblijven. Om alles in één keer te beschrijven, zou tot een enorme lap tekst leiden. Dus vandaar dat er volgende week een deel 2 verschijnt met daarin de vaardigheden:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Communiceren
  • Samenwerken
  • Sociale en culturele vaardigheden

Welke vaardigheden pas jij al toe? En waar zou jij je meer in kunnen ontwikkelen?

laptop agenda to doIn de 15 jaar dat ik in het onderwijs werk met pijnklachten door EDS, had ik me nog niet eerder hoeven ziekmelden vanwege de pijn. Tot dit schooljaar dus. Een nieuwe ervaring, waar ik vooral van geleerd heb wat ik beter wel en niet kan doen. Dat het vooral gaat om het aangeven van grenzen en het vinden van een balans om overbelasting te voorkomen, is geen verrassing. Maar met de piekbelasting die zo gewoon lijkt te zijn in het onderwijs, is het wel een flinke uitdaging.

Piekbelasting

In het mbo werk je niet met een standaard werkweek, we hebben een normjaartaak met een bepaald aantal uren die opgevuld worden met lessen, individuele gesprekken, stagebezoeken, nakijken van examens, teamtaken, scholing, enzovoort. Daardoor kan het zo zijn dat je de ene periode weinig bent ingeroosterd en de volgende weer wat meer. Of je kunt het 8 van de 10 weken in een periode rustig aan doen en die laatste twee weken is er ineens enorm veel nakijkwerk. Het hoort er een beetje bij, die piekbelasting.

Alleen dit schooljaar begon het meteen met zo’n enorme piek, dat ik me vlak voor de herfstvakantie al moest ziekmelden, omdat mijn lijf overbelast was. En dat terwijl ik juist vooraf met een ergotherapeut naar mijn werk en werkplek had gekeken wat er nog anders kon en er zelfs een trippelstoel voor me aangeschaft was.

Ziekmelden

Maar dat ziekmelden stelde achteraf gezien niet zoveel voor. Alhoewel de bedrijfsarts me liever voor 50% ziek wilde melden, koos ik zelf voor 25%. Maar nadat er 25% van mijn lessen en taken afgehaald was, lukte het me nog niet om drie dagen van 6 in plaats van 8 uur te maken. Toen we goed naar mijn uren keken, bleek dat ik er gewoon teveel had (dus niet zo gek dat mijn lijf overbelast was). Met dat kwart eraf, kwam ik pas aan mijn gewone aanstelling, dus er moest nog een kwart af. Voordat ik echt die dagen van 6 uur maakte, waren er weer wat weken voorbij.

Uiteindelijk heeft het wel wat geholpen. Na een half jaar met korte dagen, leek mijn lijf weer wat hersteld. Ik kon thuis weer fatsoenlijk functioneren na een werkdag, dus ik wilde langzaamaan opbouwen naar hele dagen. En dat is ingewikkeld in het onderwijs waar met periodes van 10 weken gewerkt wordt. Langzaamaan werd dus meteen met ingang van de nieuwe periode beter gemeld worden en ik kreeg er nog een leuke taak bij. Lastig om dan nog je grenzen aan te geven, want dan zou die leuke taak er natuurlijk als eerste af gaan.

Alles bij elkaar opgeteld, heb ik 860 uur gemaakt (op papier dan, sommige taken kosten meer tijd dan je ervoor krijgt) in plaats van de 917 die ik zou maken als ik niet ziek zou zijn geweest. Die periode van 25% ziekgemeld zijn, zou neerkomen op 127 uur minder op mijn jaartaak. Maar ik kan ook niet zeggen dat ik nu 70 overuren heb gemaakt, want ik kom niet over mijn jaartaak heen qua uren. Toch? Maar ik voel me wel een beetje genaaid zo…

Wat heb ik opgestoken van dit schooljaar?

Al stelde dat ziekmelden niet zoveel voor, ik heb er wel een hoop van opgestoken. Dus in dat opzicht is het niet voor niks geweest. Soms is het goed om in plaats van steeds maar weer aan te passen en door te gaan, even een pas op de plaats te nemen.

Dit is wat ik ervan opgestoken heb:

  • Van tevoren de uren checken en een goede verdeling maken over het schooljaar, niet pas als ik aan mijn lijf merk dat het niet klopt.
  • Voor een deel ziekmelden heeft niet zoveel zin als je vervolgens toch weer meer taken erbij krijgt. Mocht het ooit weer nodig zijn, dan zou ik me meteen voor 100% ziekmelden.
  • Zelf duidelijk grenzen aangeven, er is niemand anders die het ziet of voor mij doet.
  • Ik heb gemerkt dat het maar een dun lijntje is, wat werken scheidt van overbelasten. Bij de kleinste verandering merk ik het meteen aan mijn lijf. Bijvoorbeeld toen ik voor die nieuwe taak vaker mijn laptop mee moest nemen om op een andere locatie te werken, toen kreeg ik meteen last van mijn nek en schouders.
  • Aan de andere kant is mijn lijf nog steeds in staat om te herstellen door rust te nemen en dat is prettig om te weten.
  • Af en toe werk uit handen geven of laten liggen is oké. Normaal ben ik erg perfectionistisch, maar dit schooljaar heb ik bewust soms dingen laten liggen. Ik geloof niet dat mijn collega’s of studenten er veel last van ondervonden hebben dat ik niet overal aan toe ben gekomen.
  • Lesgeven vanuit een rolstoel werkt niet voor mij. Ik heb het geprobeerd, maar ik mis het overzicht over de klas en het kunnen rondlopen tussen de studenten als ze aan het werk zijn. Mijn rolstoel is ook niet gemaakt om hele dagen in te zitten, wat het vermoeiender en pijnlijker maakt dan het gebruiken van mijn trippelstoel.
  • Ik heb hele fijne collega’s die bereid zijn mij tegemoet te komen, zodat ik minder belastende taken kan doen. Om die nieuwe taak als examenleider te kunnen uitvoeren, ga ik volgend schooljaar minder lesgeven, wat mijn collega’s dan moeten opvangen. Super om te horen dat zij hier dan ook achter staan.

Heb jij je weleens ziek moeten melden vanwege pijnklachten? Hoe kun je dit volgens jou voorkomen?

toegankelijkheid dilemma

Nu ben ik al een flinke poos aan het puzzelen hoe ik mijn werk zo goed mogelijk kan indelen, zodat mijn lijf daar zo min mogelijk last van heeft, het blijft een lastig dilemma. Al tijdens mijn laatste revalidatie werd duidelijk dat het vooral mijn werk is waarin ik niet genoeg die salamitechniek kan toepassen, waarbij ik over mijn grenzen ga en zo alleen maar steeds meer mijn eigen lijf verziek. Afgelopen schooljaar ben ik een tijdje voor 25 procent ziekgemeld, ik werkte toen drie dagen van 6 uur. Maar dat was ontzettend lastig, er bleven taken liggen en vaak kwam ik toch weer over die 6 uur heen.

Dilemma: wil ik wel examenleider worden?

Voor het nieuwe schooljaar wil ik het (weer…) goed aan gaan pakken. Minder lesgeven en meer andere taken daaromheen op me nemen, waarbij ik zelf mijn tijd in kan delen. En nu komt er ook nog eens een functie vrij in ons team, namelijk die van examenleider. Alleen moet een examenleider wel minimaal over vier dagen verspreid werken, wat in mijn geval zou betekenen dat ik twee hele en twee halve dagen zou werken.

Het toeval wil dat ik op dit moment met mijn studenten ook bezig ben met dilemma’s. Daarbij gebruiken we onder andere het discussiespel ‘Keuzes en dilemma’s in het kinderdagverblijf’  van Movisie, waarbij je bij een dilemma de alternatieven naast elkaar zet en van beide de positieve en negatieve effecten belicht. In het negatieve blijven hangen leidt tot stagnatie, van beide polen het positieve benutten leidt tot groei.

Positieve en negatieve effecten

Dus dat is wat ik gedaan heb, ik heb alles eens op een rijtje gezet:

dilemma werk

Positieve polen benutten

En dan de volgende stap: de positieve polen benutten. Ik kan niet van allebei een beetje doen, het is of het één, of het ander. Maar ik kan wel bedenken onder welke condities de taak van examenleider ook op fysiek gebied wat voor me oplevert. Zo kwam ik op het volgende:

  • De woensdag vrijhouden, zodat ik dan ook dingen met de kinderen kan ondernemen.
  • De halve dagen van 8.00 – 12.30 uur werken, zodat ik een duidelijke grens heb en thuis kan lunchen.
  • Elke dag vaste uren voor examentaken.
  • Het examenhok ergonomisch inrichten.
  • Wat betreft de overige taken: liever geen stagebezoeken meer afnemen, maar wel graag onderwijs blijven ontwikkelen/schrijven.

Hiernaast heb ik mijn dilemma voorgelegd aan een paar goede vriendinnen, lotgenoten, collega’s en mijn man uiteraard. Allemaal kennen ze me goed, maar allemaal vanaf een andere kant, de adviezen die ik kreeg, waren dan ook heel wisselend. Wat in bijna alles terugkwam, is dat àls ik de taak van examenleider op me ga nemen, ik heel erg goed op mijn grenzen moet gaan letten. Nog meer dan ik nu doe. De briljante tip die ik daarvoor van mijn man kreeg, was om dan op die halve dagen gewoon geen brood of geld mee te nemen, zodat ik wel naar huis moet om te eten.

Na dit alles heb ik toch besloten om aan te geven dat ik de taak van examenleider wel op me wilde nemen. Vorige week hebben we dit in het team besproken en zij hebben ook positief gereageerd. Dus: ik ga het doen!

Hoe pak jij dilemma’s in je werk aan?
Denk je dat ik nog iets over het hoofd heb gezien en heb jij hier nog tips voor?

 

passend onderwijsNa wat ik eerder schreef over inclusiedans, lijkt dit misschien haaks te staan op mijn visie op inclusie en waarschijnlijk zal ik hiermee ook wel mensen tegen het zere been trappen. Maar dat passend onderwijs is toch wel erg lastig om in het mbo in de praktijk te brengen. Of laat ik dan in ieder geval spreken voor de opleidingen waar ik les aan geef: onderwijsassistent, medewerker maatschappelijke zorg en pedagogisch werk (OA, MMZ en PW).

Passend onderwijs, hoe het zou moeten

In 2014 is het passend onderwijs ingevoerd, ook in het mbo. Dat wil zeggen dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van passend onderwijs aan studenten met een ondersteuningsvraag (bijvoorbeeld met betrekking tot een handicap of chronische ziekte) en de ondersteuning te bieden die nodig is om tot een diploma te komen. Met de juiste vooropleiding en motivatie zou dan verder geen onderscheid tussen studenten hoeven zijn, door de passende begeleiding zouden studenten met een ondersteuningsvraag ook hun diploma kunnen halen.
En toch werkt het niet zo, tot teleurstelling van sommige studenten en ouders.

Wie ben ik om daarover iets te durven zeggen?

Voordat ik verder uitweid over wat ik er allemaal van vind, is het voor de mensen die mij niet persoonlijk kennen misschien handig om wat meer over mij te weten. Ik denk namelijk dat ik wel een beetje weet waar ik over praat.

Ooit ben ik zelf begonnen in het mbo, ik deed de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk en ging daarna aan de slag als begeleidster in de dagbesteding en woonvoorzieningen voor verstandelijk gehandicapten. Toen ik na een paar jaar door polsklachten geen rolstoelen meer mocht duwen, ben ik als onderwijsassistent gaan werken op een basisschool. In de avonduren ben ik verder gaan studeren, onder andere omdat ik met een andere opleiding weer meer kanten op kon. Ik heb pedagogiek gestudeerd, mijn tweedegraads lesbevoegdheid gehaald en uiteindelijk ook een master in leren en innoveren. Inmiddels werk ik 12 jaar als docent in het mbo, waarbij ik regelmatig contact heb met het werkveld. Daarnaast zijn mijn fysieke klachten (veroorzaakt door EDS) dusdanig verergerd, dat ik me in mijn werk behoorlijk beperkt voel en hier regelmatig mee worstel.

Het is geen eenzijdig verhaal wat ik wil vertellen, ik ken zowel de kant van het werkveld, de opleiding als de persoon met een beperking.

De beperkingen van het passend onderwijs in het mbo

Bij opleidingen OA, MMZ en PW worden studenten opgeleid om groepen kinderen en/of kwetsbare doelgroepen te begeleiden. Dat vraagt nogal wat van de student, niet alleen je toekomstige collega’s moeten op je kunnen bouwen, maar ook de doelgroep waar je mee werkt. Beperkingen op het fysieke en sociale vlak maken dat erg lastig. Als je ziek thuis blijft, schuift het werk niet op naar een volgende werkdag, de groep krijgt dan een andere (onbekende) begeleider, wat bij deze doelgroep voor onrust kan zorgen. En wat als je moeite hebt met het herkennen van non-verbaal gedrag, hoe kun je dan begrijpen wat een kind of cliënt wil zeggen als diegene niet kan praten? Of hoe kun je een oudere ondersteunen bij het lopen naar de dagbesteding, terwijl je zelf niet stabiel staat?

Het werken met mensen vraagt fysiek en mentaal veel van je en dat is wel iets wat je moet kunnen, dat geldt net zo goed voor iemand met als zonder beperking. Ik ben daar misschien wat streng in, maar ik leid mijn studenten niet voor spek en bonen op, ik leid ze op tot een beroepskracht en daar horen bepaalde verwachtingen bij.

Los van het beroep, maak ik me ook zorgen om de toekomst van de student.

Voor passend onderwijs is geen indicatie nodig, maar een ondersteuningsvraag. Dan kan het dus zo zijn dat er maar weinig over de beperkingen of diagnose van de student op papier staat. Er is vaker geen overdracht vanuit het voortgezet onderwijs dan wel en bij de intake zijn studenten niet verplicht hun beperkingen te melden. Studenten willen soms zo graag, dat ze iets verzwijgen uit angst afgewezen te worden. Met zo’n blanco start duurt het lang voordat alles in kaart is gebracht en ondersteuning op gang is gezet. Soms te laat, waardoor de student zonder diploma de school verlaat.

Maar ook als de ondersteuningsvraag vanaf het begin al helder is: Het wordt steeds lastiger om een Wajong uitkering te kunnen krijgen en het UWV ziet het bezitten van een mbo-diploma als de mogelijkheid om te kunnen werken. Hoe realistisch is dat als een student met veel ondersteuning, aanpassingen en begeleiding het uiteindelijk wel gelukt is om dat diploma te halen, maar dus eigenlijk niet kan functioneren naar wat er van de beroepskracht gevraagd wordt? Geen Wajong betekent ook dat je niet opgenomen wordt in het doelgroepenregister, dus werkgevers gaan dan niet zo snel moeite doen om de functie aan te passen.

Opleiden tot een uitkering met bijbehorende studieschuld die ze vervolgens niet meer kunnen aflossen… Nee, daar ben ik geen docent voor geworden.

Last, but not least wil ik ervoor waken dat studenten al op jonge leeftijd continu over hun grenzen moeten gaan om te kunnen functioneren als de rest en hiermee hun klachten verergeren. Als ik van tevoren had geweten dat ik EDS heb en het geen goed idee was om dan in de gehandicaptenzorg te gaan werken, had ik wel andere keuzes gemaakt. Wie weet was ik dan wel in staat om fulltime te werken en had ik die rolstoel niet nodig gehad. Misschien ook niet, het is de koe in z’n kont kijken, maar feit is wel dat mijn lijf door overbelasting flink achteruit is gegaan.

Wat is er dan wèl mogelijk in het mbo?

Natuurlijk is het niet aan mij om iedereen maar af te wijzen met een beperking en dat gebeurt ook echt niet. Bij de intake van een opleiding is het belangrijk dat de student aangeeft wat de beperkingen zijn, de intaker kan vervolgens uitleggen welke mogelijkheden er binnen de school zijn voor ondersteuning. Wij hebben bijvoorbeeld een zorgdocent in huis, die samen met de student een ondersteuningsplan opstelt en begeleiding biedt. Als het echt nodig is, is er ruimte om de opleiding te verlengen en/of afspraken te maken wat betreft het lesrooster en stagedagen. Als een student eenmaal begonnen is aan een opleiding, doen we er alles aan om diegene naar een diploma te helpen.

Maar beter zou zijn als een student van tevoren een bewuste keuze maakt en weet wat de opleiding inhoudt en het werk waarvoor wordt opgeleid. Als er een alternatief is wat beter aansluit bij de mogelijkheden, ga daar dan voor! Elke situatie en opleiding is anders. Als OA werk je onder verantwoordelijkheid van de leerkracht, zijn de kinderen aardig zelfstandig en zit er veel structuur in de dag. Het zou goed kunnen dat dit beter aansluit dan het werk van een PW’er, die zelfstandig een groep draait, waarbij veel prikkels zijn en het werk veel verzorgende taken heeft. Misschien is het een optie om een opleiding te kiezen die minder zwaar is en daarna door te stromen naar het hbo.
Wanneer Wajong eenmaal is toegekend, zijn er nog andere mogelijkheden. Raissa heeft zo al eerder geschreven over hoe zij het studeren met een functiebeperking aanpakt.

 

Hoe denk jij over passend onderwijs? Zou iedereen elke opleiding moeten kunnen volgen?

 

20160330_120507-1-1

Ik had als reactie op mijn blog ‘Zoektocht naar passend werk’ de tip gehad om een voor mij ideale werkweek op papier te zetten, dat heb ik dan ook gedaan zoals je op de foto kunt zien. De gele vlakken kan ik zelf indelen, die wil ik dus zoveel mogelijk af kunnen wisselen met de roze en blauwe vlakken, die wel vast staan.
Nu ben ik van twee klassen SLB’er (of mentor), dat is met mijn kleine aanstelling van drie dagen best pittig, helemaal met de bijbehorende stagebezoeken (BPV) en individuele gesprekken (SLBin). Dat wil ik dus voor volgend schooljaar terugbrengen naar één klas.
En iets minder lesgeven (maximaal 12 lesuren) en dus iets meer andere taken. Het van de ene naar de andere les door moeten, zonder pauze, ervaar ik als vrij zwaar. Ik heb het met rolstoel geprobeerd, maar dat bevalt me toch niet zo goed. Letterlijk voor de klas staan en dus ook rond kunnen lopen, is toch iets waar ik niet zonder kan. En dat maakt het tegelijkertijd weer zwaarder.
Maar met het schuiven van lesgeven naar extra taken, kom ik toch aan mijn volledige aanstelling en uiteindelijk is het niet eens zoveel minder dat ik dan aan lesgebonden activiteiten heb (normaal is dat 72%, ik kom dan op 64%).
Zo had ik dus mijn plan bedacht voor volgend schooljaar. Tot aan de zomervakantie wilde ik dan nog niet volledig aan de slag, maar wel iets meer lesgeven dan ik nu doe.

Dus vanmiddag ging ik goed voorbereid naar de bedrijfsarts en vanaf het moment dat ik vertelde dat ik volgend blok weer twee lesuur erbij wilde, ging er iets mis. Nu snap ik best dat ik voor die man een ingewikkeld geval ben. Ik ben niet helemaal ziek gemeld, maar voor maar 25%. En als ik dan ook nog zeg dat daar weer iets van af mag, dan wordt het een ingewikkeld rekensommetje. Dus ik had niet echt de behoefte om mijn tekeningetje uit mijn tas te halen, helemaal toen hij reageerde met ‘Elke docent die ik zie, wil wel minder voor de klas staan’. Ja, dat zal wel, maar ik geloof niet dat elke docent een fysieke beperking heeft die dat lastig maakt. Ik wil het trouwens helemaal niet, maar mijn lijf laat zo snel merken dat het overbelast is, dat dit gewoon een verstandigere keuze is.

Weet je, ik vind het wel weer prima zo, ben een beetje klaar met die bedrijfsarts. In oktober vond hij eigenlijk dat 25% ziek melden te weinig was, dat zou toch minstens 50% moeten zijn en hij lachte me nog net niet uit toen ik aangaf dat ik uiteindelijk weer mijn volledige aanstelling wilde gaan werken: ‘Je weet dat EDS een progressieve aandoening is?’ En nu had hij het erover dat het medisch gezien allemaal goed ging. Ja, op papier dan, want ik kon toch weer wat meer gaan werken? Nee, medisch gezien gaat het best kut. Maar met drie dagen van zes uur is mijn lijf minder overbelast dan het hiervoor was.
Volgend blok ga ik dus langzaamaan weer richting mijn volledige aanstelling. Op papier dan, de rest regel ik wel met mijn onderwijsleider en collega’s.

Nu heb ik hele fijne collega’s en ik heb er ook wel vertrouwen in dat het goed gaat komen, maar zou jij het verschuiven van taken durven vragen aan collega’s? Of zou je ervoor open staan om te gaan schuiven met taken, zodat een andere collega niet overbelast raakt?