Berichten

lesgeven

Zo’n rotbaan waarbij je altijd maar klagende mensen voor je neus krijgt. Waarbij je meer taken krijgt dan uren om ze uit te kunnen voeren. Waar overwerken niet bestaat, maar het normaal is om op je vrije avonden of dagen met je werk bezig te zijn. Bah, je zal zo’n baan maar hebben! Of…

Moet je werk altijd maar leuk en uitdagend zijn?

Een tijdje geleden las ik een interview met een filmmaker met een Wajong-uitkering. En stiekem was ik een beetje jaloers. Met behoud van zijn uitkering (uiteraard wordt het wel verrekend) kan hij zijn droombaan waar maken, terwijl anderen genoegen moeten nemen met een rotbaan om rond te kunnen komen. Er staan genoeg dingen in het interview waar ik hem gelijk moet geven hoor, maar toch steekt het een beetje. Ik vind het niet eerlijk dat ik wel steeds maar weer moet inleveren.

Vervolgens las ik een artikel over hoogbegaafden die werkloos thuis zitten, omdat ze te weinig uitdaging hebben op het werk. En dan denk ik aan die onderwijsleider die ooit tegen me zei: ‘Als jij fulltime had kunnen werken, had je makkelijk ook onderwijsleider kunnen worden.’ En ik had het beter gedaan dan die persoon ook. Alleen, helaas pindakaas, als het je fysiek niet lukt om fulltime te kunnen werken, kun je fluiten naar dit soort functies. Maar om dan je baan op te geven, omdat het niet genoeg uitdaging geeft, dat begrijp ik niet zo goed. Of nou ja, ik snap dat je dan op zoek gaat naar iets anders. Maar voordat je iets anders hebt, zou ik niet zo snel mijn baan opgeven, ik zou er toch het beste van proberen te maken.

Is het echt zo erg om werk onder je niveau te doen? Ok, als het leidt tot een ‘bore-out‘, is dat erg vervelend. Maar voor elke rotbaan geldt: iemand moet het doen. Er zijn heus meer mensen die hun werk niet altijd met plezier doen. Maar er zullen minstens net zoveel mensen zijn die zouden willen dat ze die rotbaan hadden, maar werkloos of afgekeurd thuis zitten.

Mijn rotbaan

Meestal vind ik mijn werk erg leuk. Maar met vlagen irriteer ik me aan mijn werk en vraag ik me af of het de overbelasting van mijn lijf waard is. En op zo’n punt zit ik nu.

Sinds dit schooljaar ben ik minder les gaan geven en heb ik de taak van examenleider gekregen, in de hoop dat dat minder zwaar zou zijn voor mijn lijf. En in de meeste opzichten is het ook minder zwaar. Ik kan veel vanachter mijn laptop doen en de overstap van drie hele dagen naar twee hele en twee halve dagen is mij goed bevallen.

Maar het is echt stom, dat examenleider zijn. Om het even op te sommen:

  • Examens aanvragen, formulieren checken, cijfers invoeren… Het is gewoon saai werk.
  • Ik zie mijn collega’s minder, omdat ik in een apart hok zit.
  • Het werk is zo ontzettend veel in zo weinig tijd, dat ik toch fouten maak. En dat vind ik als perfectionist toch wel het vervelendste.
  • De verantwoordelijkheid weegt erg zwaar. Als ik iets niet goed doe, kan het ertoe leiden dat een student geen diploma haalt. Of als de onderwijsinspectie ziet dat iets niet in orde is, kan het ertoe leiden dat we die hele opleiding niet meer aan mogen bieden. Ook op andere locaties niet.
  • Het werk is nooit af, er blijft altijd wel iets liggen. Daar ga ik vervolgens thuis ook nog over zitten malen, wat mijn nachtrust geen goed doet.
  • Examenleider is een taak naast het lesgeven en studieloopbaanbegeleider zijn. Doordat er meer tijd gaat zitten in de examinering, kan ik niet de kwaliteit bieden in mijn lessen die ik zou willen.
  • Mensen zoeken me vooral op als ze ergens niet tevreden over zijn. En denken dat ik dat kan veranderen, wat niet altijd het geval is.
  • Ik moet mijn collega’s feedback geven als ze iets niet goed gedaan hebben. Niet tof om te moeten doen, kan ik je zeggen.
  • Slecht nieuws aan studenten moeten geven is trouwens ook niet tof.
  • En tot slot: ook al is deze taak fysiek minder zwaar dan lesgeven, ik ga nog steeds achteruit.

Wat is het alternatief?

Ik zou me ziek kunnen melden, daar heb ik genoeg aantoonbare redenen voor. Want welke malloot laat zich door een baan een rolstoel in jagen? En dan maar afwachten of ik daadwerkelijk afgekeurd wordt, zodat ik thuis kan zitten met een uitkering, of een aangepaste functie krijg. Of, wie weet kan ik ook wel filmmaker worden!

Nee, dat kan ik dus niet. Sowieso heb ik het talent niet om filmmaker te kunnen worden. Maar ik vind het daarnaast lastig om me ziek te melden terwijl ik weet dat ik wel de uren kan werken, maar alleen maar moeite heb met bepaalde taken.

Een andere optie is om intern of extern op zoek te gaan naar een andere functie.

Intern (of met name in de branche waar ik werk) vraag ik me af of die er is. Tot nu toe heb ik vooral het idee dat je als docent gewoon alles moet kunnen en het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Je specialiseren in een functie buiten het lesgeven, is maar voor weinig mensen weggelegd.

Extern op zoek gaan naar een andere functie vind ik best spannend. Want dat vaste contract wat ik nu heb en alles wat ik binnen mijn werk heb opgebouwd, durf ik toch niet zo goed achter me te laten. Om dan weer van voren af aan bij een andere organisatie te starten met de onzekerheid van een tijdelijk contract.

Ik gooi het bijltje er niet zomaar bij neer en heb inmiddels wat lijntjes uitgeworpen. Geen idee nog wat het gaat opleveren. Maar als het me wat gaat opleveren, zal ik daar vast wel wat van delen op mijn blog! En tot die tijd probeer ik maar die rotbaan te veranderen naar een leuke baan. Wie weet wil ik straks niet eens meer iets anders. 😉

laptop agenda to doIn het onderwijs wordt er regelmatig aandacht besteed aan 21e eeuwse vaardigheden. Het idee erachter is dat we in de moderne tijd waarin we leven, andere vaardigheden nodig hebben dan voorheen aangeleerd werden. Sommige beroepen waar studenten nu voor opgeleid worden, zullen er op een gegeven moment niet meer zijn. Die 21e eeuwse vaardigheden kunnen in alle beroepen nuttig zijn, zodat studenten toch voorbereid zijn op de toekomst.

Maar los van school en werk, denk ik dat het juist ook goed is voor chronisch zieken om zich bewust te zijn van deze 21e eeuwse vaardigheden. En ze wellicht ook verder te ontwikkelen.

Dit filmpje laat in het kort zien wat die 21e eeuwse vaardigheden inhouden. Meer is te lezen op de website van SLO. De omschrijvingen die in dit artikel per vaardigheid te lezen zijn, komen hier ook vandaan.

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Wanneer je chronisch ziek bent, zul je keer op keer met tegenslagen en veranderingen te maken hebben. Daar is geen handleiding voor. Je kan dan bij de pakken neer zitten, maar daar schiet je niets mee op.

Kritisch denken

Bij kritisch denken gaat het om het vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk, maar ook houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen spelen een essentiële rol.

Is het wel of niet verstandig om weer voor een nieuwe behandeling of operatie te gaan? Hoe hou je belasting en belastbaarheid in balans? Genoeg denkvoer om eindeloos over te piekeren. Maar de kunst is om ook knopen door te hakken op basis van die afwegingen. Niet gemakkelijk, kan ik je wel zeggen.

Creatief denken

Creatief denken en handelen is het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.

Geen mens is hetzelfde en wat voor de één een goede oplossing zal zijn, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Zeker bij aandoeningen die niet zoveel voorkomen, hebben behandelaars ook niet altijd een geschikt antwoord.

Door out-of-the-box te denken en risico’s te durven nemen, kom je soms tot ideeën die je leven een stuk makkelijker maken. Om even een simpel voorbeeld te geven: het je al eens gezien hoe ik mijn rolstoel meeneem op mijn scooter?

Probleem oplossend denken

Probleemoplossend denken en handelen is het vermogen om een probleem te (h)erkennen en tot een plan te komen om het probleem op te lossen.

Daarbij is het proces dat leidt tot het oplossen van het probleem belangrijker dan het vinden van de oplossing zelf.

Wanneer je strategieën kunt bedenken om tot een oplossing te komen voor het ene probleem, kun je deze ook toepassen bij andere problemen.

Computational thinking

Computational thinking is het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie het probleem op te lossen. Het gaat daarbij om een verzameling van denkprocessen waarbij probleemformulering, gegevensorganisatie, -analyse en -representatie worden gebruikt voor het oplossen van problemen met behulp van ICT-technieken en -gereedschappen.

Denk bijvoorbeeld aan al die apps gericht op gezondheid. Revalidatieapps heeft hier al een aardig overzicht in gemaakt. Een activiteitenweger, pijndagboek, calorieënteller, stappenteller, mindfulness en andere oefeningen, voor van alles is er wel een app. En met bijbehorende gadgets kun je nog meer inzicht krijgen in je gezondheid, zoals je slaap analyseren.

Informatievaardigheden

Informatievaardigheden omvat het scherp kunnen formuleren en analyseren van informatie uit bronnen, het op basis hiervan kritisch en systematisch zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en verwijzen van relevante informatie en deze op bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen en evalueren. In de context van 21e-eeuwse vaardigheden gaat het hierbij vaak om digitale bronnen.

In de weg naar een diagnose en ook daarna zul je als chronisch zieke flink wat tijd hebben doorgebracht op Google. Waar komen mijn klachten vandaan? Bij wie moet ik zijn voor diagnose en behandeling? Wat staat me nog meer te wachten?

Al die digitale bronnen maken jou nog steeds geen arts. Maar het kan je wel helpen om je gerichter door te laten verwijzen.

En bedenk ook dat niet elke bron even betrouwbaar is. De ene richt zich meer op wetenschappelijke feiten en de ander meer op opinie. Het is dan maar net welke informatie je nodig hebt. Wat betreft relevante informatie over aandoeningen zou ik websites van patiëntenverenigingen (zowel nationaal als internationaal) eerder aanraden dan Wikipedia.

Wordt vervolgd…

De oplettende lezer ziet dat er nog een stuk of 5 vaardigheden overblijven. Om alles in één keer te beschrijven, zou tot een enorme lap tekst leiden. Dus vandaar dat er volgende week een deel 2 verschijnt met daarin de vaardigheden:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Communiceren
  • Samenwerken
  • Sociale en culturele vaardigheden

Welke vaardigheden pas jij al toe? En waar zou jij je meer in kunnen ontwikkelen?

schoenen zand strand rolstoelBij rouwen denk je vaak aan de tijd na het overlijden van iemand. Maar er zijn meer dingen waar je om kunt rouwen, waar je afscheid van moet nemen. Als ouders bijvoorbeeld een kind met een handicap krijgen, of als iemand zelf een handicap krijgt, doorlopen ze ook een rouwproces. Zelf herken ik het ook. Elke keer als EDS mij een nieuwe beperking oplegt, moet ik afscheid nemen van wat ik daarvoor wel kon.

Afscheid nemen van:

  • het werken in de gehandicaptenzorg
  • het kunnen fietsen op een normale fiets
  • lange afstanden kunnen lopen
  • hoe ik mezelf als moeder zag
  • impulsiviteit en spontaniteit
  • dansen op mijn benen
  • enzovoort

Wanneer ik het met mijn studenten heb over rouwen, dan bespreken we ook de fases van rouwverwerking zoals Elisabeth Kubler Ross die ooit heeft opgesteld. Het is hierbij niet zo dat je per se alle fases doorloopt bij het rouwen, of dat er een bepaalde tijd voor staat, of dat dit de enige volgorde is om het goed te kunnen doorlopen. Maar het geeft wel een verklaring van het gedrag en gevoel van mensen die rouwen.

En omdat ik me hierin herken, leek het me interessant om die fases van rouwverwerking toe te passen op mijn EDS-acceptatieproces.

1. Ontkenning

Zonder diagnose is dit een fase die nog wel even door kan blijven sudderen. Ik denk ook niet dat alle artsen zich daar bewust van zijn. Zeker het label ‘chronische pijn’ vind ik niet zo’n handig gekozen diagnose. Want als je voorbijgaat aan de oorzaak van de pijn, heb je best eens kans dat je helemaal verkeerd bezig bent.

Zo ben ik een lange tijd steeds maar over mijn grenzen gegaan. Onder andere omdat mijn toenmalige revalidatiearts zei dat de pijn geen functie had en ik erdoorheen moest trainen. Achteraf is dat stom geweest, ik heb waarschijnlijk meer kapot gemaakt dan nodig is geweest.

Maar ook als die juiste diagnose er eenmaal wel is, kun je nog steeds denken: ik heb het echt niet zo erg als andere mensen met dezelfde aandoening, het valt best mee. Of: moeders mogen nu eenmaal niet ziek zijn.

2. Onderhandelen

Als ik maar doe wat de arts of fysiotherapeut zegt, dan komt het vast wel weer goed. Op zich geen verkeerde instelling, maar ècht beter word ik nooit. Het wordt nooit meer zoals het was.

Wat betreft mijn werk zit ik nog steeds wel in de onderhandelfase. Ik vind dat ik nog best die 24 uur kan werken. Het ontkennen dat ik door mijn werk steeds meer achteruit ga, dat ben ik inmiddels wel voorbij. Maar als mijn functie meer op mij aangepast is en de randvoorwaarden in orde zijn, dan red ik het prima en hoop ik nog jaren te kunnen werken.

3. Woede

Na mijn eerste revalidatietraject (deze was gericht op chronische pijn en ik had nog niet de diagnose EDS) had ik er flink de balen van dat ik alleen maar nog meer achteruit was gegaan. Ik vond het niet eerlijk. Had hard gewerkt, met maar weinig resultaat.

En ik werd er nogal opstandig van: als mijn lijf dan toch kapot gaat, dan wil ik wel dat ik er plezier van heb gehad. Gevolg was dat ik nog meer over mijn grenzen ging, soms in combinatie met wat wijntjes teveel om de pijn niet te hoeven voelen. Uiteindelijk ben ik zelf naar een psycholoog gestapt, ik moest met mezelf aan de slag, anders maakte ik meer kapot dan alleen mijn lijf.

4. Verdriet

Het besef dat alles en iedereen doorgaat en er bij mij op de rem getrapt wordt, brak me vreselijk op. Fotoalbums doorbladeren en dan beseffen dat ik er bijna niet op sta, omdat ik altijd degene ben die langs de kant staat en de foto’s maakt. Zien dat vrienden of familieleden hulp nodig hebben, maar dat ik dit fysiek niet kan bieden. De muziek voelen in heel je lijf, maar weten dat je niet meer ‘los’ mag gaan. Elke keer weer wat moeten inleveren, omdat het niet meer gaat. Het weg voelen glippen tussen je vingers. Soms zelfs letterlijk, wanneer door de pijn het niet lukt om de vaatwasser uit te ruimen, om maar iets te noemen.

Man, ik heb er flink wat traantjes om gelaten. En nog, ik ben gewoon een jankerd. Maar niet depressief hoor. 😉

5. Acceptatie

Net zoals foto’s voor mij confronterend waren en me verdrietig maakten om wat ik moest missen, helpen ze me ook de realiteit te accepteren. Het vastleggen van mijn nieuwe rol in het gezin, soms met rolstoel of driewielligfiets. En het schrijven hier op mijn blog.

Het is wat het is, maar ik blijf er niet in hangen. De boosheid en het verdriet kan ik steeds meer loslaten om zo verder te gaan. Weliswaar in een ander tempo, maar zoals een lotgenootje me pas vertelde:

It doesn’t matter how slow you go, as long as you don’t stop.

En dat is op heel veel gebieden toe te passen.

Waar ik nu sta in mijn acceptatieproces

Dat proces gaat niet altijd gelijk op. Op sommige gebieden blijf ik wat langer hangen voordat ik het kan accepteren en soms lijkt het of ik weer van voren af aan kan beginnen. Maar met elke keer weer een ervaring rijker, heb ik wel ontdekt dat je met ontkenning en woede niet snel verder komt. Natuurlijk moet je dat jezelf ook af en toe gunnen, soms is het even nodig om je frustraties eruit te gooien. Maar dit zijn toch wel fases die bij mij meer schade aanrichten als ik er te lang in blijf hangen.

Mijn veranderde rol in het gezin, hobby’s die ik heb moeten aanpassen en het gebruik moeten maken van hulpmiddelen zoals een rolstoel, zijn dingen die ik inmiddels wel geaccepteerd heb. Alhoewel ik wat betreft mijn rolstoel nog weleens wil onderhandelen: nu wil ik een keer lopend naar de winkel en dan neem ik morgen wel weer de rolstoel.

Wat betreft mijn werk en het toepassen van de salamitechniek zit ik nog middenin de onderhandelfase. Ik heb daar gewoon meer tijd voor nodig, het is zo’n omschakeling om een stukje van mijn persoonlijkheid om te moeten vormen naar iets wat goed voor mijn lijf is. En ik ben er ook op voorbereid dat het me nog flink wat verdriet zal opleveren als ik ooit echt niet meer kan werken.

Herken jij jezelf in deze fases? Waar sta jij als het gaat om het accepteren van dingen (of mensen) waar je afscheid van moet nemen?

Marzano Heflebower Klaar voor de 21e eeuwSommige onderwerpen die in mijn lessen aan bod komen, zijn de moeite waard om ook buiten de klas te delen. Met de klas waar ik studieloopbaanbegeleider van ben, hebben we een aantal 21e eeuwse vaardigheden uitgekozen om mee aan de slag te gaan. Bovenaan stond zelfregulering of zelfredzaamheid: controle hebben over je leven.

In het boek Klaar voor de 21e eeuw – Vaardigheden voor een veranderende wereld door Robert J. Marzano en Tammy Heflebower staan verschillende onderzoeken en theorieën aangaande die 21e eeuwse vaardigheden beschreven en hoe je hier in de praktijk wat mee kunt doen.

Kijkend naar die zelfredzaamheid worden in dit boek vier manieren besproken om deze te bevorderen:

  • Versterking van de mindset
  • Weerbaarheid
  • Positief toekomstbeeld van jezelf
  • Optimisme

In dit artikel ga ik in op het laatste onderwerp van deze vier: Optimisme.

Verklarend gedrag

Verklarend gedrag is de manier waarop iemand geneigd is de gebeurtenissen in zijn leven uit te leggen. Uit experimenten met zowel scholieren als volwassenen kwam het volgende naar voren: Mensen met pessimistisch verklarend gedrag zijn eerder terneergeslagen, wat leidt tot minder studieresultaten. Mensen met optimistisch verklarend gedrag komen negatieve ervaringen te boven, halen betere resultaten en zijn gezonder.

 

optimistisch verklarend gedrag

Wanneer er sprake is van optimistisch of pessimistisch verklarend gedrag, is in bovenstaand schema duidelijk weergegeven. In het boek wordt het uitgebreid uitgelegd, maar ik denk dat dit schema makkelijk om te buigen is naar de praktijk.

In mijn groep studenten zie ik beide tegenpolen. En sommige studenten krijgen ook echt te maken met heel veel vervelende dingen die ze overkomen. Hoe ze dit verklaren kan soms het verschil maken tussen voortijdig schoolverlaten en juist met succes de opleiding doorlopen.

ABCDE-denkstrategie voor optimistisch verklarend gedrag

Met mijn studenten hebben we wekelijks intervisie. Een zwak punt hierbij (zowel van mij als mijn studenten) is de structuur vasthouden. Er wordt al snel afgedwaald en uiteindelijk hebben we heel veel meningen uitgewisseld, maar of het probleem daarmee opgelost is…

Een andere strategie is dus een welkome afwisseling voor deze groep. Met het vooruitzicht dat je hiermee alles optimistischer kan gaan bekijken, is het de moeite waard om deze strategie aan te leren.

Ook van deze ABCDE-denkstrategie is in het boek een uitgebreide beschrijving gegeven. Deze heb ik voor mijn studenten ingekort en wat praktischer weergegeven, door de stappen om te zetten naar vragen en in een Piktochart te zetten.

ABCDE-denkstrategie

Ben jij een optimist of een pessimist als het gaat om de vervelende dingen die je overkomen? En hoe ga jij er vervolgens mee om?

Marzano Heflebower Klaar voor de 21e eeuwSommige onderwerpen die in mijn lessen aan bod komen, zijn de moeite waard om ook buiten de klas te delen. Met de klas waar ik studieloopbaanbegeleider van ben, hebben we een aantal 21e eeuwse vaardigheden uitgekozen om mee aan de slag te gaan. Bovenaan stond zelfregulering of zelfredzaamheid: controle hebben over je leven.

In het boek Klaar voor de 21e eeuw – Vaardigheden voor een veranderende wereld door Robert J. Marzano en Tammy Heflebower staan verschillende onderzoeken en theorieën aangaande die 21e eeuwse vaardigheden beschreven en hoe je hier in de praktijk wat mee kunt doen.

Kijkend naar die zelfredzaamheid worden in dit boek vier manieren besproken om deze te bevorderen:

  • Versterking van de mindset
  • Weerbaarheid
  • Positief toekomstbeeld van jezelf
  • Optimisme

In dit artikel ga ik in op het tweede onderwerp: weerbaarheid.

Hoe weerbaar ben je?

Als je weerbaar bent, betekent dat dat je weer opveert na een confrontatie met moeilijke omstandigheden, groeit door tegenslagen. Typerend voor weerbare mensen is dat ze hoge verwachtingen hebben en zinvolle levensdoelen. Ze kunnen afstand nemen om niet verstrikt te raken in uitzichtloos schuldgevoel.

What doesn’t kill me, makes me stronger. Dit is een veel gehoorde uitspraak die in me opkwam toen ik las over weerbaarheid. Maar wat ik vaak als houding zie bij mensen die dit roepen, is dat die vervelende ervaringen ze harder hebben gemaakt. En dat is niet helemaal wat hier met weerbaarheid bedoeld wordt. Het gaat er niet om dat je je schouders ophaalt, de situatie de rug toedraait en ervan wegloopt. Het gaat er juist om dat je er je schouders onder zet, roeit met de riemen die je hebt en kracht haalt uit het overwinnen van tegenslagen.

21e eeuwse vaardigheden marzano heflebower weerbaardheidIn het boek is een weerbaarheidstest opgenomen waarbij studenten kunnen aangeven in hoeverre ze het eens zijn met een stelling. Met mijn klas heb ik ervoor gekozen om deze stellingen op kaartjes te schrijven met drie vragen op de achterkant:

  • In hoeverre ben je het eens met de stelling?
  • Geef een voorbeeld (hoe jij hiermee omgaat).
  • Wat zou je hierbij verder willen ontwikkelen?

De kaartjes heb ik uitgedeeld en vervolgens mochten de studenten door middel van een speeddate steeds in tweetallen twee minuten lang elkaar bevragen hierover. Na een paar keer wisselen heb ik ze gevraagd een samenvattend beeld te geven over wat ze is opgevallen wat betreft de weerbaarheid van hun dates.

Hoe word je weerbaarder?

Het aanleren van basisvaardigheden voor probleemoplossend denken is een goede methode om meer weerbaar te worden. Daarnaast werkt het ook om de goede eigenschappen van weerbare personen te benadrukken.

 

In het boek werden de volgende belangrijke eigenschappen genoemd:

  • het verschil zien tussen positieve en negatieve invloeden
  • negatieve invloeden kunnen beperken
  • een duidelijk toekomstbeeld hebben
  • niet berusten in je lot, hoeveel tegenslag je ook tegenkomt
  • gerichte plannen maken en aanpassen om doelen te behalen op korte en lange termijn

Zonder dat ik ze mijn bevindingen uit het boek gedeeld had, kwamen mijn studenten hiermee:

  • geloof in eigen kunnen
  • probleemoplossend vermogen
  • positief benaderen
  • openstaan voor alternatieven

Ook een mooie aanvulling als je het hebt over eigenschappen of vaardigheden die je weerbaarder kunnen maken. En ik denk dat de uren studieloopbaanbegeleiding hier mooi op aansluiten om dit verder te ontwikkelen. Eén manier die tijdens de les ter sprake kwam, is bijvoorbeeld het uitproberen van verschillende methodes tijdens intervisie. Op die manier kunnen de studenten elkaar helpen hierin te groeien.

En hoe weerbaar ben jij? Wat wil jij hierin nog verder ontwikkelen?

 

 

 

 

 

Marzano Heflebower Klaar voor de 21e eeuwSommige onderwerpen die in mijn lessen aan bod komen, zijn de moeite waard om ook buiten de klas te delen. Met de klas waar ik studieloopbaanbegeleider van ben, hebben we een aantal 21e eeuwse vaardigheden uitgekozen om mee aan de slag te gaan. Bovenaan stond (weliswaar een tikkeltje beïnvloed door sturing van mijn kant) zelfregulering of zelfredzaamheid: controle hebben over je leven.

En niet helemaal toevallig kwam ik in de docentenkamer een zwerfboek tegen: Klaar voor de 21e eeuw – Vaardigheden voor een veranderende wereld door Robert J. Marzano en Tammy Heflebower. Hierin staan verschillende onderzoeken en theorieën aangaande die 21e eeuwse vaardigheden beschreven en hoe je hier in de praktijk wat mee kunt doen.

Kijkend naar die zelfredzaamheid worden in dit boek vier manieren besproken om deze te bevorderen:

  • Versterking van de mindset
  • Weerbaarheid
  • Positief toekomstbeeld van jezelf
  • Optimisme

In dit artikel ga ik in op het eerste onderwerp van deze vier: versterking van de mindset.

Een veranderbare of onveranderbare mindset

Hoe studenten denken over het wel of niet vastliggen van bijvoorbeeld intelligentie beïnvloedt hoe zij uitdagingen aangaan. Studenten die denken dat het een vast gegeven is, dat je niet slimmer kunt worden dan je nu eenmaal bent, gaan uitdagingen uit de weg en kiezen voor de makkelijke weg. Die onveranderbare mindset is wat ik veel herken in mijn studenten (mbo niveau 3), maar ook in mijn dochter van 13 jaar. Als het maar voldoende is, dan is het goed genoeg. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Ik heb nog nooit een 10 gehaald en dat zal wel niet gebeuren ook.

Maar als studenten ervan overtuigd zijn dat je door hard werken en toewijding meer kan bereiken, zullen ze die uitdagingen eerder aangaan, blijven proberen en zien ze in dat je van fouten kunt leren. Met zo’n veranderbare mindset haal je het beste uit jezelf en dat is iets wat ik zowel mijn studenten en dochters graag mee wil geven.

Bewust maken van de verschillen in mindset

Zo’n onveranderbare mindset is iets wat er flink ingestampt is en lastig om te zetten naar een veranderbare mindset. Wat je kan doen om de ander hierin te helpen, is diegene bewust te maken van de verschillen. Dat kan bijvoorbeeld door:

  1. Voorbeelden te geven van mensen die iets hebben bereikt niet alleen door talent, maar juist door doorzettingsvermogen.
  2. Keuzemogelijkheden te geven in taken en achteraf vragen waarom ze die keuze hebben gemaakt.
  3. Vanuit literatuur te bekijken wat voor mindset de personages hebben.
  4. Tests te laten maken over mindsets op het gebied van intelligentie, karakter, moraal en levensbeschouwingen en deze met elkaar bespreken.

In het boek van Marzano en Heflebower staan die tests ook beschreven en dat is waar ik met mijn studenten mee begon. Ik heb een aantal vragen van die tests in een Kahoot verwerkt en deze met de klas afgenomen.

En weet je? Eigenlijk valt het best mee met die onveranderbare mindset van mijn studenten. Op sommige vlakken denken ze wel dat hard werken alleen zin heeft als het al in je zit, maar op de meeste vlakken zijn ze er wel van overtuigd dat verandering mogelijk is.

Dus nu de volgende stap is ze ervan overtuigen dat verandering op àlle vlakken mogelijk is, als je er maar voor gaat!

En hoe zit het met jou? Denk jij dat je er wel komt met doorzetten? Of is het meer: wat er niet in zit, komt er ook niet uit?

Zo blijven we gaan met al die ‘weken van…’. En nu bijna aan het einde van de kinderboekenweek wilde ik wat delen over mijn favoriete kinderboeken. Want alhoewel mijn kinderen ze een beetje ontgroeid zijn, ben ik nog steeds fan van prentenboeken.

Lesgeven in voorlezen

Gelukkig kan ik mijn ei nog een beetje kwijt in mijn werk. Wanneer ik lesgeef over Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), komt het voorlezen altijd een keer uitgebreid aan bod. En ja, ik geef mijn studenten dan dus een cijfer voor hoe zij interactief voorlezen en hoe ze zelf een kamishibai, praatplaat of digitaal prentenboek bij een bestaand prentenboek maken en gebruiken. Geen idee waar ik het over heb? Bekijk dan eens de onderstaande Prezi met bijbehorende filmpjes.

Natuurlijk hebben we op school een aardig voorraadje boeken, maar niets leest beter voor dan je favoriete boeken. Daarom neem ik er altijd een paar van thuis mee. Als studenten een kinderboek meenemen, is het er vaak één van hun stage. Van huis uit werd/wordt er bij deze groep niet bijzonder veel gelezen. De studenten die lid zijn van de bibliotheek zijn op één hand te tellen. Jammer, want zij zijn wel degenen die hun enthousiasme voor lezen en taal door kunnen geven aan de volgende generaties.

Sommige van mijn studenten zijn natuurtalenten als het gaat om voorlezen, maar er zijn er toch ook die zich er erg onzeker bij voelen. Doordat ze de taal zelf niet goed beheersen en moeite hebben met de uitspraak, of doordat hun dyslexie het vloeiend kunnen lezen in de weg zit, of sowieso het spreken voor een groep wat als spannend ervaren wordt.

Ik dwaal een beetje af. Maar zoals ik al zei: dit is mijn ei en ik wil het kwijt.

Maar nu over naar de prentenboeken!

Fiets

Dit boekje is ooit uitgegeven als kinderboekenweekgeschenk en ik vind ‘m helemaal geweldig! Het is een boekje zonder tekst, dus het verhaal kun je er zelf zo lang of kort maken als je zelf wilt. Ook een goede tip voor mijn studenten die moeite hebben met lezen, maar zo wel kunnen vertellen.

Heel kort gezegd gaat het verhaal over een jongen die na een feestje ontdekt dat zijn fiets gestolen is en er van alles aan doet om ‘m terug te krijgen. En wat ik er persoonlijk erg leuk aan vind, is dat je er zoveel verschillende soorten fietsen in tegenkomt. Ik hou gewoon van fietsen.

 Elmer

Een echte klassieker die je in je kast moet hebben. Elmer de olifant is anders dan de rest en dat is maar goed ook. Als iedereen maar grijs en grauw zou zijn, zou het een saaie boel zijn.

Mooie plaatjes met niet teveel tekst en daardoor goed geschikt voor peuters of jonge kleuters. Maar als je dieper op het verhaal in wil gaan, is het zeker ook interessant voor oudere kleuters.

 

Wat Faust zag

De hond Faust ziet ‘s nachts van alles gebeuren en wil zijn baasjes waarschuwen. Maar die zitten niet op zijn geblaf te wachten en gooien ‘m naar buiten.

Het leuke aan dit boek vind ik hoe de tekst in de plaatjes is verwerkt. Sommige woorden zijn groot, sommige klein, sommige schuin of dik gedrukt. Het helpt de minder ervaren voorlezers om hun stemgebruik aan te passen aan wat er gebeurt in het verhaal en het zo wat spannender te maken.

Ga je mee?

Ja, alweer een boek van Charlotte Dematons. Stiekem ben ik gewoon een beetje fan van haar boeken. Prachtige prenten en verhaal waarin de kinderen meegenomen kunnen worden. Dit verhaal gaat over een jongen die allerlei avonturen beleeft onderweg naar de winkel en waarin fantasie en werkelijkheid door elkaar heen lopen.

Een ideaal boek om één op één voor te lezen, of met een paar kinderen. Op bijna elke bladzijde staat namelijk wel een opdracht voor de luisteraar en de prenten zijn soms net een zoekplaat. Daarvoor is het wel handig om de kinderen dichtbij te hebben, zodat je ze echt mee kan nemen in het verhaal.

Wij gaan op berenjacht

Een boek waarbij je niet hoeft stil te zitten, maar juist kan stampen met je voeten en kan zwaaien met je armen. Want terwijl dit gezin op berenjacht gaat, komen ze allerlei hindernissen tegen waar ze wel dwars doorheen moeten.

Wij hadden de kartonnen versie van dit boek en dat was een goede keus. Met alle herhalingen in de tekst en het uitnodigen tot bewegen is dit een ideaal boek voor peuters. Lekker wild doen mag en daar kan een kartonnen boek goed tegen.

Klein-Mannetje heeft geen huis

Nadat het huis van Klein-Mannetje een hoosbui niet heeft overleefd, gaat hij op zoek naar een nieuw huis. Zo komt hij langs zijn dierenvrienden en hun huizen tot hij een huis vindt wat echt bij hem past.

Dit boek is ontzettend leuk om een verteltafel bij te maken, in de klas of thuis. Kinderen kunnen de materialen en personages verzamelen of zelf maken en dan het verhaal naspelen.

De Gruffalo

De muis voorkomt dat hij wordt opgegeten door de dieren in het bos, door ze bang te maken met grote verhalen over de Gruffalo. Maar die Gruffalo bestaat toch niet echt… of wel?

Een leuk, spannend verhaal met veel herhaling in de tekst.

Wij hadden ook ooit een cd met liedjes over prentenboeken, gezongen door Hakim van Sesamstraat. Daar stond ook een liedje over de Gruffalo op, die moet je even luisteren. Blijft heerlijk in je hoofd hangen, haha!

Het kleine kikkervisje

Terwijl het kleine kikkervisje langzaam verandert in een kikker, komt hij allerlei dieren tegen die prachtig kunnen springen. Iets wat hij ook graag wil, maar hij moet nog wat geduld hebben.

Om dit boek nog meer tot leven te laten komen, zou je zelf een bak met kikkerdril in huis kunnen halen. Zo kun je steeds de metamorfose van het kleine kikkervisje vergelijken met de kikkervisjes die in de bak zitten. Tot ze echt gaan springen natuurlijk.

Of wat dacht je van een springspel: springen als de dieren in het boek en daarbij de tekst uit het boek gebruiken: Hipperde-hop en hij landde met een plop.

Mijn favoriete prentenboek

Om er maar één te moeten kiezen als favoriete kinderboek voor de 30 Day Blog Challenge van Hare Maristeit, vond erg lastig. Ik heb een kast vol geweldige prentenboeken en om tot maar acht te komen, vond ik al een hele prestatie.

Tja, als ik dan toch zou moeten kiezen, dan kies ik voor: Wij gaan op berenjacht. Heerlijk om een peuter hierbij op schoot te hebben en al zwiepend en plonzend tot aan de laatste bladzijdes te komen en het daar nog even extra spannend te maken.

Toch eens vragen of mijn meiden van 9 en 13 daar niet ook weer eens zin in hebben… 😉

De kinderboekenweek 2016 duurt nog tot 16 oktober en bij besteding vanaf 10 euro krijg je het kinderboekenweekgeschenk Oorlog en vriendschap door Dolf Verroen. En raad eens wie dit boek geïllustreerd heeft? Charlotte Dematons!

Ook is er speciaal voor de kinderboekenweek een klein prentenboek gemaakt door Floor Rieder: Waar is Ludwig?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

laptop agenda to doIn de 15 jaar dat ik in het onderwijs werk met pijnklachten door EDS, had ik me nog niet eerder hoeven ziekmelden vanwege de pijn. Tot dit schooljaar dus. Een nieuwe ervaring, waar ik vooral van geleerd heb wat ik beter wel en niet kan doen. Dat het vooral gaat om het aangeven van grenzen en het vinden van een balans om overbelasting te voorkomen, is geen verrassing. Maar met de piekbelasting die zo gewoon lijkt te zijn in het onderwijs, is het wel een flinke uitdaging.

Piekbelasting

In het mbo werk je niet met een standaard werkweek, we hebben een normjaartaak met een bepaald aantal uren die opgevuld worden met lessen, individuele gesprekken, stagebezoeken, nakijken van examens, teamtaken, scholing, enzovoort. Daardoor kan het zo zijn dat je de ene periode weinig bent ingeroosterd en de volgende weer wat meer. Of je kunt het 8 van de 10 weken in een periode rustig aan doen en die laatste twee weken is er ineens enorm veel nakijkwerk. Het hoort er een beetje bij, die piekbelasting.

Alleen dit schooljaar begon het meteen met zo’n enorme piek, dat ik me vlak voor de herfstvakantie al moest ziekmelden, omdat mijn lijf overbelast was. En dat terwijl ik juist vooraf met een ergotherapeut naar mijn werk en werkplek had gekeken wat er nog anders kon en er zelfs een trippelstoel voor me aangeschaft was.

Ziekmelden

Maar dat ziekmelden stelde achteraf gezien niet zoveel voor. Alhoewel de bedrijfsarts me liever voor 50% ziek wilde melden, koos ik zelf voor 25%. Maar nadat er 25% van mijn lessen en taken afgehaald was, lukte het me nog niet om drie dagen van 6 in plaats van 8 uur te maken. Toen we goed naar mijn uren keken, bleek dat ik er gewoon teveel had (dus niet zo gek dat mijn lijf overbelast was). Met dat kwart eraf, kwam ik pas aan mijn gewone aanstelling, dus er moest nog een kwart af. Voordat ik echt die dagen van 6 uur maakte, waren er weer wat weken voorbij.

Uiteindelijk heeft het wel wat geholpen. Na een half jaar met korte dagen, leek mijn lijf weer wat hersteld. Ik kon thuis weer fatsoenlijk functioneren na een werkdag, dus ik wilde langzaamaan opbouwen naar hele dagen. En dat is ingewikkeld in het onderwijs waar met periodes van 10 weken gewerkt wordt. Langzaamaan werd dus meteen met ingang van de nieuwe periode beter gemeld worden en ik kreeg er nog een leuke taak bij. Lastig om dan nog je grenzen aan te geven, want dan zou die leuke taak er natuurlijk als eerste af gaan.

Alles bij elkaar opgeteld, heb ik 860 uur gemaakt (op papier dan, sommige taken kosten meer tijd dan je ervoor krijgt) in plaats van de 917 die ik zou maken als ik niet ziek zou zijn geweest. Die periode van 25% ziekgemeld zijn, zou neerkomen op 127 uur minder op mijn jaartaak. Maar ik kan ook niet zeggen dat ik nu 70 overuren heb gemaakt, want ik kom niet over mijn jaartaak heen qua uren. Toch? Maar ik voel me wel een beetje genaaid zo…

Wat heb ik opgestoken van dit schooljaar?

Al stelde dat ziekmelden niet zoveel voor, ik heb er wel een hoop van opgestoken. Dus in dat opzicht is het niet voor niks geweest. Soms is het goed om in plaats van steeds maar weer aan te passen en door te gaan, even een pas op de plaats te nemen.

Dit is wat ik ervan opgestoken heb:

  • Van tevoren de uren checken en een goede verdeling maken over het schooljaar, niet pas als ik aan mijn lijf merk dat het niet klopt.
  • Voor een deel ziekmelden heeft niet zoveel zin als je vervolgens toch weer meer taken erbij krijgt. Mocht het ooit weer nodig zijn, dan zou ik me meteen voor 100% ziekmelden.
  • Zelf duidelijk grenzen aangeven, er is niemand anders die het ziet of voor mij doet.
  • Ik heb gemerkt dat het maar een dun lijntje is, wat werken scheidt van overbelasten. Bij de kleinste verandering merk ik het meteen aan mijn lijf. Bijvoorbeeld toen ik voor die nieuwe taak vaker mijn laptop mee moest nemen om op een andere locatie te werken, toen kreeg ik meteen last van mijn nek en schouders.
  • Aan de andere kant is mijn lijf nog steeds in staat om te herstellen door rust te nemen en dat is prettig om te weten.
  • Af en toe werk uit handen geven of laten liggen is oké. Normaal ben ik erg perfectionistisch, maar dit schooljaar heb ik bewust soms dingen laten liggen. Ik geloof niet dat mijn collega’s of studenten er veel last van ondervonden hebben dat ik niet overal aan toe ben gekomen.
  • Lesgeven vanuit een rolstoel werkt niet voor mij. Ik heb het geprobeerd, maar ik mis het overzicht over de klas en het kunnen rondlopen tussen de studenten als ze aan het werk zijn. Mijn rolstoel is ook niet gemaakt om hele dagen in te zitten, wat het vermoeiender en pijnlijker maakt dan het gebruiken van mijn trippelstoel.
  • Ik heb hele fijne collega’s die bereid zijn mij tegemoet te komen, zodat ik minder belastende taken kan doen. Om die nieuwe taak als examenleider te kunnen uitvoeren, ga ik volgend schooljaar minder lesgeven, wat mijn collega’s dan moeten opvangen. Super om te horen dat zij hier dan ook achter staan.

Heb jij je weleens ziek moeten melden vanwege pijnklachten? Hoe kun je dit volgens jou voorkomen?

20160330_120507-1-1

Ik had als reactie op mijn blog ‘Zoektocht naar passend werk’ de tip gehad om een voor mij ideale werkweek op papier te zetten, dat heb ik dan ook gedaan zoals je op de foto kunt zien. De gele vlakken kan ik zelf indelen, die wil ik dus zoveel mogelijk af kunnen wisselen met de roze en blauwe vlakken, die wel vast staan.
Nu ben ik van twee klassen SLB’er (of mentor), dat is met mijn kleine aanstelling van drie dagen best pittig, helemaal met de bijbehorende stagebezoeken (BPV) en individuele gesprekken (SLBin). Dat wil ik dus voor volgend schooljaar terugbrengen naar één klas.
En iets minder lesgeven (maximaal 12 lesuren) en dus iets meer andere taken. Het van de ene naar de andere les door moeten, zonder pauze, ervaar ik als vrij zwaar. Ik heb het met rolstoel geprobeerd, maar dat bevalt me toch niet zo goed. Letterlijk voor de klas staan en dus ook rond kunnen lopen, is toch iets waar ik niet zonder kan. En dat maakt het tegelijkertijd weer zwaarder.
Maar met het schuiven van lesgeven naar extra taken, kom ik toch aan mijn volledige aanstelling en uiteindelijk is het niet eens zoveel minder dat ik dan aan lesgebonden activiteiten heb (normaal is dat 72%, ik kom dan op 64%).
Zo had ik dus mijn plan bedacht voor volgend schooljaar. Tot aan de zomervakantie wilde ik dan nog niet volledig aan de slag, maar wel iets meer lesgeven dan ik nu doe.

Dus vanmiddag ging ik goed voorbereid naar de bedrijfsarts en vanaf het moment dat ik vertelde dat ik volgend blok weer twee lesuur erbij wilde, ging er iets mis. Nu snap ik best dat ik voor die man een ingewikkeld geval ben. Ik ben niet helemaal ziek gemeld, maar voor maar 25%. En als ik dan ook nog zeg dat daar weer iets van af mag, dan wordt het een ingewikkeld rekensommetje. Dus ik had niet echt de behoefte om mijn tekeningetje uit mijn tas te halen, helemaal toen hij reageerde met ‘Elke docent die ik zie, wil wel minder voor de klas staan’. Ja, dat zal wel, maar ik geloof niet dat elke docent een fysieke beperking heeft die dat lastig maakt. Ik wil het trouwens helemaal niet, maar mijn lijf laat zo snel merken dat het overbelast is, dat dit gewoon een verstandigere keuze is.

Weet je, ik vind het wel weer prima zo, ben een beetje klaar met die bedrijfsarts. In oktober vond hij eigenlijk dat 25% ziek melden te weinig was, dat zou toch minstens 50% moeten zijn en hij lachte me nog net niet uit toen ik aangaf dat ik uiteindelijk weer mijn volledige aanstelling wilde gaan werken: ‘Je weet dat EDS een progressieve aandoening is?’ En nu had hij het erover dat het medisch gezien allemaal goed ging. Ja, op papier dan, want ik kon toch weer wat meer gaan werken? Nee, medisch gezien gaat het best kut. Maar met drie dagen van zes uur is mijn lijf minder overbelast dan het hiervoor was.
Volgend blok ga ik dus langzaamaan weer richting mijn volledige aanstelling. Op papier dan, de rest regel ik wel met mijn onderwijsleider en collega’s.

Nu heb ik hele fijne collega’s en ik heb er ook wel vertrouwen in dat het goed gaat komen, maar zou jij het verschuiven van taken durven vragen aan collega’s? Of zou je ervoor open staan om te gaan schuiven met taken, zodat een andere collega niet overbelast raakt?

lesgeven

Mijn lijf is niet normaal

Ondanks alle hulpmiddelen, braces, aanpassingen op het werk, oefeningen, enzovoort gaat het eigenlijk alleen maar slechter met mijn lijf.

Het sluipt er langzaam in: eerst was een half uurtje liggen na het werken voldoende, toen een uur, toen kwam ik alleen nog van de bank om te eten met het gezin en uiteindelijk lag ik alleen maar op de bank en stond ik pas weer op om naar bed te gaan. Of ik dacht dat het niet zo vaak voorkwam dat ik halverwege het doen van een boodschap spijt kreeg dat ik toch niet met de rolstoel gegaan was. Maar eigenlijk gebeurt dat wel vaak. Eigenlijk kan ik gewoon niet meer lopend naar de winkel of supermarkt. En ik dacht ook lange tijd dat ik het geluk had dat bij mij EDS alleen maar in mijn gewrichten voor problemen zorgde, maar inmiddels doet van alles in mijn buik ook gezellig mee.

En het went wel. De pijn went, het moeten opgeven van dingen went, het steeds maar weer moeten aanpassen went. Maar het is niet normaal dat ik steeds maar weer moet inleveren, steeds minder kan, terwijl ik aan alle kanten mijn best doe om goed voor mijn lijf te zorgen.

Werkdruk: ook niet normaal

En waarom verwacht ik dan wel van mezelf dat ik als een normale docent moet kunnen blijven functioneren?
Dus toen ik op een gegeven moment die spiegel voorkreeg, bedacht ik dat ik ook op het gebied van mijn werk even een stap terug moest nemen. Ik ben naar de bedrijfsarts geweest en heb me op zijn advies voor 25% ziekgemeld. Of eigenlijk adviseerde hij iets meer, maar daar wilde ik toen nog niet aan. Drie dagen van zes uur in plaats van drie dagen van acht uur zou vast al genoeg opleveren, dacht ik…

Een paar jaar geleden had het ook wel genoeg opgeleverd. Maar inmiddels heb ik als docent in het mbo een veel voller programma, zonder dat ik daar meer uren voor (betaald) krijg. Stonden er 3 jaar geleden nog 12 lesuur op mijn rooster, nu zijn dit er 19, nog steeds met dezelfde aanstelling van 0,5526 fte. Studenten moeten meer uren les krijgen, zonder dat daar iets tegenover staat.

Docenten moeten meer doen in dezelfde tijd. Dat geldt voor elke docent, niet alleen voor mij. En dan sluipt het er dus ook in dat je op je vrije dag mailtjes gaat beantwoorden, een stagebezoek plant omdat het anders niet uitkomt, een individueel gesprek met een student in je pauze plant, werkdagen maakt van 10 uur zonder pauze, een training of overleg bijwoont na je lange werkdag, stapels nakijkwerk mee naar huis neemt…

En op een gegeven moment vindt iedereen het ook maar normaal dat je dat als docent doet, gaan ze er van uit dat je zondagavond in je mail hebt gelezen dat je op maandagochtend vroeg een les moet vervangen. Erover klagen is not done. Niet in vergaderingen, want dan verspil je kostbare tijd. En niet via sociale media, want stel je voor dat mensen een slecht beeld krijgen van het docentschap.

Grenzen aangeven

Ik maak me er dus ook schuldig aan, ik weet dat ik mijn grenzen moet aangeven, maar ik doe het te weinig. Dus die drie dagen van zes uur, die heb ik nog niet echt meegemaakt sinds ik me ziek meldde. Het werk stapelt zich op en schuift op. En als de tijd dan gaat dringen, doe ik het toch maar weer. Want net als al die andere docenten die het normaal vinden om meer te werken dan waar ze betaald voor krijgen, wil ik niet dat het ten koste gaat van de studenten of de kwaliteit van het onderwijs.
Maar dan nog: het is niet normaal. Voor een gezonde docent al niet, maar voor mij al helemaal niet. Ik maak mijn lijf kapot omdat ik zo nodig mijn werk goed wil doen.

Maar wat dan? Me voor 50% ziekmelden? Of helemaal? Nog meer werk bij mijn collega’s neerleggen die het ook al zo druk hebben? En dan? Thuis zitten? Ik weet niet eens of ik dat wel kan. Maar ik vind ook dat het niet nodig moet zijn. Ook al ben ik fysiek wat beperkt, ik kan gewoon 24 uur per week werken. Als de werkzaamheden goed verdeeld zijn en niet zo belachelijk veel als nu. Ik heb me ook genoeg bijgeschoold om andere taken buiten het lesgeven op me te nemen.  Daar krijg ik nu niet de kans voor met alle lessen die gedraaid moeten worden.

Tot slot nog een kleine vraag om hulp:

Ik weet dat mijn blog meer gelezen wordt dan dat er gereageerd wordt, maar zou het fijn vinden als je hieronder een reactie achterlaat. Al is het maar om me te laten weten dat je het herkent, of wat dan ook. Ik heb gewoon even een steuntje in de rug nodig om hiermee aan de slag te gaan. Om mijn grenzen aan te geven zodat ik straks weer wat kan opbouwen.
En docenten: zouden we niet eens wat vaker aan kunnen geven dat het niet normaal is? (of staken, maar welke docent doet dat nou echt?)