Berichten

O4 workhopper rolstoel getest

Voor op mijn werk ben ik al een tijdje op zoek naar de ideale oplossing als het gaat om zitten en verplaatsen. De trippelrolstoel was het niet helemaal, ongeacht merk of ondergrond. Het blijft gewoon een te zware en te grote stoel om mee te trippelen en/of rollen. Even dacht ik dat ik me er maar bij neer moest leggen dat ik gewoon maar twee stoelen zou moeten aanvragen. Een trippelstoel waar ik echt goed in ondersteund word en een rolstoel die daarnaast op mijn werk kan blijven staan om me tussen de lokalen en kantoren te kunnen verplaatsen.

Maar ondertussen had ik ook nog steeds een oogje op de rolstoelen van O4. En na een bezoekje aan de showroom in Varsseveld mocht ik de Workhopper van O4 uitproberen op mijn werk.

Dit maakt de O4 Workhopper anders dan andere rolstoelen

De zitting en rugleuning zijn gemakkelijk anders in te stellen, zodat je je zithouding kan variëren. Voor mij in mijn werk betekent dit:

  • Net iets hoger zitten om iets uit de kast te pakken of om op het kopieerapparaat te kijken.
  • Bij overleggen, gesprekken of in de pauze de rugleuning iets naar achter zetten, zodat ik meer ontspannen kan zitten.
  • Door de voetplaat opzij te klappen, kan ik trippelen als ik mijn handen vol heb.
  • Achter mijn bureau kan ik variëren in zithouding door de rugleuning zo in te stellen als ik op dat moment prettig vind. Ik zit niet de hele werkdag in dezelfde houding.
  • De rugleuning loopt tot mijn schouderbladen en is daarmee hoger dan die van mijn andere rolstoelen. dat geeft net wat meer steun bij het lange zitten.
  • Vergeleken met de trippelrolstoelen is de O4 Workhopper veel lichter en minder breed. Vergeleken met een gewone rolstoel wel iets zwaarder, maar dat verschil merk ik niet met rollen.
  • Hij heeft een vast zitkussen wat echt heerlijk zit.

Wat mis ik nog aan de O4 Workhopper?

De rolstoel die ik nu geleend heb, is natuurlijk niet helemaal aan mijn behoeften aangepast. Zo vind ik ‘m eigenlijk net iets te hoog voor het trippelen. Ik kan daardoor niet zo goed met mijn voeten afzetten. En ik mis de wig in de zitting heel erg. De zitting van deze rolstoel kan vooral naar voren kantelen, maar dus niet naar achteren.

Ik zou ook wat meer ingeklemd willen zitten, dus wat hogere spatborden. En of de rugleuning mij wel voldoende steun geeft, ben ik nog niet over uit. Misschien dat ik dat minder nodig heb als de spatborden hoger zijn. Maar op dit moment heb ik nog steeds een pijnlijke onderrug als ik een ochtend gewerkt heb. Op zich heb ik dat met andere (rol-)stoelen ook wel, dus of het helemaal op te lossen is, weet ik niet.

Verder kan er wèl een hoop aangepast worden, zoals de zithoogte, wig, spatborden. En dan zou het alles bij elkaar een veel betere rolstoel zijn dan mijn huidige. Zonde eigenlijk om ‘m dan alleen op mijn werk te hebben staan!

Een laatste dingetje is wel dat ik tijdens het rollen niets kan meenemen. Op mijn schoot glijdt het eraf, tussen mijn knieën past niet zoveel en de rugleuning leent zich er niet voor om elke tas hieraan te hangen. Maar hier had ik zelf al snel een oplossing voor gevonden.

O4 workhopper rolstoel met zakje

DIY rolstoelzakje met behulp van Ikea

Toevallig was ik pas met man en kinderen in de Ikea en ging ik bij de opbergspullen eens op zoek naar iets wat dienst kon doen om mapjes en papierwerk in mee te nemen met mijn rolstoel. De schoenendozen daar leken me wel wat, maar deze waren helaas te smal om A4 in op te bergen. Bij het ophangbord Skadis en bijbehorende accessoires kwam ik een zakje tegen met een metalen rand. Dat leek me ook wel wat.

Eenmaal thuis ben ik in mijn kastjes gaan neuzen hoe ik het zakje aan mijn rolstoel kon hangen. En omdat mijn laatje met siernieten, drukknopen en nestelringen wel eens mag slinken qua voorraad, ben ik daarmee in de weer gegaan. Dus een keer zonder naaimachine!

Nu moet ik helaas straks weer de geleende O4 Workhopper inleveren, maar dat zakje kan ik ook makkelijk aan mijn eigen rolstoel hangen. Maar natuurlijk hoop ik dat ik over een tijdje een eigen Workhopper heb om ‘m aan te hangen.

Dit is geen gesponsord artikel, ook jij kunt een O4 rolstoel een week lang uitproberen! Niet alleen op je werk, maar ook thuis.

lesgeven onderwijs

Inmiddels is de zomervakantie nu dan echt begonnen. Even weer een moment om terug te kijken naar het afgelopen schooljaar en vooruit te kijken naar het volgende. Of de daarop volgende schooljaren. En er is genoeg om over te piekeren en peinzen. De eerste helft van het schooljaar dacht ik zo goed bezig te zijn, maar ik had niet kunnen voorzien dat het zo zou lopen.

Deels ziek melden in het onderwijs: het werkt gewoon niet

Het werk is nooit klaar en met de verantwoordelijkheden die erbij komen kijken, is het gewoon heel erg lastig om je grenzen aan te blijven geven. Je wil toch dezelfde kwaliteit kunnen blijven leveren. Studenten moeten er niet de dupe van zijn dat ik nu even niet mijn hele aanstelling kan werken. Maar voor mijn lijf schiet dat dus niet zoveel op.

Twee jaar geleden was ik ook al tot die ontdekking gekomen, toen ik me voor 25% had ziek gemeld. Als je eenmaal je gezicht laat zien op je werk, wordt er door collega’s en studenten op je gerekend.

Dit jaar had ik me na de meivakantie voor 50% ziek gemeld en de laatste weken voor de zomervakantie werd dit zelfs 75%. En nog had ik niet het gevoel dat mijn lijf weer aan het herstellen was. Minder uren, maar nog steeds de verantwoordelijkheden van een examenleider, leverde alleen maar meer stress op. Ik sliep slechter en mijn werkweek van twee keer drie uur voelde als een fulltime werkweek. Ik was kapot.

Tijdelijke dip of blijvende achteruitgang?

Waar ik twee jaar geleden nog het gevoel had dat mijn lijf in staat was om te herstellen, begin ik daar nu een beetje het vertrouwen in kwijt te raken.

En aan alle kanten wordt het al tegen me gezegd. Mijn ergotherapeut vroeg zich hardop af of mijn achteruitgang niet gewoon blijvend was, in plaats van een tijdelijk dipje zoals ik het noemde. De bedrijfsarts vond dat ik misschien niet zo graag moet willen werken. Dat ik me op belangrijkere dingen moet richten, zoals mijn gezin. En mijn revalidatiearts kwam met de opmerking dat ik beter op mijn hoogtepunt kan stoppen, voordat ik zover aftakel dat ze me op een vervelende manier weg gaan werken.

Ja, het klinkt ook allemaal wel heel verstandig, maar mijn gevoel wil er gewoon niet aan. Het is maar werk, maar wat zou ik zonder moeten?

Deadline 22 oktober

Goed, er moet dus wel wat veranderen wil ik het nog langer vol kunnen houden. Na de zomervakantie blijf ik waarschijnlijk eerst nog even voor 50% ziek gemeld. Mijn taak als examenleider wordt gesplitst. Deze taak wordt steeds groter en is niet meer te doen door één persoon in een team met verschillende opleidingen. Hiermee word ik dus ontlast, krijg iets minder verantwoordelijkheden. Daarnaast zijn die collega’s straks zo goed ingewerkt, dat het geen drama is als ik toch nog uitval.

Maar, ik ken mezelf inmiddels wel een beetje en mijn revalidatiearts ook, dus heb ik een deadline afgesproken. Het is nu zo vaak gebeurd dat ik één stap vooruit doe en weer twee (of drie) terug, nu moet het gewoon echt gaan verbeteren.

Die deadline heb ik gezet op 22 oktober, het begin van de herfstvakantie. Als er dan nog geen verbetering is, meld ik me voor 100% ziek. Na een werkdag van drie uur moet ik na een half uurtje rust gewoon weer fit genoeg zijn om thuis wat te kunnen doen. Ik moet gewoon zeven uur kunnen slapen in een nacht. Vijf minuten kunnen lopen zonder pijn, bij het avondeten een half uur aan tafel kunnen zitten zonder pijn. Dat is allemaal toch niet teveel gevraagd?

En terwijl ik dit zo schrijf, denk ik tegelijkertijd: Jacq, wie neem je nou in de maling? Dit zit er echt niet meer in, wat je ook verandert in je werk.

Idealen in de prullenbak

Hoewel mijn gevoel zich er heel erg tegen verzet, heb ik er in mijn achterhoofd wel rekening mee gehouden dat het werken er op een gegeven moment niet meer in zit. En op zich maak ik me niet eens zoveel zorgen om het hele proces van afkeuren en hoe we er daarna financieel voor staan. Daar heb ik al het één en ander over uitgezocht en nagevraagd en dat moet te doen zijn.

Maar wat me nog het meeste dwarszit, is dat alles wat ik zo graag wilde bereiken met mijn werk, in de prullenbak kan. Ik ben het onderwijs in gegaan om mensen op te leiden voor het werkveld waar ik vandaan kwam. Om goede beroepskrachten te leveren, die ik zelf graag als collega gehad zou willen hebben. En waar ik mijn kinderen aan zou toevertrouwen.

Vijf jaar geleden heb ik mijn master in Leren en Innoveren behaald. Met het idee dat ik naast lesgeven ook achter de schermen bezig kon zijn met het vormgeven van goed onderwijs. De afgelopen veertien jaar heb ik zo ontzettend veel verschillende lessen gegeven aan de opleidingen Pedagogisch Werk, Onderwijsassistent en Maatschappelijke Zorg. Lessen waar ik toch best trots op ben.

Kan allemaal de prullenbak in. Al die kennis en ervaring doen er toch niet meer toe.

En ik merkte het al bij de laatste diplomering. Ik was er niet bij en ik werd niet gemist. Van de studenten die afstudeerden, was er maar één klas die nog les van mij heeft gehad en dat worden er steeds minder. Niemand die nog zegt: ‘Mevrouw, ik heb zoveel van u geleerd.’ Of: ‘U heeft me gemotiveerd om voor dit vak te gaan.’ De studenten kennen me alleen nog maar als die examenleider die komt zeuren als formulieren niet in orde zijn.

Nu al mis ik het lesgeven, het contact met studenten, het aanzetten tot leren, het ontwikkelen en creëren. Wat als daar straks helemaal niks van overblijft? Wat blijft er dan van mij nog over?

 

Vorig jaar heb ik me verdiept in het verbeteren van het verantwoordelijkheidsgevoel en zelfregulering bij studenten, zodat de examinering efficiënter zou verlopen. Hoewel het steeds beter gaat, blijven er struikelblokken die ik nog meer aan zou willen pakken.

Dit jaar wilde ik hierop doorgaan en een methode gebruiken waar ik tijdens mijn masteropleiding Leren & Innoveren al mee had kennisgemaakt: systeemdenken. Nu dan iets meer gericht op ons als team, in plaats van de studenten.

Wat is systeemdenken?

Er zullen vast meerdere beschrijvingen en methodes zijn, maar ik ben ermee aan de slag gegaan zoals het beschreven is in het boek ‘Systeemdenken, van goed bedoeld naar goed gedaan’ van Schaveling, Bryan en Goodman. Peter Sneijders heeft hier ook een informatief artikel over geschreven.


In dat boek wordt systeemdenken omschreven als een methode om zicht te krijgen op de complexiteit in organisaties. Zo’n organisatie bestaat uit patronen, waar je je misschien niet heel bewust van bent, maar waar je behoorlijk vast in kunt zitten.

Door systeemdenken toe te passen, worden die patronen zichtbaar en kun je loskomen van de standaard oplossing die niet meer werkt en dieper naar de oorzaak en gevolgen kijken. Om uiteindelijk dan ook die oorzaak goed aan te kunnen pakken en uit het vastgeroeste patroon te kunnen stappen. Hiervoor is een stappenplan beschreven van zeven stappen om systeemdenken toe te passen.

In dit artikel wil ik jullie meenemen in de stappen die ik tot nu toe uitgewerkt heb. Wel ietsje ingekort, om het wat leesbaarder te houden. En met de opmerking dat ik geen expert ben op het gebied van systeemdenken, dus mijn uitwerking zal vast hier en daar voor verbetering vatbaar zijn.

Stap 1: Beschrijf de incidenten of gebeurtenissen

Er is soms onduidelijkheid bij de studenten over de verwachtingen wat betreft de inhoud van de examens en de wijze waarop formulieren ingevuld dienen te worden. Ze ervaren daarnaast de uitleg van examens door docenten of slb’ers (studieloopbaanbegeleiders) als verschillend, wat tot vragen leidt.

Al die onduidelijkheid leidt ertoe dat examens onnodig op de verkeerde manier ingeleverd worden en dat levert de slb’ers en examenleider extra werk op.

Stap 2: Beschrijf het verloop van de incidenten in de tijd in grafieken

grafiek systeemdenkenOp het moment dat slb’ers en examenleider bij individuele vragen of problemen het uit handen nemen bij de student, is het voor studenten nog niet altijd duidelijk wat nu de juiste aanpak is volgens de procedures. Hoe vaker een quick fix wordt toegepast, hoe meer studenten ervan uitgaan dat het wel voor hen opgelost wordt en hoe vaker die quick fix nodig is. Het zelfoplossend vermogen van studenten gaat naar beneden, omdat het al voor hun opgelost wordt.

De vragen of onduidelijkheden van studenten gaan hierbij vaak om:

  • wat precies inhoudelijk de eisen bij een examen zijn
  • welke formulieren toegevoegd moeten worden en hoe deze ingevuld moeten worden

Stap 3: Formuleer de scope en richtinggevende vraag

De scope is hierbij beperkt tot het eigen team, omdat hier de meeste invloed op uitgeoefend kan worden.

De richtinggevende vraag hierbij is:

Waarom blijken de procedures rondom examinering onduidelijk te zijn voor studenten, ondanks vele uitleg en instructie door docenten, slb’ers en examenleider, terwijl duidelijkheid rondom deze procedures van belang is voor studenten om te kunnen slagen?

Stap 4: Identificeer de patronen die mogelijk ten grondslag liggen aan de incidenten

De patronen die hierbij mogelijk ten grondslag liggen, zijn te herkennen in het archetype symptoombestrijding (shifting the burden). Bij dit archetype wordt een probleemsymptoom verholpen, zonder dat het onderliggende probleem wordt aangepakt. Het symptoom blijft aanhouden en vergt steeds meer bestrijding om het onder controle te houden. Door het beslag dat symptoombestrijding legt, wordt de diepere oorzaak niet aangepakt. Het systeem raakt verslaafd aan symptoombestrijding.

loops systeemdenken

De bovenste loop laat de quick fix zien, welke op korte termijn het probleem oplost. Door individueel een student uitleg te geven of te helpen, wordt de vraag weggenomen bij die ene student.  

De onderste loop corrigeert de diepere oorzaak. Wanneer de procedures correct en eenduidig zijn uitgelegd aan alle studenten, neemt dit vragen en onduidelijkheden weg. Hierbij zit er een vertraging in het systeem, doordat studenten bijvoorbeeld niet allemaal aanwezig zijn op het moment dat er een uitleg is.  

De quick fix heeft een versterkende looprelatie met de diepere oorzaak. Hoe meer er individueel bijgesprongen wordt wanneer studenten ergens tegenaan lopen, hoe meer verschillen er in de aanpak van docenten zitten. Dit hindert de eenduidige uitleg/aanpak. 

Het verhelpen van individuele vragen wordt zo dominant, dat het er niet van komt om te werken aan de structurele oplossing, omdat die een tijdsvertraging heeft.

Stap 5: Ga op zoek naar drijvende krachten 

 Dominante mentale modellen in deze situatie kunnen zijn: 

  • Laat de student het dan maar even op deze manier inleveren, ik maak het verder wel in orde, zodat het op tijd ingeleverd is. 
  • Liever ingeleverd en onvoldoende, dan helemaal niets ingeleverd. Dan maar de feedback bij de beoordeling afwachten om weer te kunnen verbeteren. 
  • Als het nu niet meegenomen wordt in de beoordeling, hebben we er straks bij de herkansing nog meer werk aan.

Reflectievragen om de drijvende krachten in beeld te krijgen, zijn: 

  • Persoonlijk meesterschap: Hoe heb ik als examenleider bijgedragen aan het uit handen nemen van het probleem van de studenten, wanneer deze niet volgens de examenprocedure weten te handelen? 
  • Teamleren/groepsdynamiek: Welk belang hebben slb’ers en docenten bij het op hun eigen manier uitleggen/handhaven van procedures rondom examinering? 
  • Systeemscope: Komt dit probleem ook bij andere teams voor? Hoe gaan andere teams hiermee om? Wat voor gevolgen heeft de huidige aanpak voor de branche? 
  • Mentale modellen: Waarom kiezen we steeds voor de snelle oplossing door op individuele problemen/vragen in te gaan, waardoor het complete plaatje alleen maar onduidelijker wordt voor studenten? 
  • Gedeelde visie: Hoe dragen we met elkaar bij aan een duidelijk en overzichtelijk geheel van procedures? 

Wordt vervolgd….

Stap 6: Plan een interventie

Stap 7: Review de resultaten en het proces

In stap 1 heb ik input gehad van studenten en collega’s. Bij stap 5 heb ik dit ook nog nodig, om weer verder te kunnen met stap 6. Hier ben ik dus gebleven met het uitwerken van de stappen.

Ik hoop binnenkort stap 5 verder in te kunnen vullen en stap 6 vorm te geven. Aan het eind van het schooljaar komt stap 7 pas aan bod, dus het zal nog wel even duren voor ik hier wat over te vertellen heb.

Ben jij bekend met systeemdenken?

Wat denk jij dat er hierbij als interventie ingezet kan worden om het probleem op te lossen?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

Ik was er vroeger gek op, die geschiedenislessen. Het zal er vast ook wel mee te maken hebben gehad dat ik meestal wel een toffe geschiedenisleraar had, die z’n best deed er een leuke les van te maken. Maar het luisteren naar de verhalen en het in je kop stampen van de jaartallen vond ik ook leuk.

Zo anders dan mijn studenten, die ik meestal niet warm krijg voor zo’n les in wat allemaal al geweest is. Nu is er bij de opleiding Pedagogisch Werk waar ik lesgeef geen maandenlange reeks met geschiedenislessen over de kinderopvang, dus dat scheelt. Maar bij gebrek aan uitdagende opdrachten om in de theorie te duiken, bleef ik al een paar jaar hangen in dezelfde opdracht: ‘Zet de begrippen op de juiste plaats in de tijdlijn.’

Maar deze week had ik wat meer tijd om mijn les voor te bereiden en heb ik het in een ander jasje gegoten.

Voorbereiding geschiedenisles

  • Omdat het boek uit de studiewijzer niet op de boekenlijst van de studenten stond, kon ik beginnen met het kopiëren van de lesstof. En om zo min mogelijk papier te verspillen, heb ik geknipt en geplakt tot ik drie A4 op één A4 kreeg. Alleen maar tekst, zonder plaatjes dus.
  • De belangrijkste gebeurtenissen/ wetten/ regelgeving/ begrippen uit de tekst heb ik zo kort mogelijk overgetypt in een tabel en uitgeprint. Liefst zelfs afgekort, als het een gebruikelijke afkorting is.
  • De vakjes met begrippen heb ik uitgeknipt, zodat ik uiteindelijk achttien kaartjes had. Ik had nog een restje magnetisch plakband, maar gewoon plakband of losse magneetjes doen het ook prima hierbij.
  • Een paar kaartjes heb ik tot bonuskaartjes omgedoopt. Bij de ene was het jaartal niet terug te vinden in de tekst en zou deze dus gegokt moeten worden. De andere was helemaal niet in de tekst terug te vinden, omdat het om een nieuwe wet ging, die we de week ervoor behandeld hadden.
  • Tot slot heb ik een paar buzzers erbij gepakt. Daar hadden we meer dan genoeg van, maar uiteindelijk had ik er maar drie gebruikt, omdat ik vergeten was de anderen van batterijen te voorzien. Gelukkig was het maar een klein klasje.

Het spel

  • Terwijl de studenten de uitgedeelde tekst lazen en met highlighters aan de slag gingen, tekende ik de tijdlijn op het bord. Niet helemaal in proporties zoals je ziet, maar met genoeg ruimte voor de kaartjes.
  • Vervolgens de spelregels uitgelegd:
    • Als een groep weet welk jaartal er bij het door mij opgelezen en omhoog gehouden kaartje hoort, mag er op de buzzer gedrukt worden.
    • De groep die het eerst heeft gedrukt, mag het kaartje op de tijdlijn plaatsen. Hangt het goed, dan mogen ze het begrip toelichten. Hangt het verkeerd, dan krijgen de andere groepen een kans (wie het eerst drukt op mijn teken).
    • Goed opgehangen is één punt, een goede toelichting in eigen woorden is nog een punt erbij.
    • De groep met de meeste punten wint.

geschiedenisles kinderopvang spel

Resultaat van de geschiedenisles

Deze les gaf ik aan een kleine, maar behoorlijk drukke en enthousiaste klas. Eigenlijk vond ik het na twintig minuten wel weer tijd voor wat anders, maar de klas wilde doorgaan tot alle kaartjes op waren. Uiteindelijk zijn we er dik een half uur aan kwijt geweest.

Door het spelelement werden sommigen zo hyper en luidruchtig, dat het me nog meeviel dat er geen collega’s kwamen klagen.

Wat me opviel, was dat veel studenten moeite hadden met het vertalen van ‘de 19e eeuw’ uit de tekst naar de tijdlijn op het bord. Dit kwam bij een stuk of drie kaartjes voor en elke keer werd het verkeerd opgehangen en heb ik het opnieuw uitgelegd hoe het werkt.

Het uitleggen in eigen woorden was ook een lastige. Het kunnen vinden in de tekst lukte prima. Maar vervolgens ook begrijpen en uitleggen wat er dan in die tekst staat, is een ander verhaal. Afkortingen die in de tekst niet afgekort waren, kostten ook behoorlijk wat moeite om gevonden te worden. Behalve als ze ze bij andere vakken al eens besproken hadden, zoals VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie).

De bonuskaartjes waren ook lastiger dan ik had ingeschat. Zelfs toen er nog maar één specifiek jaartal over was en maar één kaartje, werd het verkeerd opgehangen. Maar het meest teleurstellend was toch wel dat echt niemand het kaartje herkende van de les van vorige week, haha!

Conclusie?

Deze meiden zijn niet zo van de theorie, maar met een beetje stimulans krijg je ze allemaal actief met hun neus in de lesstof. En met wat herhaling (ook bij andere vakken) blijft het wel hangen.

Als het aan de klas ligt, doen we elke week zo’n spel. Of ik er nou op zit te wachten om elke keer zo’n stel joelende meiden voor m’n neus te hebben. Ik weet het niet hoor. Later in de les hebben ze heel rustig en geconcentreerd een mindmap gemaakt, dat beviel me net iets beter.

En omdat iedereen wel mee kan praten over onderwijs:

Wat maakt voor jou een theoretische les minder saai?

mbo-studenten superhelden

Het schooljaar zit erop, de diplomering is geweest. En man, wat ben ik trots op mijn afgestudeerde studenten!

Mbo-studenten Welzijn & Onderwijs

Het team waar ik nu werk biedt verschillende opleidingen aan binnen Welzijn & Onderwijs, van niveau 2 tot en met niveau 4. Allemaal opleidingen waarbij ze uiteindelijk met mensen willen gaan werken, ze verzorgen en/of begeleiden. Met kinderen in de kinderopvang, buitenschoolse opvang of het (basis-) onderwijs, met ouderen, verstandelijk gehandicapten of mensen die om wat voor reden dan ook een hulpvraag hebben en begeleid moeten worden.

En daarbij zijn ze zelf het instrument. Hoe zij de cliënten of kinderen begeleiden, met ze communiceren, hoe ze het groepsklimaat beïnvloeden: alles wat ze doen, heeft invloed op hoe hun doelgroep zich verder ontwikkelt.

Dat geldt net zo goed voor docenten trouwens.

Van straatkatten en prinsessen…

Als ze net binnenkomen, hebben studenten vaak nog geen idee wat het beroep inhoudt waar ze voor gaan leren. Ze spelen graag met kleine kinderen, of willen zelf een betere begeleider worden dan die ze zelf hebben gehad.

Uiteindelijk moeten ze allemaal zover komen, dat ze (zelfstandig) een groep kunnen begeleiden. En waar de één dit van nature al in zich heeft, moet de ander van ver komen.

De afgelopen twee jaar was ik studieloopbaanbegeleider van een kleine klas. Maar hoe klein die klas ook was, de diversiteit was enorm:

  • Jonge moeders die naast hun school en stage dus ook nog de zorg voor hun kind hebben.
  • Studenten die zijn opgeklommen van niveau 2 naar niveau 3 en echt keihard moeten werken om het tempo en niveau bij te kunnen houden.
  • Een andere culturele achtergrond kan soms een struikelblok zijn. Niet alleen in de zin van verschil in normen en waarden, maar ook heel praktisch: het opvragen van een VOG die nodig is voor stage, kan veel langer duren bij een student die niet in Nederland geboren is.
  • Sommige studenten komen uit een warm nest waar hun ouders ervoor zorgen dat ze niks tekortkomen.
  • Anderen hebben zichzelf al die jaren al staande moeten houden en hebben echt een straatmentaliteit.

… tot bekwame professionals

Hoe mooi is het dan om te zien dat al die verschillende studenten zo naar dat diploma groeien. Dat ze gaan inzien wat wel en niet belangrijk is om mee te nemen in hun vak.

Toen ik ze aan het begin van het tweede jaar voor het eerst voor mijn neus kreeg, hebben we best nog wel wat pittige momenten gehad. Ik vond (uiteraard) dat ik wel wat belangrijks te melden had als docent en irriteerde me aan de laksheid van sommigen. Studenten die te laat kwamen, met andere dingen bezig waren of gewoon veel te weinig aanwezig waren. Mijn grenzen heb ik toen duidelijk aangegeven en dat viel niet bij iedereen even goed.

Maar eenmaal gewend aan elkaar en toen duidelijk was wat we aan elkaar hadden, verliep het een stuk soepeler.

Van die onverschillige houding veranderden ze in leergierige studenten. De lessen leken te kort en ze bleven maar vragen stellen, ze wilden ècht meer leren.

En zelfs de studenten waar ik me zorgen om maakte of ze het wel zouden halen, maakten aan het einde een inhaalrace. Om de praktijk hoefde ik me bij de meesten geen zorgen te maken, ze deden het prima op hun stage. De kinderen waren gek op ze en ze werkten goed samen met hun collega’s. Maar het inplannen, uitvoeren en inleveren van (examen-)opdrachten… dat leek toch wel het lastigste onderdeel van de opleiding.

Mijn mbo-studenten, mijn superhelden

Wat hebben ze het geweldig gedaan, die studenten van mij. Dat ze zich zo hebben kunnen transformeren in een paar jaar tijd, maakt ze echte superhelden.

Voor de diploma-uitreiking had ik voor al mijn studenten een kaart geborduurd met een superheld erop. En terwijl ze om de beurt naar voren kwamen om hun diploma in ontvangst te nemen en in het zonnetje gezet te worden, kwamen ook hun superkrachten langs. Humor, standvastig, mooi van binnen en van buiten, precies, zelfstandig, doorzettingsvermogen, beleefd, doelgericht, enzovoort.

Maar het zijn niet alleen mijn studenten waar ik studieloopbaanbegeleider van was, waar ik trots op ben. Als examenleider heb ik van alle gediplomeerden wel wat voorbij zien komen. En met het beoordelen van examengesprekken of -verslagen, krijg je een beeld van hoe ze het in de praktijk doen.

En ook daar zitten echte kanjers tussen. Studenten op niveau 2 die veel meer verantwoordelijkheden krijgen dan zou moeten, maar dit prima aankunnen. Of studenten van Maatschappelijke Zorg die echt wel hele pittige doelgroepen voor hun neus krijgen en hier hun eigen manier van begeleiden in kunnen vinden. Mooi om te zien, horen en lezen hoe zij het kind of de cliënt centraal stellen en als een professional handelen.

 Ik ga met een trots gevoel de vakantie in! En jij?

leerklimaat mboHet boek Beter leerklimaat in het mbo vond ik in januari in mijn postvakje, als cadeautje van de directie. Hier maak je mij altijd blij mee: boeken over onderwijs.

Er worden 40 tips gegeven om het gedrag van studenten te verbeteren. Het is een overzichtelijk geheel en daardoor snel door te lezen. Elke tip wordt op dezelfde manier toegelicht:

  • Om over na te denken
  • Aan de slag in je klas
  • De kern van de zaak

Alhoewel het boek van oorsprong geschreven is door Amerikaanse auteurs, zijn de situaties en tips net zo herkenbaar voor de Nederlandse situatie. Sorry voor de jongvolwassen studenten: jullie zijn gewoon ontzettend voorspelbaar. Geldt net zo goed voor de docenten trouwens.

Er zit wel aardig wat overlap in de tips en hier en daar wordt een open deur ingetrapt, maar wie weet is dit voor andere docenten wel wat nieuws.

Heel kort samengevat gaat het om een positieve benadering met oog voor de student. En dat is zeker iets waar ik me in kan vinden.

Tips die nu al goed voor mij werken

  • Geef studenten verantwoordelijkheid: Het zal je verbazen wat het effect is van letterlijk de bordstift in handen te geven van studenten. Als ze merken dat wat zij denken er toe doet, zijn ze veel meer bereid om nog dieper op de stof in te gaan.
  • Enthousiaste docent, enthousiaste studenten: Het ene vak is leuker om te geven dan het andere. Pedagogiek heeft mijn voorkeur, maar het vak organisatie kan ik met net zoveel enthousiasme overbrengen. Studenten zien er ook wel de humor van in: ‘Mevrouw, dit is helemaal niet zo leuk als u doet overkomen.’ En ondertussen blijven ze wel opletten, wachtend op het moment dat het wèl leuk gaat worden. Maar ik verklap natuurlijk niet dat dat leuke moment is wanneer zij de lesstof snappen en het belang ervan inzien.
  • Regels en procedures: Bij deze tip wordt er onderscheid gemaakt tussen regels die niet overtreden mogen worden (anders volgen er consequenties) en procedures, waarbij je een vaste manier hebt hoe dingen moeten gebeuren. Ik vind dat wel een mooi gegeven, iets om met mijn team bespreekbaar te maken. Zo hoeft het verbieden van de telefoon wat mij betreft geen regel te zijn. Maar ik vind het wel onderdeel van een procedure: je let op tijdens de uitleg, gaat aan het werk met een opdracht en pas als alles klaar is, mag de telefoon tevoorschijn komen. Dat is voor mij meteen een teken om misschien wat eerder naar een volgend lesonderdeel te gaan.

Tips die ik nog wel wat meer kan inzetten

  • Negeren is vooruitzien/ de afleidingsmanoeuvre: Dit is meteen wat ik bedoelde met overlap in verschillende tips. Want eigenlijk ben je nooit alleen maar aan het negeren, je gaat niet in op het negatieve gedrag, maar leidt de student af door zijn aandacht ergens anders op te richten. Ik ben er ook van overtuigd dat dit beter werkt dan je les te onderbreken en in te gaan op het negatieve gedrag, maar het lukt niet altijd. Zeker als de ene stoorzender de andere aansteekt, ben ik even kwijt hoe ik ze kan afleiden. En soms sta ik gewoon zo perplex van het gedrag, dat ik dat niet kan verbergen. Om even een extreme te noemen: ik betrapte een keer een student die een hijs nam van zijn elektrische sigaret, gewoon tijdens mijn les.
  • Praat zacht en rustig: Ook hiervan weet ik dat het werkt, in een drukke klas kun je beter juist zacht en rustig praten, dan doen studenten meer hun best om je te kunnen verstaan. Maar als ik in een open ruimte met computers en groepstafels van drie verschillende klassen tegelijkertijd de aandacht wil, lukt het me niet om dit zacht te doen. In een normaal klaslokaal waar ik sneller oogcontact heb met studenten, gaat het me een stuk beter af.

tips leerklimaat mbo

Welke tips zou jij een docent in het mbo willen geven om het leerklimaat te verbeteren?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

rolstoel scooterNiet zeuren, maar aanpakken!‘ Dat was één van de reacties die ik kreeg op de column die ik voor de Supportbeurs schreef: niet gehandicapt genoeg. Daarnaast ook veel reacties hoe herkenbaar het was om tussen wal en schip te vallen als het gaat om hulpmiddelen en aanpassingen. Maar die ene reactie bleef toch goed hangen.

Ik weet dat ik ook weleens de minder leuke kanten belicht van het chronisch ziek zijn. Het zou gek zijn als het alleen maar positief zou zijn, want het leven met EDS is nu eenmaal niet alleen maar leuk. Maar toch hoop ik over te komen als iemand die ervoor gaat, die haar best doet om zoveel mogelijk zelf voor elkaar te krijgen.

Dat dat niet bij iedereen zo overkomt, kan ik prima mee leven. Zo nu en dan weer even aangescherpt worden door iemand die een mening over je heeft na één column te hebben gelezen, zet me weer even met beide benen op de grond. Zo slecht heb ik het ook helemaal niet.

Net zo erg als mijn studenten

Met mijn studenten hadden we het pas over klachten en hoe de school hiermee omgaat. Zij vonden bijvoorbeeld dat er teveel opdrachten gegeven werden. Daar hadden ze over geklaagd, maar ze hadden niet het idee dat er wat mee gedaan werd. Maar toen ik vroeg hoeveel tijd ze aan huiswerk kwijt waren en het grootste deel van de groep toegaf dat ze er maar tussen de 0 en 2 uur per week aan besteden, dacht ik ook: niet zeuren, maar aanpakken!

Ik heb dat niet letterlijk geroepen, maar ik heb wel een preek gegeven over dat ze wat meer moeite mogen doen voor hun opleiding. Ik heb dus zitten zeuren tegen ze.

Vorige week kwam niet alleen die column op de Supportbeurs online, maar schreef ik hier ook nog eens over die ‘rotbaan’ van mij. Twee van zulke artikelen in één week en dan ook nog een preek naar je studenten. Ja, dan ben je toch echt wel een zeur.

Afscheid nemen van je maren

Toen ik lang geleden het boek Leven met pijn doorworstelde, kwam ik de oefening afscheid nemen van je maren tegen. Je beschrijft dan wat je zou willen en wat je tegenhoudt. Door vervolgens in elke zin het woord ‘maar’ weg te strepen en er ‘en’ voor in de plaats te zetten, verandert de betekenis en ga je er anders over denken.

Om het even toe te passen op mijn klaagzang van vorige week:

  1. Ik zou graag een uitdagende, leuke baan willen hebben, maar en het lesgeven is fysiek te zwaar voor me geworden.
  2. Ik zou graag de tijd willen krijgen om mijn werk goed uit te kunnen voeren, maar en die tijd is er niet.
  3. Ik zou graag zekerheid willen hebben over aanpassingen in mijn functie, maar en ik ben op papier niet ziek of arbeidsbeperkt waardoor mijn werkgever niet verplicht is mijn functie aan te passen.
  4. Ik zou graag dichtbij willen parkeren als ik mijn rolstoel gebruik, maar en ik heb geen gehandicaptenparkeerkaart.
  5. Ik zou financieel graag wat makkelijker willen hebben, maar en ik krijg geen tegemoetkoming in de kosten van het chronisch ziek zijn.

Aanpakken!

Niet gaan wachten tot een ander het voor je doet, maar gewoon zelf je schouders eronder zetten. Schop onder je kont en gaan. Ik kan natuurlijk wel mooi schrijven over zelfredzaamheid en afscheid nemen van je maren, maar dan moet ik het zelf ook gaan doen.

Bij het afscheid nemen van je maren wil je er eigenlijk meteen het woord ‘dus’ achteraan plakken en een oplossing geven voor het probleem. Tenminste, dat effect heeft die oefening op mij.

  1. Dus ga ik op zoek naar alternatieven binnen het onderwijs.
  2. Dus moet ik leren loslaten en werk over te dragen.
  3. Dus ga ik met mijn leidinggevenden in gesprek over welke aanpassingen wèl mogelijk zijn.
  4. Dus neem ik mijn rolstoel mee op mijn scooter.
  5. Dus ga ik op zoek naar andere mogelijkheden tot extra inkomsten, zoals crowdfunding of misschien in de toekomst zelfs dit blog.

Wordt vervolgd dus…

lesgeven

Zo’n rotbaan waarbij je altijd maar klagende mensen voor je neus krijgt. Waarbij je meer taken krijgt dan uren om ze uit te kunnen voeren. Waar overwerken niet bestaat, maar het normaal is om op je vrije avonden of dagen met je werk bezig te zijn. Bah, je zal zo’n baan maar hebben! Of…

Moet je werk altijd maar leuk en uitdagend zijn?

Een tijdje geleden las ik een interview met een filmmaker met een Wajong-uitkering. En stiekem was ik een beetje jaloers. Met behoud van zijn uitkering (uiteraard wordt het wel verrekend) kan hij zijn droombaan waar maken, terwijl anderen genoegen moeten nemen met een rotbaan om rond te kunnen komen. Er staan genoeg dingen in het interview waar ik hem gelijk moet geven hoor, maar toch steekt het een beetje. Ik vind het niet eerlijk dat ik wel steeds maar weer moet inleveren.

Vervolgens las ik een artikel over hoogbegaafden die werkloos thuis zitten, omdat ze te weinig uitdaging hebben op het werk. En dan denk ik aan die onderwijsleider die ooit tegen me zei: ‘Als jij fulltime had kunnen werken, had je makkelijk ook onderwijsleider kunnen worden.’ En ik had het beter gedaan dan die persoon ook. Alleen, helaas pindakaas, als het je fysiek niet lukt om fulltime te kunnen werken, kun je fluiten naar dit soort functies. Maar om dan je baan op te geven, omdat het niet genoeg uitdaging geeft, dat begrijp ik niet zo goed. Of nou ja, ik snap dat je dan op zoek gaat naar iets anders. Maar voordat je iets anders hebt, zou ik niet zo snel mijn baan opgeven, ik zou er toch het beste van proberen te maken.

Is het echt zo erg om werk onder je niveau te doen? Ok, als het leidt tot een ‘bore-out‘, is dat erg vervelend. Maar voor elke rotbaan geldt: iemand moet het doen. Er zijn heus meer mensen die hun werk niet altijd met plezier doen. Maar er zullen minstens net zoveel mensen zijn die zouden willen dat ze die rotbaan hadden, maar werkloos of afgekeurd thuis zitten.

Mijn rotbaan

Meestal vind ik mijn werk erg leuk. Maar met vlagen irriteer ik me aan mijn werk en vraag ik me af of het de overbelasting van mijn lijf waard is. En op zo’n punt zit ik nu.

Sinds dit schooljaar ben ik minder les gaan geven en heb ik de taak van examenleider gekregen, in de hoop dat dat minder zwaar zou zijn voor mijn lijf. En in de meeste opzichten is het ook minder zwaar. Ik kan veel vanachter mijn laptop doen en de overstap van drie hele dagen naar twee hele en twee halve dagen is mij goed bevallen.

Maar het is echt stom, dat examenleider zijn. Om het even op te sommen:

  • Examens aanvragen, formulieren checken, cijfers invoeren… Het is gewoon saai werk.
  • Ik zie mijn collega’s minder, omdat ik in een apart hok zit.
  • Het werk is zo ontzettend veel in zo weinig tijd, dat ik toch fouten maak. En dat vind ik als perfectionist toch wel het vervelendste.
  • De verantwoordelijkheid weegt erg zwaar. Als ik iets niet goed doe, kan het ertoe leiden dat een student geen diploma haalt. Of als de onderwijsinspectie ziet dat iets niet in orde is, kan het ertoe leiden dat we die hele opleiding niet meer aan mogen bieden. Ook op andere locaties niet.
  • Het werk is nooit af, er blijft altijd wel iets liggen. Daar ga ik vervolgens thuis ook nog over zitten malen, wat mijn nachtrust geen goed doet.
  • Examenleider is een taak naast het lesgeven en studieloopbaanbegeleider zijn. Doordat er meer tijd gaat zitten in de examinering, kan ik niet de kwaliteit bieden in mijn lessen die ik zou willen.
  • Mensen zoeken me vooral op als ze ergens niet tevreden over zijn. En denken dat ik dat kan veranderen, wat niet altijd het geval is.
  • Ik moet mijn collega’s feedback geven als ze iets niet goed gedaan hebben. Niet tof om te moeten doen, kan ik je zeggen.
  • Slecht nieuws aan studenten moeten geven is trouwens ook niet tof.
  • En tot slot: ook al is deze taak fysiek minder zwaar dan lesgeven, ik ga nog steeds achteruit.

Wat is het alternatief?

Ik zou me ziek kunnen melden, daar heb ik genoeg aantoonbare redenen voor. Want welke malloot laat zich door een baan een rolstoel in jagen? En dan maar afwachten of ik daadwerkelijk afgekeurd wordt, zodat ik thuis kan zitten met een uitkering, of een aangepaste functie krijg. Of, wie weet kan ik ook wel filmmaker worden!

Nee, dat kan ik dus niet. Sowieso heb ik het talent niet om filmmaker te kunnen worden. Maar ik vind het daarnaast lastig om me ziek te melden terwijl ik weet dat ik wel de uren kan werken, maar alleen maar moeite heb met bepaalde taken.

Een andere optie is om intern of extern op zoek te gaan naar een andere functie.

Intern (of met name in de branche waar ik werk) vraag ik me af of die er is. Tot nu toe heb ik vooral het idee dat je als docent gewoon alles moet kunnen en het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Je specialiseren in een functie buiten het lesgeven, is maar voor weinig mensen weggelegd.

Extern op zoek gaan naar een andere functie vind ik best spannend. Want dat vaste contract wat ik nu heb en alles wat ik binnen mijn werk heb opgebouwd, durf ik toch niet zo goed achter me te laten. Om dan weer van voren af aan bij een andere organisatie te starten met de onzekerheid van een tijdelijk contract.

Ik gooi het bijltje er niet zomaar bij neer en heb inmiddels wat lijntjes uitgeworpen. Geen idee nog wat het gaat opleveren. Maar als het me wat gaat opleveren, zal ik daar vast wel wat van delen op mijn blog! En tot die tijd probeer ik maar die rotbaan te veranderen naar een leuke baan. Wie weet wil ik straks niet eens meer iets anders. 😉

laptop agenda to doIn het onderwijs wordt er regelmatig aandacht besteed aan 21e eeuwse vaardigheden. Het idee erachter is dat we in de moderne tijd waarin we leven, andere vaardigheden nodig hebben dan voorheen aangeleerd werden. Sommige beroepen waar studenten nu voor opgeleid worden, zullen er op een gegeven moment niet meer zijn. Die 21e eeuwse vaardigheden kunnen in alle beroepen nuttig zijn, zodat studenten toch voorbereid zijn op de toekomst.

Maar los van school en werk, denk ik dat het juist ook goed is voor chronisch zieken om zich bewust te zijn van deze 21e eeuwse vaardigheden. En ze wellicht ook verder te ontwikkelen.

Dit filmpje laat in het kort zien wat die 21e eeuwse vaardigheden inhouden. Meer is te lezen op de website van SLO. De omschrijvingen die in dit artikel per vaardigheid te lezen zijn, komen hier ook vandaan.

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Wanneer je chronisch ziek bent, zul je keer op keer met tegenslagen en veranderingen te maken hebben. Daar is geen handleiding voor. Je kan dan bij de pakken neer zitten, maar daar schiet je niets mee op.

Kritisch denken

Bij kritisch denken gaat het om het vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk, maar ook houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen spelen een essentiële rol.

Is het wel of niet verstandig om weer voor een nieuwe behandeling of operatie te gaan? Hoe hou je belasting en belastbaarheid in balans? Genoeg denkvoer om eindeloos over te piekeren. Maar de kunst is om ook knopen door te hakken op basis van die afwegingen. Niet gemakkelijk, kan ik je wel zeggen.

Creatief denken

Creatief denken en handelen is het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.

Geen mens is hetzelfde en wat voor de één een goede oplossing zal zijn, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Zeker bij aandoeningen die niet zoveel voorkomen, hebben behandelaars ook niet altijd een geschikt antwoord.

Door out-of-the-box te denken en risico’s te durven nemen, kom je soms tot ideeën die je leven een stuk makkelijker maken. Om even een simpel voorbeeld te geven: het je al eens gezien hoe ik mijn rolstoel meeneem op mijn scooter?

Probleem oplossend denken

Probleemoplossend denken en handelen is het vermogen om een probleem te (h)erkennen en tot een plan te komen om het probleem op te lossen.

Daarbij is het proces dat leidt tot het oplossen van het probleem belangrijker dan het vinden van de oplossing zelf.

Wanneer je strategieën kunt bedenken om tot een oplossing te komen voor het ene probleem, kun je deze ook toepassen bij andere problemen.

Computational thinking

Computational thinking is het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie het probleem op te lossen. Het gaat daarbij om een verzameling van denkprocessen waarbij probleemformulering, gegevensorganisatie, -analyse en -representatie worden gebruikt voor het oplossen van problemen met behulp van ICT-technieken en -gereedschappen.

Denk bijvoorbeeld aan al die apps gericht op gezondheid. Revalidatieapps heeft hier al een aardig overzicht in gemaakt. Een activiteitenweger, pijndagboek, calorieënteller, stappenteller, mindfulness en andere oefeningen, voor van alles is er wel een app. En met bijbehorende gadgets kun je nog meer inzicht krijgen in je gezondheid, zoals je slaap analyseren.

Informatievaardigheden

Informatievaardigheden omvat het scherp kunnen formuleren en analyseren van informatie uit bronnen, het op basis hiervan kritisch en systematisch zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en verwijzen van relevante informatie en deze op bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen en evalueren. In de context van 21e-eeuwse vaardigheden gaat het hierbij vaak om digitale bronnen.

In de weg naar een diagnose en ook daarna zul je als chronisch zieke flink wat tijd hebben doorgebracht op Google. Waar komen mijn klachten vandaan? Bij wie moet ik zijn voor diagnose en behandeling? Wat staat me nog meer te wachten?

Al die digitale bronnen maken jou nog steeds geen arts. Maar het kan je wel helpen om je gerichter door te laten verwijzen.

En bedenk ook dat niet elke bron even betrouwbaar is. De ene richt zich meer op wetenschappelijke feiten en de ander meer op opinie. Het is dan maar net welke informatie je nodig hebt. Wat betreft relevante informatie over aandoeningen zou ik websites van patiëntenverenigingen (zowel nationaal als internationaal) eerder aanraden dan Wikipedia.

Wordt vervolgd…

De oplettende lezer ziet dat er nog een stuk of 5 vaardigheden overblijven. Om alles in één keer te beschrijven, zou tot een enorme lap tekst leiden. Dus vandaar dat er volgende week een deel 2 verschijnt met daarin de vaardigheden:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Communiceren
  • Samenwerken
  • Sociale en culturele vaardigheden

Welke vaardigheden pas jij al toe? En waar zou jij je meer in kunnen ontwikkelen?

schoenen zand strand rolstoelBij rouwen denk je vaak aan de tijd na het overlijden van iemand. Maar er zijn meer dingen waar je om kunt rouwen, waar je afscheid van moet nemen. Als ouders bijvoorbeeld een kind met een handicap krijgen, of als iemand zelf een handicap krijgt, doorlopen ze ook een rouwproces. Zelf herken ik het ook. Elke keer als EDS mij een nieuwe beperking oplegt, moet ik afscheid nemen van wat ik daarvoor wel kon.

Afscheid nemen van:

  • het werken in de gehandicaptenzorg
  • het kunnen fietsen op een normale fiets
  • lange afstanden kunnen lopen
  • hoe ik mezelf als moeder zag
  • impulsiviteit en spontaniteit
  • dansen op mijn benen
  • enzovoort

Wanneer ik het met mijn studenten heb over rouwen, dan bespreken we ook de fases van rouwverwerking zoals Elisabeth Kubler Ross die ooit heeft opgesteld. Het is hierbij niet zo dat je per se alle fases doorloopt bij het rouwen, of dat er een bepaalde tijd voor staat, of dat dit de enige volgorde is om het goed te kunnen doorlopen. Maar het geeft wel een verklaring van het gedrag en gevoel van mensen die rouwen.

En omdat ik me hierin herken, leek het me interessant om die fases van rouwverwerking toe te passen op mijn EDS-acceptatieproces.

1. Ontkenning

Zonder diagnose is dit een fase die nog wel even door kan blijven sudderen. Ik denk ook niet dat alle artsen zich daar bewust van zijn. Zeker het label ‘chronische pijn’ vind ik niet zo’n handig gekozen diagnose. Want als je voorbijgaat aan de oorzaak van de pijn, heb je best eens kans dat je helemaal verkeerd bezig bent.

Zo ben ik een lange tijd steeds maar over mijn grenzen gegaan. Onder andere omdat mijn toenmalige revalidatiearts zei dat de pijn geen functie had en ik erdoorheen moest trainen. Achteraf is dat stom geweest, ik heb waarschijnlijk meer kapot gemaakt dan nodig is geweest.

Maar ook als die juiste diagnose er eenmaal wel is, kun je nog steeds denken: ik heb het echt niet zo erg als andere mensen met dezelfde aandoening, het valt best mee. Of: moeders mogen nu eenmaal niet ziek zijn.

2. Onderhandelen

Als ik maar doe wat de arts of fysiotherapeut zegt, dan komt het vast wel weer goed. Op zich geen verkeerde instelling, maar ècht beter word ik nooit. Het wordt nooit meer zoals het was.

Wat betreft mijn werk zit ik nog steeds wel in de onderhandelfase. Ik vind dat ik nog best die 24 uur kan werken. Het ontkennen dat ik door mijn werk steeds meer achteruit ga, dat ben ik inmiddels wel voorbij. Maar als mijn functie meer op mij aangepast is en de randvoorwaarden in orde zijn, dan red ik het prima en hoop ik nog jaren te kunnen werken.

3. Woede

Na mijn eerste revalidatietraject (deze was gericht op chronische pijn en ik had nog niet de diagnose EDS) had ik er flink de balen van dat ik alleen maar nog meer achteruit was gegaan. Ik vond het niet eerlijk. Had hard gewerkt, met maar weinig resultaat.

En ik werd er nogal opstandig van: als mijn lijf dan toch kapot gaat, dan wil ik wel dat ik er plezier van heb gehad. Gevolg was dat ik nog meer over mijn grenzen ging, soms in combinatie met wat wijntjes teveel om de pijn niet te hoeven voelen. Uiteindelijk ben ik zelf naar een psycholoog gestapt, ik moest met mezelf aan de slag, anders maakte ik meer kapot dan alleen mijn lijf.

4. Verdriet

Het besef dat alles en iedereen doorgaat en er bij mij op de rem getrapt wordt, brak me vreselijk op. Fotoalbums doorbladeren en dan beseffen dat ik er bijna niet op sta, omdat ik altijd degene ben die langs de kant staat en de foto’s maakt. Zien dat vrienden of familieleden hulp nodig hebben, maar dat ik dit fysiek niet kan bieden. De muziek voelen in heel je lijf, maar weten dat je niet meer ‘los’ mag gaan. Elke keer weer wat moeten inleveren, omdat het niet meer gaat. Het weg voelen glippen tussen je vingers. Soms zelfs letterlijk, wanneer door de pijn het niet lukt om de vaatwasser uit te ruimen, om maar iets te noemen.

Man, ik heb er flink wat traantjes om gelaten. En nog, ik ben gewoon een jankerd. Maar niet depressief hoor. 😉

5. Acceptatie

Net zoals foto’s voor mij confronterend waren en me verdrietig maakten om wat ik moest missen, helpen ze me ook de realiteit te accepteren. Het vastleggen van mijn nieuwe rol in het gezin, soms met rolstoel of driewielligfiets. En het schrijven hier op mijn blog.

Het is wat het is, maar ik blijf er niet in hangen. De boosheid en het verdriet kan ik steeds meer loslaten om zo verder te gaan. Weliswaar in een ander tempo, maar zoals een lotgenootje me pas vertelde:

It doesn’t matter how slow you go, as long as you don’t stop.

En dat is op heel veel gebieden toe te passen.

Waar ik nu sta in mijn acceptatieproces

Dat proces gaat niet altijd gelijk op. Op sommige gebieden blijf ik wat langer hangen voordat ik het kan accepteren en soms lijkt het of ik weer van voren af aan kan beginnen. Maar met elke keer weer een ervaring rijker, heb ik wel ontdekt dat je met ontkenning en woede niet snel verder komt. Natuurlijk moet je dat jezelf ook af en toe gunnen, soms is het even nodig om je frustraties eruit te gooien. Maar dit zijn toch wel fases die bij mij meer schade aanrichten als ik er te lang in blijf hangen.

Mijn veranderde rol in het gezin, hobby’s die ik heb moeten aanpassen en het gebruik moeten maken van hulpmiddelen zoals een rolstoel, zijn dingen die ik inmiddels wel geaccepteerd heb. Alhoewel ik wat betreft mijn rolstoel nog weleens wil onderhandelen: nu wil ik een keer lopend naar de winkel en dan neem ik morgen wel weer de rolstoel.

Wat betreft mijn werk en het toepassen van de salamitechniek zit ik nog middenin de onderhandelfase. Ik heb daar gewoon meer tijd voor nodig, het is zo’n omschakeling om een stukje van mijn persoonlijkheid om te moeten vormen naar iets wat goed voor mijn lijf is. En ik ben er ook op voorbereid dat het me nog flink wat verdriet zal opleveren als ik ooit echt niet meer kan werken.

Herken jij jezelf in deze fases? Waar sta jij als het gaat om het accepteren van dingen (of mensen) waar je afscheid van moet nemen?