Berichten

conferenties toegankelijkheid

Dit is niet de eerste keer dat ik over dit onderwerp schrijf. In 2016 schreef ik al over de plus- en minpunten met betrekking tot rolstoelvriendelijkheid bij symposia en conferenties.

Je zou zeggen dat er in drie jaar tijd wel wat veranderd mag zijn. Met dat VN-verdrag dat in werking is gesteld en zelfs al geëvalueerd. Voor mij persoonlijk zijn er ook veranderingen geweest: ik heb mijn rolstoel nu meer nodig dan toen. Elke extra drempel irriteert me nog meer dan toen.

Is het nog wel de moeite waard? Waarom zou je nog naar conferenties willen?

Ik ben docent pedagogiek met een master in Leren & Innoveren. En ik ben niet zover gekomen om verder maar op de automatische piloot les te gaan geven. Ik wil geïnspireerd worden, nieuwe dingen leren, bij blijven met nieuwe ontwikkelingen.

Bijscholing is een belangrijk onderdeel van je vak als docent. Je wil je studenten niet iets leren wat tien jaar geleden relevant was, je wil ze leren wat nu relevant is, of in de toekomst. Daarnaast zijn conferenties, beurzen, symposia en congressen een mooie gelegenheid om te netwerken. Ook om zo samen het onderwijs sterker neer te zetten, maar ook om te zien of er ergens in het onderwijs een plek is waar ik nog beter op mijn plek zou zijn.

Dus ja, ik vind het zeker de moeite waard om dit soort bijeenkomsten te blijven bezoeken. Dat betekent vaak wel dat ik mijn werkdag of vrije dagen eromheen erop aan moet passen. Twee uurtjes langer werken en de dag erna nodig hebben om ervan bij te komen, vind ik nog te overzien voor een keer. Maar een werkdag van 8.00 tot 20.00 uur trek ik echt niet, dus dan zal ik daar nog meer aanpassingen in moeten maken.

Het effect van een ontoegankelijke conferentie

Als het jaren later nog steeds niet verbeterd is, heb ik misschien te weinig laten merken hoeveel last ik ervan heb als een conferentie niet toegankelijk is. Blijkbaar is dan het aangeven in een evaluatie of het doorgeven aan de organisatie niet genoeg.

Goed, hier dan een opsomming, misschien dat het zo iets duidelijker wordt:

  • Als ik na een lange autorit, inclusief file, bij binnenkomst welkom wordt geheten met: ‘Is dat blijvend?’ met een knik naar mijn rolstoel, dan komen er even geen pedagogisch verantwoorde woorden uit mijn mond. Nee, dat is geen fijne binnenkomer.
  • Als ik uit mijn rolstoel moet stappen om een drempel of trap te nemen om bij een workshop of lezing te komen, kost mij dat veel pijn en inspanning. De helft van de informatie gaat dan aan mij voorbij, omdat ik nog aan het bijkomen ben. Ik kan me niet focussen op waar ik voor gekomen ben.
  • Een andere route moeten nemen, of om een liftsleutel moeten vragen, kost tijd. Die tijd is al beperkt tussen het wisselen van workshops (die vaak ook al uitlopen). En het is gewoon niet tof om in een zaal vol mensen te laat binnen te komen.
  • Hoe behulpzaam anderen ook willen zijn, de meesten weten niet hoe ze een rolstoel moeten tillen. Afgelopen week heb ik daardoor mijn rolstoel moeten repareren tijdens een workshop. Een rolstoel repareren is niet iets wat mij makkelijk af gaat, ook dat kost mij veel pijn en inspanning.
  • Continu omhoog moeten kijken om met mensen in gesprek te gaan, wordt al snel vermoeiend. Net als het steeds maar moeten vragen of ik ergens langs mag. Niet alleen fysiek vermoeiend, maar het geeft me ook het gevoel alsof ik er niet bij hoor. Ik word niet gezien.
  • En ik waardeer de hulp van mijn collega’s echt heel erg, maar ik word daardoor wel in een rol geduwd die niet bij mij past. Ik wil zelfstandig kunnen gaan waar ik wil. Niet moeten vragen of iemand drinken voor me wil halen. Of een plekje aan een lage tafel bezet wil houden. Dat ik bof met collega’s die me zo fijn helpen, zou niet eens uitgesproken hoeven te worden. Maar dat wordt het wel, door mensen die mij niet kennen en mij zo nog meer in die afhankelijke rol duwen.

Al die pijn, vermoeidheid, te laat komen en niet gezien of juist als hulpbehoevend gezien worden, maakt dat ik echt strontchagrijnig word van zo’n conferentie. Terwijl de workshops en sprekers inhoudelijk misschien best interessant kunnen zijn.

Beste organisatie, aanpassen is echt niet zo moeilijk!

Ik zal heus niet vragen om alle oude, ontoegankelijke gebouwen plat te gooien. Als er voor die paar mensen zoveel sentimentele waarde aan hangt om per se op zo’n locatie een conferentie te organiseren, prima. Hier dan toch wat tips, die echt niet zo heel veel moeite of geld kosten:

  • Als je weet dat sommige zalen niet toegankelijk zijn voor mensen in een rolstoel of die slecht ter been zijn, neem dan zelf het initiatief om dat als opmerking aan te kunnen vinken op het inschrijfformulier. Dat ik te horen krijg dat ik dat zelf moet aangeven, zonder dat daar ruimte voor is op het inschrijfformulier, is natuurlijk een beetje de omgekeerde wereld. Had ik dat dan bij ‘dieetwensen’ aan moeten geven?
  • In het geval van liften (of invalidentoilet) die alleen met een sleutel werken: geef zo’n sleutel meteen bij de aanmeldbalie mee. Ik ben best bereid om iets als borg af te geven, veel liever dat dan om hulp moeten vragen. En ik denk dat ik niet de enige ben die daar zo over denkt.
  • Grote groepen mensen van eten en drinken moeten voorzien, is altijd lastig. Ik snap dat er in die gevallen (vrijwel altijd) voor een lopend buffet gekozen wordt. Maar als alleen al de drankjes op dienbladen rondgebracht worden, zou dat zoveel schelen. Ook voor mensen zonder beperkingen: hoef je niet twee keer in de rij te staan, of met een bord èn een glas door de mensenmassa te gaan. Maar ik heb ook bijeenkomsten meegemaakt waar zowel de hapjes als de drankjes rondgebracht werden, ideaal!
  • Ook de statafels snap ik, veel praktischer met grote groepen mensen. Maar let hierbij op de plaatsing van de tafels. Zorg voor genoeg ruimte tussen de tafels, zodat er nog steeds een looppad vrij is als er mensen om de tafels staan. En wissel statafels af met lage tafels met stoelen of losse banken. Stop de lage zitjes niet ver weg in een hoek. Alleen maar drie kwartier ouwehoeren bij je vaste statafel met je vaste clubje, levert niet bijzonder veel op. Als het doel netwerken is, zorg dan voor een opdracht waarbij mensen letterlijk in beweging komen en iedereen gezien wordt.
  • Zorg dat de medewerkers die daarover gaan goed op de hoogte zijn van waar te parkeren en wat praktische routes zijn. Dus ook waar de gehandicaptenparkeerplaatsen zich bevinden. Die zijn er niet voor niets en kunnen iemand een hoop moeite besparen.
  • Op een onderwijsgerelateerde bijeenkomst is iemands aandoening of beperking niet handig om in een openingszin op te nemen. Mocht het gesprek toevallig zo lopen, prima. Het hoeft ook weer geen taboe te zijn. Maar zonder verdere kennismaking daarmee binnen te willen vallen… Nee, doe maar niet.

Dit artikel dekt lang niet alles als het gaat om toegankelijkheid bij conferenties. Het is vooral beschreven vanuit mijn oogpunt als rolstoelgebruiker. Voel je dan ook vrij om aanvullingen (al dan niet in de vorm van linkjes) in de reacties achter te laten. En delen mag uiteraard ook! Wie weet kan ik dan over nog drie jaar een heel ander verhaal vertellen.

En aan de organisaties die nu vreselijk op hun teentjes getrapt zijn vanwege al mijn kritiek: wees maar niet bang, dit is vooral een samenvatting van meerdere bijeenkomsten. Er zijn maar weinig organisaties die het op alle punten verprutsen.

plannen POPOei, ga ik nu echt vloeken in de kerk? Zo’n persoonlijk ontwikkelingsplan (oftewel POP) is toch gewoon nodig in het mbo om studenten zelf aan het leren te krijgen?

Ach tja… Het is mooi als het als een rode draad door de opleiding heen loopt en het studenten inzicht geeft in hoe ze zijn, wat ze kennen en kunnen en wat ze willen leren om zichzelf te verbeteren. Maar op een gegeven moment ben ik er wel klaar mee. Het moet geen doel op zich worden en sommige studenten komen echt niet verder door middel van zo’n POP.

Zo begeleid ik bijvoorbeeld een clubje studenten dat het niet heeft gered om binnen de tijd die ervoor stond hun diploma te halen. Ze hebben daardoor al een aangepast examenplan gekregen, veel van hen ook een verbeterplan. En toen kwam er een student met de vraag of ze ook nog een POP moest schrijven. Nee zeg, alsjeblieft niet! Moet ik dat ook weer na gaan kijken en van feedback voorzien, waar dan weer niks mee gedaan wordt, omdat de waarde ervan niet gezien wordt.

Geen POP, maar een schop kun je krijgen

Die studenten die er vijf, tien of twintig weken langer over doen om hun diploma te halen, zijn zich er heus wel van bewust dat er iets niet goed is gegaan in hun planning. Maar om daar dan weer een plan over te gaan schrijven, kost alleen maar tijd die ze beter kunnen gebruiken. En dan hebben ze meer aan een schop onder hun kont. Als je nu niet aan het werk gaat, heb je straks geen diploma! Hup, aan de slag.

Niet alleen studenten die verlengen trouwens. Ik ben van mening dat wanneer studenten in de examenfase zitten, je ze niet meer lastig moet vallen met een POP. Ze hebben genoeg geoefend en moeten zich vanaf dat moment gaan bewijzen. Examenopdrachten uitvoeren en inleveren, daar draait het dan om. En ik heb me meerdere keren verbaasd over studenten die pas bij de herkansingen de druk van de naderende eindstreep voelden en ook dan pas harder gingen lopen. Om vervolgens gewoon welverdiend dat diploma binnen te halen.

Plannen, plannen en nog eens plannen

Dat ik ze geen POP laat schrijven, betekent niet dat we geen doelen en plannen opstellen. Ik pak het alleen een beetje anders aan.

Op een grote flap heb ik de weken die ze nog hebben ingevuld en voor elke student daarin een dubbele rij: boven voor de planning, onder de evaluatie. In de eerste les had ik een voorbeeld laten zien waarbij ik op kleine post-its doelen had beschreven, gekoppeld aan een examenopdracht. Zoals het laten ondertekenen van het startbewijs (op basis van een oefenopdracht), feedback vragen op een opdracht en het inleveren van een examenopdracht. Die post-its had ik verspreid opgeplakt op de planning en studenten mochten dit vervolgens voor zichzelf gaan doen.

Voor een aantal was dit erg lastig, zij vonden de hoeveelheid te overweldigend. Met hen heb ik afgesproken om de paar weken de planning bij te werken. Anderen wisten precies al wat ze wanneer wilden doen en hadden de post-its niet nodig en konden het meteen op de planning zelf al invullen.

Het voordeel van de post-its is dat er nog geschoven kan worden als blijkt dat een week te vol komt te hangen. Aan de andere kant is het wel de bedoeling dat de planning op een gegeven moment vastgelegd wordt en de post-its vervangen worden door het op de flap zelf te schrijven.

En aan de slag ermee

Elke les gaan de studenten zelfstandig aan het werk volgens die planning. En dan is het nummertjes trekken wie het eerst bij mij langskomt om iets in te leveren of te laten zien. De les duurt drie lesuren, in totaal dus twee uur en een kwartier en er is geen moment dat ik niks te doen heb. Ik stel vragen, zet ze aan het denken, geef feedback en controleer of hun ingeleverde examenopdrachten en bijbehorende formulieren volledig ingevuld zijn.

Aan het eind van de les kijk ik per student wat ze van hun planning af kunnen strepen. Wat gedaan is, arceer ik met groen, niet gedaan met roze. Aanwezigheid in de les en op stage tellen daarbij ook elke keer weer mee. Als alles op groen staat, krijgen ze een stempel met een duim omhoog, zo niet, een duim omlaag. Het kost niet veel tijd om zo te evalueren, de studenten zien snel hoe ze bezig zijn, ook vergeleken met anderen. En de planning kan meteen bijgesteld worden voor de volgende week.

De foto hier bovenaan het artikel is van de eerste week. Inmiddels is de planning wat meer ingevuld en heb ik wat meer stempels uit kunnen delen. Nog vrij weinig duimen omhoog, maar groen krijgt steeds meer de overhand.

Is dit niet heel erg prestatiegericht?

Ja, dat klopt. En dat is nou net waar deze studenten staan in hun opleiding: het wordt echt tijd dat ze gaan presteren.

Daarbij moet je wel weten dat al die examenopdrachten natuurlijk veel meer inhouden dan alleen maar een verslagje inleveren. Het gaat erom dat ze een overdracht aan ouders kunnen geven, hun activiteiten aan kunnen passen aan de wensen en behoeften van de kinderen op de groep, zelfstandig een dagdeel kunnen draaien en nog veel meer. De beroepshouding zit hier doorheen gevlochten.

Ze lopen ook al ruim tweeënhalf jaar stage. Vaak gaat het in de praktijk dan prima, maar is het net dat stukje plannen en afronden van opdrachten waar ze wat hulp bij nodig hebben.

In mijn feedback op opdrachten geef ik aan wat nodig is om alle criteria minimaal te dekken en wat ze zouden kunnen toevoegen om tot meer verdieping (en dus een hogere score) te komen. Ja, dat klinkt ook heel prestatiegericht. Maar ondertussen kunnen ze zelf de inschatting maken of ze de tijd hebben om er meer uit te halen dan ze tot dan toe gedaan hadden.

Tot nu toe werkt dit voor zowel de studenten als voor mij prima. Of ze straks ook allemaal binnen de limiet hun diploma hebben gehaald, kan ik je in juli vertellen.

Hoe sta jij tegenover een POP? Heeft dit voor jou een meerwaarde? Of heb je ook een eigen manier gevonden om doelgericht bezig te zijn?

staking onderwijs

Van 11 tot en met 15 maart voert het hele onderwijs actie. Goed onderwijs is nodig en daar heb je leraren voor nodig, waar juist steeds meer een tekort aan is. De actieweek wordt afgesloten met een staking op 15 maart.

Ik zie de noodzaak om actie te voeren, maar twijfel nog wat ik hierin kan betekenen. Wel of niet staken…

Waarom wel staken?

Alleen over het waarom wel zou je al hele artikelen kunnen vullen. Frans Droog en Michelle van Dijk deden dit al. Zij noemen heel veel goede argumenten, dus zeker even doorklikken en hun stuk lezen!

Wat voor mij belangrijk is:

  • Het zijn niet alleen de leraren die er last van hebben, ook de leerlingen en hun ouders. Leerlingen missen lesstof door lesuitval en zijn daardoor misschien minder goed voorbereid op hun vervolgopleiding of toekomstige beroep. Ouders moeten opvang regelen als de school kinderen naar huis stuurt bij gebrek aan leraren.
  • Onderwijs is de basis van de samenleving. Als dat niet op orde is, brokkelt de rest ook af.  Wanneer leerlingen/studenten klaar zijn met school en het werkende leven in gaan, breidt het zich als een olievlek uit. Dan kun je niet de lat steeds lager leggen en die beginnende beroepsbeoefenaars met een halflege rugzak het werkveld insturen. Of wat ook wel gebeurt: de lat hoger leggen, maar dit niet faciliteren in het onderwijs.
  • Het lerarentekort en daarbij de hoge werkdruk zijn problemen die al zo lang spelen en nog is er geen oplossing voor. Het werken in het onderwijs moet aantrekkelijker gemaakt worden, zodat meer mensen hiervoor willen kiezen en ook willen en kunnen blijven werken. Lagere werkdruk, een passend salaris en carrièreperspectief.

Waarom niet staken?

  • CNV doet niet mee aan de staking. Mijn werkgever en de mbo-raad staan ook niet achter de staking. Zij zien een staking als een uiterste middel, wat nu niet het moment is, omdat ze nog in onderhandeling zijn over de cao. Vind ik op zich een logische verklaring.
  • Ik heb nog steeds een zure nasmaak van de NOT waar onderwijsmensen niet om wisten te gaan met het feit dat ik in een rolstoel zit. Wil ik dan in een nog grotere mensenmassa met diezelfde mensen rondlopen?
  • Ik ben nog steeds deels ziek gemeld, wel al aardig aan het opbouwen. Maar dat kleine beetje dat ik lesgeef, is precies die vrijdag wanneer er ook gestaakt wordt. En precies aan die ene groep waar ik zelf hoge eisen aan stel qua aanwezigheid. Het voelt dan niet fijn om zelf niet op te komen dagen bij die les.
  • Dat opbouwen wil ik graag doorzetten. Een uitstapje naar Malieveld is fysiek gezien zo zwaar voor mij, dat ik daar zeker twee weken van moet herstellen en even niet kan opbouwen. Dat is het me niet waard. En thuiszitten tijdens het staken? Daar wil ik nu juist van af, voor mij voelt dat niet als staken en kan ik dan net zo goed wèl mijn werk doen.

En ja, dat zijn best persoonlijke redenen om niet te gaan staken, terwijl ik de redenen om wel te staken wel veel breder kan trekken dan alleen mijn eigen hachje. Maar hoe meer ik in mijn werk beperkt wordt door EDS, hoe minder ik gezien word. Ik voel de solidariteit niet, die juist zo nodig is bij een staking als deze. Als ik dan toch niet gezien word, waarom zou ik er dan moeite in stoppen?

Dus, overtuig mij: waarom zou ik wel of niet gaan staken op 15 maart?

O4 workhopper rolstoel getest

Voor op mijn werk ben ik al een tijdje op zoek naar de ideale oplossing als het gaat om zitten en verplaatsen. De trippelrolstoel was het niet helemaal, ongeacht merk of ondergrond. Het blijft gewoon een te zware en te grote stoel om mee te trippelen en/of rollen. Even dacht ik dat ik me er maar bij neer moest leggen dat ik gewoon maar twee stoelen zou moeten aanvragen. Een trippelstoel waar ik echt goed in ondersteund word en een rolstoel die daarnaast op mijn werk kan blijven staan om me tussen de lokalen en kantoren te kunnen verplaatsen.

Maar ondertussen had ik ook nog steeds een oogje op de rolstoelen van O4. En na een bezoekje aan de showroom in Varsseveld mocht ik de Workhopper van O4 uitproberen op mijn werk.

Dit maakt de O4 Workhopper anders dan andere rolstoelen

De zitting en rugleuning zijn gemakkelijk anders in te stellen, zodat je je zithouding kan variëren. Voor mij in mijn werk betekent dit:

  • Net iets hoger zitten om iets uit de kast te pakken of om op het kopieerapparaat te kijken.
  • Bij overleggen, gesprekken of in de pauze de rugleuning iets naar achter zetten, zodat ik meer ontspannen kan zitten.
  • Door de voetplaat opzij te klappen, kan ik trippelen als ik mijn handen vol heb.
  • Achter mijn bureau kan ik variëren in zithouding door de rugleuning zo in te stellen als ik op dat moment prettig vind. Ik zit niet de hele werkdag in dezelfde houding.
  • De rugleuning loopt tot mijn schouderbladen en is daarmee hoger dan die van mijn andere rolstoelen. dat geeft net wat meer steun bij het lange zitten.
  • Vergeleken met de trippelrolstoelen is de O4 Workhopper veel lichter en minder breed. Vergeleken met een gewone rolstoel wel iets zwaarder, maar dat verschil merk ik niet met rollen.
  • Hij heeft een vast zitkussen wat echt heerlijk zit.

Wat mis ik nog aan de O4 Workhopper?

De rolstoel die ik nu geleend heb, is natuurlijk niet helemaal aan mijn behoeften aangepast. Zo vind ik ‘m eigenlijk net iets te hoog voor het trippelen. Ik kan daardoor niet zo goed met mijn voeten afzetten. En ik mis de wig in de zitting heel erg. De zitting van deze rolstoel kan vooral naar voren kantelen, maar dus niet naar achteren.

Ik zou ook wat meer ingeklemd willen zitten, dus wat hogere spatborden. En of de rugleuning mij wel voldoende steun geeft, ben ik nog niet over uit. Misschien dat ik dat minder nodig heb als de spatborden hoger zijn. Maar op dit moment heb ik nog steeds een pijnlijke onderrug als ik een ochtend gewerkt heb. Op zich heb ik dat met andere (rol-)stoelen ook wel, dus of het helemaal op te lossen is, weet ik niet.

Verder kan er wèl een hoop aangepast worden, zoals de zithoogte, wig, spatborden. En dan zou het alles bij elkaar een veel betere rolstoel zijn dan mijn huidige. Zonde eigenlijk om ‘m dan alleen op mijn werk te hebben staan!

Een laatste dingetje is wel dat ik tijdens het rollen niets kan meenemen. Op mijn schoot glijdt het eraf, tussen mijn knieën past niet zoveel en de rugleuning leent zich er niet voor om elke tas hieraan te hangen. Maar hier had ik zelf al snel een oplossing voor gevonden.

O4 workhopper rolstoel met zakje

DIY rolstoelzakje met behulp van Ikea

Toevallig was ik pas met man en kinderen in de Ikea en ging ik bij de opbergspullen eens op zoek naar iets wat dienst kon doen om mapjes en papierwerk in mee te nemen met mijn rolstoel. De schoenendozen daar leken me wel wat, maar deze waren helaas te smal om A4 in op te bergen. Bij het ophangbord Skadis en bijbehorende accessoires kwam ik een zakje tegen met een metalen rand. Dat leek me ook wel wat.

Eenmaal thuis ben ik in mijn kastjes gaan neuzen hoe ik het zakje aan mijn rolstoel kon hangen. En omdat mijn laatje met siernieten, drukknopen en nestelringen wel eens mag slinken qua voorraad, ben ik daarmee in de weer gegaan. Dus een keer zonder naaimachine!

Nu moet ik helaas straks weer de geleende O4 Workhopper inleveren, maar dat zakje kan ik ook makkelijk aan mijn eigen rolstoel hangen. Maar natuurlijk hoop ik dat ik over een tijdje een eigen Workhopper heb om ‘m aan te hangen.

Dit is geen gesponsord artikel, ook jij kunt een O4 rolstoel een week lang uitproberen! Niet alleen op je werk, maar ook thuis.

lesgeven onderwijs

Inmiddels is de zomervakantie nu dan echt begonnen. Even weer een moment om terug te kijken naar het afgelopen schooljaar en vooruit te kijken naar het volgende. Of de daarop volgende schooljaren. En er is genoeg om over te piekeren en peinzen. De eerste helft van het schooljaar dacht ik zo goed bezig te zijn, maar ik had niet kunnen voorzien dat het zo zou lopen.

Deels ziek melden in het onderwijs: het werkt gewoon niet

Het werk is nooit klaar en met de verantwoordelijkheden die erbij komen kijken, is het gewoon heel erg lastig om je grenzen aan te blijven geven. Je wil toch dezelfde kwaliteit kunnen blijven leveren. Studenten moeten er niet de dupe van zijn dat ik nu even niet mijn hele aanstelling kan werken. Maar voor mijn lijf schiet dat dus niet zoveel op.

Twee jaar geleden was ik ook al tot die ontdekking gekomen, toen ik me voor 25% had ziek gemeld. Als je eenmaal je gezicht laat zien op je werk, wordt er door collega’s en studenten op je gerekend.

Dit jaar had ik me na de meivakantie voor 50% ziek gemeld en de laatste weken voor de zomervakantie werd dit zelfs 75%. En nog had ik niet het gevoel dat mijn lijf weer aan het herstellen was. Minder uren, maar nog steeds de verantwoordelijkheden van een examenleider, leverde alleen maar meer stress op. Ik sliep slechter en mijn werkweek van twee keer drie uur voelde als een fulltime werkweek. Ik was kapot.

Tijdelijke dip of blijvende achteruitgang?

Waar ik twee jaar geleden nog het gevoel had dat mijn lijf in staat was om te herstellen, begin ik daar nu een beetje het vertrouwen in kwijt te raken.

En aan alle kanten wordt het al tegen me gezegd. Mijn ergotherapeut vroeg zich hardop af of mijn achteruitgang niet gewoon blijvend was, in plaats van een tijdelijk dipje zoals ik het noemde. De bedrijfsarts vond dat ik misschien niet zo graag moet willen werken. Dat ik me op belangrijkere dingen moet richten, zoals mijn gezin. En mijn revalidatiearts kwam met de opmerking dat ik beter op mijn hoogtepunt kan stoppen, voordat ik zover aftakel dat ze me op een vervelende manier weg gaan werken.

Ja, het klinkt ook allemaal wel heel verstandig, maar mijn gevoel wil er gewoon niet aan. Het is maar werk, maar wat zou ik zonder moeten?

Deadline 22 oktober

Goed, er moet dus wel wat veranderen wil ik het nog langer vol kunnen houden. Na de zomervakantie blijf ik waarschijnlijk eerst nog even voor 50% ziek gemeld. Mijn taak als examenleider wordt gesplitst. Deze taak wordt steeds groter en is niet meer te doen door één persoon in een team met verschillende opleidingen. Hiermee word ik dus ontlast, krijg iets minder verantwoordelijkheden. Daarnaast zijn die collega’s straks zo goed ingewerkt, dat het geen drama is als ik toch nog uitval.

Maar, ik ken mezelf inmiddels wel een beetje en mijn revalidatiearts ook, dus heb ik een deadline afgesproken. Het is nu zo vaak gebeurd dat ik één stap vooruit doe en weer twee (of drie) terug, nu moet het gewoon echt gaan verbeteren.

Die deadline heb ik gezet op 22 oktober, het begin van de herfstvakantie. Als er dan nog geen verbetering is, meld ik me voor 100% ziek. Na een werkdag van drie uur moet ik na een half uurtje rust gewoon weer fit genoeg zijn om thuis wat te kunnen doen. Ik moet gewoon zeven uur kunnen slapen in een nacht. Vijf minuten kunnen lopen zonder pijn, bij het avondeten een half uur aan tafel kunnen zitten zonder pijn. Dat is allemaal toch niet teveel gevraagd?

En terwijl ik dit zo schrijf, denk ik tegelijkertijd: Jacq, wie neem je nou in de maling? Dit zit er echt niet meer in, wat je ook verandert in je werk.

Idealen in de prullenbak

Hoewel mijn gevoel zich er heel erg tegen verzet, heb ik er in mijn achterhoofd wel rekening mee gehouden dat het werken er op een gegeven moment niet meer in zit. En op zich maak ik me niet eens zoveel zorgen om het hele proces van afkeuren en hoe we er daarna financieel voor staan. Daar heb ik al het één en ander over uitgezocht en nagevraagd en dat moet te doen zijn.

Maar wat me nog het meeste dwarszit, is dat alles wat ik zo graag wilde bereiken met mijn werk, in de prullenbak kan. Ik ben het onderwijs in gegaan om mensen op te leiden voor het werkveld waar ik vandaan kwam. Om goede beroepskrachten te leveren, die ik zelf graag als collega gehad zou willen hebben. En waar ik mijn kinderen aan zou toevertrouwen.

Vijf jaar geleden heb ik mijn master in Leren en Innoveren behaald. Met het idee dat ik naast lesgeven ook achter de schermen bezig kon zijn met het vormgeven van goed onderwijs. De afgelopen veertien jaar heb ik zo ontzettend veel verschillende lessen gegeven aan de opleidingen Pedagogisch Werk, Onderwijsassistent en Maatschappelijke Zorg. Lessen waar ik toch best trots op ben.

Kan allemaal de prullenbak in. Al die kennis en ervaring doen er toch niet meer toe.

En ik merkte het al bij de laatste diplomering. Ik was er niet bij en ik werd niet gemist. Van de studenten die afstudeerden, was er maar één klas die nog les van mij heeft gehad en dat worden er steeds minder. Niemand die nog zegt: ‘Mevrouw, ik heb zoveel van u geleerd.’ Of: ‘U heeft me gemotiveerd om voor dit vak te gaan.’ De studenten kennen me alleen nog maar als die examenleider die komt zeuren als formulieren niet in orde zijn.

Nu al mis ik het lesgeven, het contact met studenten, het aanzetten tot leren, het ontwikkelen en creëren. Wat als daar straks helemaal niks van overblijft? Wat blijft er dan van mij nog over?

 

Vorig jaar heb ik me verdiept in het verbeteren van het verantwoordelijkheidsgevoel en zelfregulering bij studenten, zodat de examinering efficiënter zou verlopen. Hoewel het steeds beter gaat, blijven er struikelblokken die ik nog meer aan zou willen pakken.

Dit jaar wilde ik hierop doorgaan en een methode gebruiken waar ik tijdens mijn masteropleiding Leren & Innoveren al mee had kennisgemaakt: systeemdenken. Nu dan iets meer gericht op ons als team, in plaats van de studenten.

Wat is systeemdenken?

Er zullen vast meerdere beschrijvingen en methodes zijn, maar ik ben ermee aan de slag gegaan zoals het beschreven is in het boek ‘Systeemdenken, van goed bedoeld naar goed gedaan’ van Schaveling, Bryan en Goodman. Peter Sneijders heeft hier ook een informatief artikel over geschreven.


In dat boek wordt systeemdenken omschreven als een methode om zicht te krijgen op de complexiteit in organisaties. Zo’n organisatie bestaat uit patronen, waar je je misschien niet heel bewust van bent, maar waar je behoorlijk vast in kunt zitten.

Door systeemdenken toe te passen, worden die patronen zichtbaar en kun je loskomen van de standaard oplossing die niet meer werkt en dieper naar de oorzaak en gevolgen kijken. Om uiteindelijk dan ook die oorzaak goed aan te kunnen pakken en uit het vastgeroeste patroon te kunnen stappen. Hiervoor is een stappenplan beschreven van zeven stappen om systeemdenken toe te passen.

In dit artikel wil ik jullie meenemen in de stappen die ik tot nu toe uitgewerkt heb. Wel ietsje ingekort, om het wat leesbaarder te houden. En met de opmerking dat ik geen expert ben op het gebied van systeemdenken, dus mijn uitwerking zal vast hier en daar voor verbetering vatbaar zijn.

Stap 1: Beschrijf de incidenten of gebeurtenissen

Er is soms onduidelijkheid bij de studenten over de verwachtingen wat betreft de inhoud van de examens en de wijze waarop formulieren ingevuld dienen te worden. Ze ervaren daarnaast de uitleg van examens door docenten of slb’ers (studieloopbaanbegeleiders) als verschillend, wat tot vragen leidt.

Al die onduidelijkheid leidt ertoe dat examens onnodig op de verkeerde manier ingeleverd worden en dat levert de slb’ers en examenleider extra werk op.

Stap 2: Beschrijf het verloop van de incidenten in de tijd in grafieken

grafiek systeemdenkenOp het moment dat slb’ers en examenleider bij individuele vragen of problemen het uit handen nemen bij de student, is het voor studenten nog niet altijd duidelijk wat nu de juiste aanpak is volgens de procedures. Hoe vaker een quick fix wordt toegepast, hoe meer studenten ervan uitgaan dat het wel voor hen opgelost wordt en hoe vaker die quick fix nodig is. Het zelfoplossend vermogen van studenten gaat naar beneden, omdat het al voor hun opgelost wordt.

De vragen of onduidelijkheden van studenten gaan hierbij vaak om:

  • wat precies inhoudelijk de eisen bij een examen zijn
  • welke formulieren toegevoegd moeten worden en hoe deze ingevuld moeten worden

Stap 3: Formuleer de scope en richtinggevende vraag

De scope is hierbij beperkt tot het eigen team, omdat hier de meeste invloed op uitgeoefend kan worden.

De richtinggevende vraag hierbij is:

Waarom blijken de procedures rondom examinering onduidelijk te zijn voor studenten, ondanks vele uitleg en instructie door docenten, slb’ers en examenleider, terwijl duidelijkheid rondom deze procedures van belang is voor studenten om te kunnen slagen?

Stap 4: Identificeer de patronen die mogelijk ten grondslag liggen aan de incidenten

De patronen die hierbij mogelijk ten grondslag liggen, zijn te herkennen in het archetype symptoombestrijding (shifting the burden). Bij dit archetype wordt een probleemsymptoom verholpen, zonder dat het onderliggende probleem wordt aangepakt. Het symptoom blijft aanhouden en vergt steeds meer bestrijding om het onder controle te houden. Door het beslag dat symptoombestrijding legt, wordt de diepere oorzaak niet aangepakt. Het systeem raakt verslaafd aan symptoombestrijding.

loops systeemdenken

De bovenste loop laat de quick fix zien, welke op korte termijn het probleem oplost. Door individueel een student uitleg te geven of te helpen, wordt de vraag weggenomen bij die ene student.  

De onderste loop corrigeert de diepere oorzaak. Wanneer de procedures correct en eenduidig zijn uitgelegd aan alle studenten, neemt dit vragen en onduidelijkheden weg. Hierbij zit er een vertraging in het systeem, doordat studenten bijvoorbeeld niet allemaal aanwezig zijn op het moment dat er een uitleg is.  

De quick fix heeft een versterkende looprelatie met de diepere oorzaak. Hoe meer er individueel bijgesprongen wordt wanneer studenten ergens tegenaan lopen, hoe meer verschillen er in de aanpak van docenten zitten. Dit hindert de eenduidige uitleg/aanpak. 

Het verhelpen van individuele vragen wordt zo dominant, dat het er niet van komt om te werken aan de structurele oplossing, omdat die een tijdsvertraging heeft.

Stap 5: Ga op zoek naar drijvende krachten 

 Dominante mentale modellen in deze situatie kunnen zijn: 

  • Laat de student het dan maar even op deze manier inleveren, ik maak het verder wel in orde, zodat het op tijd ingeleverd is. 
  • Liever ingeleverd en onvoldoende, dan helemaal niets ingeleverd. Dan maar de feedback bij de beoordeling afwachten om weer te kunnen verbeteren. 
  • Als het nu niet meegenomen wordt in de beoordeling, hebben we er straks bij de herkansing nog meer werk aan.

Reflectievragen om de drijvende krachten in beeld te krijgen, zijn: 

  • Persoonlijk meesterschap: Hoe heb ik als examenleider bijgedragen aan het uit handen nemen van het probleem van de studenten, wanneer deze niet volgens de examenprocedure weten te handelen? 
  • Teamleren/groepsdynamiek: Welk belang hebben slb’ers en docenten bij het op hun eigen manier uitleggen/handhaven van procedures rondom examinering? 
  • Systeemscope: Komt dit probleem ook bij andere teams voor? Hoe gaan andere teams hiermee om? Wat voor gevolgen heeft de huidige aanpak voor de branche? 
  • Mentale modellen: Waarom kiezen we steeds voor de snelle oplossing door op individuele problemen/vragen in te gaan, waardoor het complete plaatje alleen maar onduidelijker wordt voor studenten? 
  • Gedeelde visie: Hoe dragen we met elkaar bij aan een duidelijk en overzichtelijk geheel van procedures? 

Wordt vervolgd….

Stap 6: Plan een interventie

Stap 7: Review de resultaten en het proces

In stap 1 heb ik input gehad van studenten en collega’s. Bij stap 5 heb ik dit ook nog nodig, om weer verder te kunnen met stap 6. Hier ben ik dus gebleven met het uitwerken van de stappen.

Ik hoop binnenkort stap 5 verder in te kunnen vullen en stap 6 vorm te geven. Aan het eind van het schooljaar komt stap 7 pas aan bod, dus het zal nog wel even duren voor ik hier wat over te vertellen heb.

Ben jij bekend met systeemdenken?

Wat denk jij dat er hierbij als interventie ingezet kan worden om het probleem op te lossen?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

Ik was er vroeger gek op, die geschiedenislessen. Het zal er vast ook wel mee te maken hebben gehad dat ik meestal wel een toffe geschiedenisleraar had, die z’n best deed er een leuke les van te maken. Maar het luisteren naar de verhalen en het in je kop stampen van de jaartallen vond ik ook leuk.

Zo anders dan mijn studenten, die ik meestal niet warm krijg voor zo’n les in wat allemaal al geweest is. Nu is er bij de opleiding Pedagogisch Werk waar ik lesgeef geen maandenlange reeks met geschiedenislessen over de kinderopvang, dus dat scheelt. Maar bij gebrek aan uitdagende opdrachten om in de theorie te duiken, bleef ik al een paar jaar hangen in dezelfde opdracht: ‘Zet de begrippen op de juiste plaats in de tijdlijn.’

Maar deze week had ik wat meer tijd om mijn les voor te bereiden en heb ik het in een ander jasje gegoten.

Voorbereiding geschiedenisles

  • Omdat het boek uit de studiewijzer niet op de boekenlijst van de studenten stond, kon ik beginnen met het kopiëren van de lesstof. En om zo min mogelijk papier te verspillen, heb ik geknipt en geplakt tot ik drie A4 op één A4 kreeg. Alleen maar tekst, zonder plaatjes dus.
  • De belangrijkste gebeurtenissen/ wetten/ regelgeving/ begrippen uit de tekst heb ik zo kort mogelijk overgetypt in een tabel en uitgeprint. Liefst zelfs afgekort, als het een gebruikelijke afkorting is.
  • De vakjes met begrippen heb ik uitgeknipt, zodat ik uiteindelijk achttien kaartjes had. Ik had nog een restje magnetisch plakband, maar gewoon plakband of losse magneetjes doen het ook prima hierbij.
  • Een paar kaartjes heb ik tot bonuskaartjes omgedoopt. Bij de ene was het jaartal niet terug te vinden in de tekst en zou deze dus gegokt moeten worden. De andere was helemaal niet in de tekst terug te vinden, omdat het om een nieuwe wet ging, die we de week ervoor behandeld hadden.
  • Tot slot heb ik een paar buzzers erbij gepakt. Daar hadden we meer dan genoeg van, maar uiteindelijk had ik er maar drie gebruikt, omdat ik vergeten was de anderen van batterijen te voorzien. Gelukkig was het maar een klein klasje.

Het spel

  • Terwijl de studenten de uitgedeelde tekst lazen en met highlighters aan de slag gingen, tekende ik de tijdlijn op het bord. Niet helemaal in proporties zoals je ziet, maar met genoeg ruimte voor de kaartjes.
  • Vervolgens de spelregels uitgelegd:
    • Als een groep weet welk jaartal er bij het door mij opgelezen en omhoog gehouden kaartje hoort, mag er op de buzzer gedrukt worden.
    • De groep die het eerst heeft gedrukt, mag het kaartje op de tijdlijn plaatsen. Hangt het goed, dan mogen ze het begrip toelichten. Hangt het verkeerd, dan krijgen de andere groepen een kans (wie het eerst drukt op mijn teken).
    • Goed opgehangen is één punt, een goede toelichting in eigen woorden is nog een punt erbij.
    • De groep met de meeste punten wint.

geschiedenisles kinderopvang spel

Resultaat van de geschiedenisles

Deze les gaf ik aan een kleine, maar behoorlijk drukke en enthousiaste klas. Eigenlijk vond ik het na twintig minuten wel weer tijd voor wat anders, maar de klas wilde doorgaan tot alle kaartjes op waren. Uiteindelijk zijn we er dik een half uur aan kwijt geweest.

Door het spelelement werden sommigen zo hyper en luidruchtig, dat het me nog meeviel dat er geen collega’s kwamen klagen.

Wat me opviel, was dat veel studenten moeite hadden met het vertalen van ‘de 19e eeuw’ uit de tekst naar de tijdlijn op het bord. Dit kwam bij een stuk of drie kaartjes voor en elke keer werd het verkeerd opgehangen en heb ik het opnieuw uitgelegd hoe het werkt.

Het uitleggen in eigen woorden was ook een lastige. Het kunnen vinden in de tekst lukte prima. Maar vervolgens ook begrijpen en uitleggen wat er dan in die tekst staat, is een ander verhaal. Afkortingen die in de tekst niet afgekort waren, kostten ook behoorlijk wat moeite om gevonden te worden. Behalve als ze ze bij andere vakken al eens besproken hadden, zoals VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie).

De bonuskaartjes waren ook lastiger dan ik had ingeschat. Zelfs toen er nog maar één specifiek jaartal over was en maar één kaartje, werd het verkeerd opgehangen. Maar het meest teleurstellend was toch wel dat echt niemand het kaartje herkende van de les van vorige week, haha!

Conclusie?

Deze meiden zijn niet zo van de theorie, maar met een beetje stimulans krijg je ze allemaal actief met hun neus in de lesstof. En met wat herhaling (ook bij andere vakken) blijft het wel hangen.

Als het aan de klas ligt, doen we elke week zo’n spel. Of ik er nou op zit te wachten om elke keer zo’n stel joelende meiden voor m’n neus te hebben. Ik weet het niet hoor. Later in de les hebben ze heel rustig en geconcentreerd een mindmap gemaakt, dat beviel me net iets beter.

En omdat iedereen wel mee kan praten over onderwijs:

Wat maakt voor jou een theoretische les minder saai?

mbo-studenten superhelden

Het schooljaar zit erop, de diplomering is geweest. En man, wat ben ik trots op mijn afgestudeerde studenten!

Mbo-studenten Welzijn & Onderwijs

Het team waar ik nu werk biedt verschillende opleidingen aan binnen Welzijn & Onderwijs, van niveau 2 tot en met niveau 4. Allemaal opleidingen waarbij ze uiteindelijk met mensen willen gaan werken, ze verzorgen en/of begeleiden. Met kinderen in de kinderopvang, buitenschoolse opvang of het (basis-) onderwijs, met ouderen, verstandelijk gehandicapten of mensen die om wat voor reden dan ook een hulpvraag hebben en begeleid moeten worden.

En daarbij zijn ze zelf het instrument. Hoe zij de cliënten of kinderen begeleiden, met ze communiceren, hoe ze het groepsklimaat beïnvloeden: alles wat ze doen, heeft invloed op hoe hun doelgroep zich verder ontwikkelt.

Dat geldt net zo goed voor docenten trouwens.

Van straatkatten en prinsessen…

Als ze net binnenkomen, hebben studenten vaak nog geen idee wat het beroep inhoudt waar ze voor gaan leren. Ze spelen graag met kleine kinderen, of willen zelf een betere begeleider worden dan die ze zelf hebben gehad.

Uiteindelijk moeten ze allemaal zover komen, dat ze (zelfstandig) een groep kunnen begeleiden. En waar de één dit van nature al in zich heeft, moet de ander van ver komen.

De afgelopen twee jaar was ik studieloopbaanbegeleider van een kleine klas. Maar hoe klein die klas ook was, de diversiteit was enorm:

  • Jonge moeders die naast hun school en stage dus ook nog de zorg voor hun kind hebben.
  • Studenten die zijn opgeklommen van niveau 2 naar niveau 3 en echt keihard moeten werken om het tempo en niveau bij te kunnen houden.
  • Een andere culturele achtergrond kan soms een struikelblok zijn. Niet alleen in de zin van verschil in normen en waarden, maar ook heel praktisch: het opvragen van een VOG die nodig is voor stage, kan veel langer duren bij een student die niet in Nederland geboren is.
  • Sommige studenten komen uit een warm nest waar hun ouders ervoor zorgen dat ze niks tekortkomen.
  • Anderen hebben zichzelf al die jaren al staande moeten houden en hebben echt een straatmentaliteit.

… tot bekwame professionals

Hoe mooi is het dan om te zien dat al die verschillende studenten zo naar dat diploma groeien. Dat ze gaan inzien wat wel en niet belangrijk is om mee te nemen in hun vak.

Toen ik ze aan het begin van het tweede jaar voor het eerst voor mijn neus kreeg, hebben we best nog wel wat pittige momenten gehad. Ik vond (uiteraard) dat ik wel wat belangrijks te melden had als docent en irriteerde me aan de laksheid van sommigen. Studenten die te laat kwamen, met andere dingen bezig waren of gewoon veel te weinig aanwezig waren. Mijn grenzen heb ik toen duidelijk aangegeven en dat viel niet bij iedereen even goed.

Maar eenmaal gewend aan elkaar en toen duidelijk was wat we aan elkaar hadden, verliep het een stuk soepeler.

Van die onverschillige houding veranderden ze in leergierige studenten. De lessen leken te kort en ze bleven maar vragen stellen, ze wilden ècht meer leren.

En zelfs de studenten waar ik me zorgen om maakte of ze het wel zouden halen, maakten aan het einde een inhaalrace. Om de praktijk hoefde ik me bij de meesten geen zorgen te maken, ze deden het prima op hun stage. De kinderen waren gek op ze en ze werkten goed samen met hun collega’s. Maar het inplannen, uitvoeren en inleveren van (examen-)opdrachten… dat leek toch wel het lastigste onderdeel van de opleiding.

Mijn mbo-studenten, mijn superhelden

Wat hebben ze het geweldig gedaan, die studenten van mij. Dat ze zich zo hebben kunnen transformeren in een paar jaar tijd, maakt ze echte superhelden.

Voor de diploma-uitreiking had ik voor al mijn studenten een kaart geborduurd met een superheld erop. En terwijl ze om de beurt naar voren kwamen om hun diploma in ontvangst te nemen en in het zonnetje gezet te worden, kwamen ook hun superkrachten langs. Humor, standvastig, mooi van binnen en van buiten, precies, zelfstandig, doorzettingsvermogen, beleefd, doelgericht, enzovoort.

Maar het zijn niet alleen mijn studenten waar ik studieloopbaanbegeleider van was, waar ik trots op ben. Als examenleider heb ik van alle gediplomeerden wel wat voorbij zien komen. En met het beoordelen van examengesprekken of -verslagen, krijg je een beeld van hoe ze het in de praktijk doen.

En ook daar zitten echte kanjers tussen. Studenten op niveau 2 die veel meer verantwoordelijkheden krijgen dan zou moeten, maar dit prima aankunnen. Of studenten van Maatschappelijke Zorg die echt wel hele pittige doelgroepen voor hun neus krijgen en hier hun eigen manier van begeleiden in kunnen vinden. Mooi om te zien, horen en lezen hoe zij het kind of de cliënt centraal stellen en als een professional handelen.

 Ik ga met een trots gevoel de vakantie in! En jij?

leerklimaat mboHet boek Beter leerklimaat in het mbo vond ik in januari in mijn postvakje, als cadeautje van de directie. Hier maak je mij altijd blij mee: boeken over onderwijs.

Er worden 40 tips gegeven om het gedrag van studenten te verbeteren. Het is een overzichtelijk geheel en daardoor snel door te lezen. Elke tip wordt op dezelfde manier toegelicht:

  • Om over na te denken
  • Aan de slag in je klas
  • De kern van de zaak

Alhoewel het boek van oorsprong geschreven is door Amerikaanse auteurs, zijn de situaties en tips net zo herkenbaar voor de Nederlandse situatie. Sorry voor de jongvolwassen studenten: jullie zijn gewoon ontzettend voorspelbaar. Geldt net zo goed voor de docenten trouwens.

Er zit wel aardig wat overlap in de tips en hier en daar wordt een open deur ingetrapt, maar wie weet is dit voor andere docenten wel wat nieuws.

Heel kort samengevat gaat het om een positieve benadering met oog voor de student. En dat is zeker iets waar ik me in kan vinden.

Tips die nu al goed voor mij werken

  • Geef studenten verantwoordelijkheid: Het zal je verbazen wat het effect is van letterlijk de bordstift in handen te geven van studenten. Als ze merken dat wat zij denken er toe doet, zijn ze veel meer bereid om nog dieper op de stof in te gaan.
  • Enthousiaste docent, enthousiaste studenten: Het ene vak is leuker om te geven dan het andere. Pedagogiek heeft mijn voorkeur, maar het vak organisatie kan ik met net zoveel enthousiasme overbrengen. Studenten zien er ook wel de humor van in: ‘Mevrouw, dit is helemaal niet zo leuk als u doet overkomen.’ En ondertussen blijven ze wel opletten, wachtend op het moment dat het wèl leuk gaat worden. Maar ik verklap natuurlijk niet dat dat leuke moment is wanneer zij de lesstof snappen en het belang ervan inzien.
  • Regels en procedures: Bij deze tip wordt er onderscheid gemaakt tussen regels die niet overtreden mogen worden (anders volgen er consequenties) en procedures, waarbij je een vaste manier hebt hoe dingen moeten gebeuren. Ik vind dat wel een mooi gegeven, iets om met mijn team bespreekbaar te maken. Zo hoeft het verbieden van de telefoon wat mij betreft geen regel te zijn. Maar ik vind het wel onderdeel van een procedure: je let op tijdens de uitleg, gaat aan het werk met een opdracht en pas als alles klaar is, mag de telefoon tevoorschijn komen. Dat is voor mij meteen een teken om misschien wat eerder naar een volgend lesonderdeel te gaan.

Tips die ik nog wel wat meer kan inzetten

  • Negeren is vooruitzien/ de afleidingsmanoeuvre: Dit is meteen wat ik bedoelde met overlap in verschillende tips. Want eigenlijk ben je nooit alleen maar aan het negeren, je gaat niet in op het negatieve gedrag, maar leidt de student af door zijn aandacht ergens anders op te richten. Ik ben er ook van overtuigd dat dit beter werkt dan je les te onderbreken en in te gaan op het negatieve gedrag, maar het lukt niet altijd. Zeker als de ene stoorzender de andere aansteekt, ben ik even kwijt hoe ik ze kan afleiden. En soms sta ik gewoon zo perplex van het gedrag, dat ik dat niet kan verbergen. Om even een extreme te noemen: ik betrapte een keer een student die een hijs nam van zijn elektrische sigaret, gewoon tijdens mijn les.
  • Praat zacht en rustig: Ook hiervan weet ik dat het werkt, in een drukke klas kun je beter juist zacht en rustig praten, dan doen studenten meer hun best om je te kunnen verstaan. Maar als ik in een open ruimte met computers en groepstafels van drie verschillende klassen tegelijkertijd de aandacht wil, lukt het me niet om dit zacht te doen. In een normaal klaslokaal waar ik sneller oogcontact heb met studenten, gaat het me een stuk beter af.

tips leerklimaat mbo

Welke tips zou jij een docent in het mbo willen geven om het leerklimaat te verbeteren?

In dit artikel is gebruik gemaakt van affiliate links. Daar merk jij verder niks van, maar mocht je op de linkjes klikken en in die webshop wat kopen, dan help je mij aan een paar centen.

rolstoel scooterNiet zeuren, maar aanpakken!‘ Dat was één van de reacties die ik kreeg op de column die ik voor de Supportbeurs schreef: niet gehandicapt genoeg. Daarnaast ook veel reacties hoe herkenbaar het was om tussen wal en schip te vallen als het gaat om hulpmiddelen en aanpassingen. Maar die ene reactie bleef toch goed hangen.

Ik weet dat ik ook weleens de minder leuke kanten belicht van het chronisch ziek zijn. Het zou gek zijn als het alleen maar positief zou zijn, want het leven met EDS is nu eenmaal niet alleen maar leuk. Maar toch hoop ik over te komen als iemand die ervoor gaat, die haar best doet om zoveel mogelijk zelf voor elkaar te krijgen.

Dat dat niet bij iedereen zo overkomt, kan ik prima mee leven. Zo nu en dan weer even aangescherpt worden door iemand die een mening over je heeft na één column te hebben gelezen, zet me weer even met beide benen op de grond. Zo slecht heb ik het ook helemaal niet.

Net zo erg als mijn studenten

Met mijn studenten hadden we het pas over klachten en hoe de school hiermee omgaat. Zij vonden bijvoorbeeld dat er teveel opdrachten gegeven werden. Daar hadden ze over geklaagd, maar ze hadden niet het idee dat er wat mee gedaan werd. Maar toen ik vroeg hoeveel tijd ze aan huiswerk kwijt waren en het grootste deel van de groep toegaf dat ze er maar tussen de 0 en 2 uur per week aan besteden, dacht ik ook: niet zeuren, maar aanpakken!

Ik heb dat niet letterlijk geroepen, maar ik heb wel een preek gegeven over dat ze wat meer moeite mogen doen voor hun opleiding. Ik heb dus zitten zeuren tegen ze.

Vorige week kwam niet alleen die column op de Supportbeurs online, maar schreef ik hier ook nog eens over die ‘rotbaan’ van mij. Twee van zulke artikelen in één week en dan ook nog een preek naar je studenten. Ja, dan ben je toch echt wel een zeur.

Afscheid nemen van je maren

Toen ik lang geleden het boek Leven met pijn doorworstelde, kwam ik de oefening afscheid nemen van je maren tegen. Je beschrijft dan wat je zou willen en wat je tegenhoudt. Door vervolgens in elke zin het woord ‘maar’ weg te strepen en er ‘en’ voor in de plaats te zetten, verandert de betekenis en ga je er anders over denken.

Om het even toe te passen op mijn klaagzang van vorige week:

  1. Ik zou graag een uitdagende, leuke baan willen hebben, maar en het lesgeven is fysiek te zwaar voor me geworden.
  2. Ik zou graag de tijd willen krijgen om mijn werk goed uit te kunnen voeren, maar en die tijd is er niet.
  3. Ik zou graag zekerheid willen hebben over aanpassingen in mijn functie, maar en ik ben op papier niet ziek of arbeidsbeperkt waardoor mijn werkgever niet verplicht is mijn functie aan te passen.
  4. Ik zou graag dichtbij willen parkeren als ik mijn rolstoel gebruik, maar en ik heb geen gehandicaptenparkeerkaart.
  5. Ik zou financieel graag wat makkelijker willen hebben, maar en ik krijg geen tegemoetkoming in de kosten van het chronisch ziek zijn.

Aanpakken!

Niet gaan wachten tot een ander het voor je doet, maar gewoon zelf je schouders eronder zetten. Schop onder je kont en gaan. Ik kan natuurlijk wel mooi schrijven over zelfredzaamheid en afscheid nemen van je maren, maar dan moet ik het zelf ook gaan doen.

Bij het afscheid nemen van je maren wil je er eigenlijk meteen het woord ‘dus’ achteraan plakken en een oplossing geven voor het probleem. Tenminste, dat effect heeft die oefening op mij.

  1. Dus ga ik op zoek naar alternatieven binnen het onderwijs.
  2. Dus moet ik leren loslaten en werk over te dragen.
  3. Dus ga ik met mijn leidinggevenden in gesprek over welke aanpassingen wèl mogelijk zijn.
  4. Dus neem ik mijn rolstoel mee op mijn scooter.
  5. Dus ga ik op zoek naar andere mogelijkheden tot extra inkomsten, zoals crowdfunding of misschien in de toekomst zelfs dit blog.

Wordt vervolgd dus…